About DoKS      NL  |  EN Search: Advanced Search
  Part of a word (e.g. tele*)    Exact wordgroup (e.g. "wireless communication")
 
Home
folder Authors
folder Awards
folder Departments
folder Tags
folder Help
 


5,955 theses on-line.
Most popular theses:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
   
 More... 



Open Archives Initiative
Home


Found [330] matches for []
Search for [] with Google | Google Scholar | Google Print

Split to 10 results per page

Show/hide extra info | Highlight search terms | Subscribe to this search

Click the column headings to sort.
# Type <img src="/eindwerk/assets/img/fulltext.gif" border= "0" alt="fulltext"> Description Author Year
1 KHK_ETD   Normoverschrijdend gedrag en agressie in de school Versweyveld, Valérie 2008
2 KHK_ETD PDF Agressie tegen de hulpverlener : Seminarie
keywords Social law Psychology Social problems and welfare, national insurance Sociology Social psychology Juridical sciences Social Sciences

degree Bachelor - Bachelor in het sociaal werk

  Agressie tegen hulpverleners is een vaak voorkomend probleem in onze samenleving. Dit blijkt uit de regelmatige aanwezigheid van agressie-incidenten in de media. Omdat er geen éénduidig begrip bestaat om agressie te omschrijven, gebruiken w ...
e enkele kenmerken om agressief gedrag aan te duiden. Bij agressief gedrag wordt er door het overschrijden van een norm schade, letsel of leed veroorzaakt. Dit kan volgens verschillende uitingsvormen, namelijk fysieke en psychische agressie en zelfbeschadiging en agressie gericht op objecten.
Deze agressie kan verschillende oorzaken hebben. We kunnen de oorzaak bij verschillende actoren leggen. Cliëntgebonden factoren omvatten bijvoorbeeld omgevingsfactoren en karakterkenmerken van de cliënt. De competentie van de hulpverlener, zijn inlevingsvermogen en mentale staat zijn hulpverlenergebonden kenmerken. Als organisatiegebonden factoren vinden we de visie van de organisatie en de materiële mogelijkheden. Als laatste vermelden we de samenlevingsgebonden factoren. Hier vinden we onder andere de verwachtingen van de maatschappij ten opzichte van hulpverlening terug.
Er zijn in België geen specifieke wetten die betrekking hebben op geweld tegen hulpverleners. De antipestwet en de welzijnswet vormen toch enige wettelijke bescherming voor hulpverleners. Het hoofddoel van de antipestwet is werkgevers en werknemers sensibiliseren voor een problematiek die niet alleen ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheid van alle betrokken partijen, maar ook de werking van het bedrijf in het gedrang kan brengen. De welzijnswet geeft een algemeen kader van regelgeving in verband met het welzijn, de preventie en de bescherming van werknemers. De maatregelen hebben onder andere betrekking op de arbeidsveiligheid, de arbeidshygiëne, de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk,... Ook wordt er in de wet aandacht besteed aan preventie.
Omgaan met agressie vindt zowel op preventief en curatief niveau als op niveau van interventie plaats. Deze verschillende niveaus bieden plaats voor bijvoorbeeld supervisie, intervisie en collegiale ondersteuning op het gebied van interventie, conficthantering op het preventieve gebied en bijscholing en therapie op curatief gebied. Overlapping van verschillende gebieden is hier mogelijk.
Als we de Belgische situatie vergelijken met die van bijvoorbeeld Groot-Brittannië, zien we dat we nog werk voor de boeg hebben. In Groot-Brittannië is er immers al een task force opgericht die verschillende voorstellen naar de regering heeft geformuleerd en verschillende werkinstrumenten zoals een employee checklist en een self-audit tool heeft ontwikkeld.
Tot slot zien we overal dat agressie-incidenten weinig worden geregistreerd, waardoor het zoeken naar het waarom en naar de frequentie vaak moeizaam verloopt. Een formulier tot registratie zou hier bij kunnen helpen. Ook is een stappenplan voor het handelen tijdens een agressie-incident waardevol. Vooreerst moet en hulpverlener zich bewust worden van een mogelijk incident. Vervolgens moet hij de cliënt benaderen met een open, rustige houding, grenzen stellen en rust creëren. Daarna moet hij samen met de cliënt zoeken naar oplossingen, waarna hij naar deze oplossingen moet handelen. Vervolgens kan een evaluatiegesprek met vervolgafspraken met de cliënt duidelijkheid scheppen. Het incident zou ten slotte ook geregistreerd moeten worden.

References
Geschreven bronnen
CUYVERS, G., Gedrag als menselijke ervaring. Inleiding tot de psychologie. Wolters Plantyn, 2003.
De bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Juridische toelichting bij de wet
van 11 juni 2002. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, p. 83,
2005.
DECAESTECKER, B., Geweld op hulpverleners dubbel zo zwaar bestraft. Het Nieuwsblad. 29
augustus 2006.
GIELEN, G., LSCI: praten met kinderen en jongeren in crisis. Sociaal. Welzijnsmagazine, jrg. 27,
nr. 2, 2006.
JANS, L. en STAES, H., Agressie in de hulpverlening. Een zachte aanpak. Maarssen, Elsevier/De
Tijdstroom, 1998.
J., F., OCMW Kortrijk wil camera?s tegen agressieve klanten. De Standaard, 12 februari 2005.
PAUWELS, H., OCMW Gent beschermt personeel tegen agressieve klanten. De Standaard, 28
januari 2004.
PAX, C., Wanneer liefde toeslaat. Over geweld en onrecht in gezinnen. Pax Christi, Leuven: Davidsfonds,
1996.
PEETERS, A., Eerste hulp bij geweld. Handboek voor leerkrachten en begeleiders bij het leren omgaan met
geweld bij kinderen en jongeren. Pax Christi, Leuven: Davidsfonds, 1999.
ROELKENS, C., e.a., Agressieprotocol. OCMW Gent. (interne nota)
Schooldirectie maand werkonbekwaam na vechtpartij. Gazet van Antwerpen, 29 november 2006.
SCHUUR, G., Omgaan met agressie. Houten, Bohn Stafleu Van Loghum, 2001.
VANBROECKHOVEN, M., e.a., Integrerend werken. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen,
Departement Sociaal Werk, 2007. (cursus)
VANDERSMISSEN, C., Agressie in de hulpverlening. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen,
Departement Sociaal Werk, 2003. (cursus)
VAN TILBURG, E., Agressie. Praktijkboek voor hulpverleners, begeleiders en leerkrachten. Antwerpen,
Garant, 2003.
WESTERVELD, T., Omgaan met agressie kun je leren. Den Haag, Academic Service, 2004.
Agressie tegen de hulpverlener
WET van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun
werk, Belgisch Staatsblad, 18 september 1996.
Zware agressie zindert na in school. Het Nieuwsblad, 1 december 2006.
Elektronische bronnen
Actieprogramma ?geweld tegen werknemers met een publieke taak?. Internet, 16 november 2006.
(http://www.minbzk.nl/aspx/get.aspx?xdl=/views/bzk/xdl/page&SitIdt=10&VarIdt=1&ItmId
t=99696)
Agressie in de verschillende vormen. Internet, 2005.
(http://www.veiligengezondwerken.nl/renderer.do/clearState/true/menuId/1117/returnPage/1
Agressie en geweld op het werk. Internet, 23 oktober 2002.
(http://www.pi.be/piw/piw01.nsf/52b2da8b666e069080256aaa002ab228/0f93d9e1b2a32b71c1
256cbe00511379/$FILE/NON02238.pdf)
Agressie. Internet, 18 oktober 2006. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Agressie)
BATTY, D., £2m to fight violence against social workers. Internet, 2001
(http://society.guardian.co.uk/socialcare/news/0,,426891,00.html)
DELCOUR, L., PARDOEN, T., Koppen, TV één, 5 december 2006. (tv-programma)
Definitie van het begrip ?geweld?. Internet, 13 september 2002. (http://www.polskaya.be/?p=306)
Een gevoelige tik?! Iedereen heeft met agressie te maken. Internet, oktober 2006.
(http://www.arduin.nl/Informatie/EenGevoeligeTik.htm)
HOFFMANS, J., Lastig gedrag. Voor een veiligere werkplek. Internet, 2005.
(http://www.lastiggedrag.nl/risicofactoren%20medewerker.htm)
National task force on violence: the department of health. Internet, 2000
(http://www.dh.gov.uk/PolicyAndGuidance/HumanResourcesAndTraining/NationalTaskforce
OnViolence/fs/en)
OSSAER, K.., (katrijn.ossaer@vspf.org), informatie. E-mail aan AERTS, N.,
(nadineaerts@hotmail.com), 22 november 2006.
STICHTING VREDESEDUCATIE., Geweld en agressie: waar praten we over? Internet.
(http://www.vredeseducatie.nl/zinloos/agressie.htm)
Systematische en degelijke begeleiding broodnodig. Internet, 15 oktober 2006.
(http://www.icoba.be)
Agressie tegen de hulpverlener 58
WEST, H., coaching en supervisie. Internet, 2000.
(http://utopia.knoware.nl/users/hanswest/DRU/mci/helpdisk/supervis.htm#wat)
Mondelinge bronnen
GOOR, P., VANDEPERRE, G., Mondelinge mededeling. Eerste stuurgroepbijeenkomst, 16 oktober
2006.
GOOR, P., VANDEPERRE, G., Mondelinge mededeling. Tweede stuurgroepbijeenkomst, 11
december 2006.
Agressie tegen de hulpverlener
Vander Mierde, Maaike Somers, Arne Boonen, Els Van Beurden, Liesbeth Maes, Inne Aerts, Nadine 2007
3 KHK_ETD PDF Agressie tegen de hulpverlener : Individuele bijdragen
keywords Social law Psychology Social problems and welfare, national insurance Sociology Social psychology Juridical sciences Social Sciences

degree Bachelor - Bachelor in het sociaal werk

  Agressie tegen hulpverleners is een vaak voorkomend probleem in onze samenleving. Dit blijkt uit de regelmatige aanwezigheid van agressie-incidenten in de media. Omdat er geen éénduidig begrip bestaat om agressie te omschrijven, gebruiken w ...
e enkele kenmerken om agressief gedrag aan te duiden. Bij agressief gedrag wordt er door het overschrijden van een norm schade, letsel of leed veroorzaakt. Dit kan volgens verschillende uitingsvormen, namelijk fysieke en psychische agressie en zelfbeschadiging en agressie gericht op objecten.
Deze agressie kan verschillende oorzaken hebben. We kunnen de oorzaak bij verschillende actoren leggen. Cliëntgebonden factoren omvatten bijvoorbeeld omgevingsfactoren en karakterkenmerken van de cliënt. De competentie van de hulpverlener, zijn inlevingsvermogen en mentale staat zijn hulpverlenergebonden kenmerken. Als organisatiegebonden factoren vinden we de visie van de organisatie en de materiële mogelijkheden. Als laatste vermelden we de samenlevingsgebonden factoren. Hier vinden we onder andere de verwachtingen van de maatschappij ten opzichte van hulpverlening terug.
Er zijn in België geen specifieke wetten die betrekking hebben op geweld tegen hulpverleners. De antipestwet en de welzijnswet vormen toch enige wettelijke bescherming voor hulpverleners. Het hoofddoel van de antipestwet is werkgevers en werknemers sensibiliseren voor een problematiek die niet alleen ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheid van alle betrokken partijen, maar ook de werking van het bedrijf in het gedrang kan brengen. De welzijnswet geeft een algemeen kader van regelgeving in verband met het welzijn, de preventie en de bescherming van werknemers. De maatregelen hebben onder andere betrekking op de arbeidsveiligheid, de arbeidshygiëne, de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk,... Ook wordt er in de wet aandacht besteed aan preventie.
Omgaan met agressie vindt zowel op preventief en curatief niveau als op niveau van interventie plaats. Deze verschillende niveaus bieden plaats voor bijvoorbeeld supervisie, intervisie en collegiale ondersteuning op het gebied van interventie, conficthantering op het preventieve gebied en bijscholing en therapie op curatief gebied. Overlapping van verschillende gebieden is hier mogelijk.
Als we de Belgische situatie vergelijken met die van bijvoorbeeld Groot-Brittannië, zien we dat we nog werk voor de boeg hebben. In Groot-Brittannië is er immers al een task force opgericht die verschillende voorstellen naar de regering heeft geformuleerd en verschillende werkinstrumenten zoals een employee checklist en een self-audit tool heeft ontwikkeld.
Tot slot zien we overal dat agressie-incidenten weinig worden geregistreerd, waardoor het zoeken naar het waarom en naar de frequentie vaak moeizaam verloopt. Een formulier tot registratie zou hier bij kunnen helpen. Ook is een stappenplan voor het handelen tijdens een agressie-incident waardevol. Vooreerst moet en hulpverlener zich bewust worden van een mogelijk incident. Vervolgens moet hij de cliënt benaderen met een open, rustige houding, grenzen stellen en rust creëren. Daarna moet hij samen met de cliënt zoeken naar oplossingen, waarna hij naar deze oplossingen moet handelen. Vervolgens kan een evaluatiegesprek met vervolgafspraken met de cliënt duidelijkheid scheppen. Het incident zou ten slotte ook geregistreerd moeten worden.

References
Geschreven bronnen
AERTS, N., e.a., Agressie tegen de hulpverlener. Seminarie. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen,
Departement Sociaal Werk, schooljaar 2006-2007. (seminarie)
BROECKMANS, C., Ontwikkelingspsychologie: Persoonsmodule. Geel, Katholieke Hogeschool
Kempen, Departement Sociaal Werk, schooljaar 2005-2006. (cursus)
DE BOCK, S., Dealende leerling steekt directeur neer. De standaard. 23 januari 2007.
IVB., Vier steekpartijen in Nederlandse scholen op 3 dagen tijd. De standaard. 22 maart 2007.
SCHROOTEN, H., STORMS, B., Onderzoeksmethoden deel 1: Onderzoeksopzet en- uitvoering. Geel,
Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Sociaal Werk, schooljaar 2005-2006. (cursus)
VANDERSMISSEN, C., Major MW Begeleidingswerk Deel 1. Katholieke Hogeschool Kempen,
Geel, departement sociaal werk, schooljaar 2006-2007. (cursus)
VAN DER SYPE, K. en VAN ROOSBROECK, M., Geweld op scholen. Hoe het toenemende geweld
veilig onderwijs bedreigt. Unieboek BV, Houten/ Antwerpen, 2006.
Elektronische bronnen
Agressie en geweld op het werk. Internet, 23 oktober 2002.
(http://www.pi.be/piw/piw01.nsf/52b2da8b666e069080256aaa002ab228/0f93d9e1b2a32b71c1256c
be00511379/$FILE/NON02238.pdf)
Leerling schiet op leraar in Den Haag. De standaard. 14 januari 2004.
(http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=GOJ38DSB&word=Leerling+schiet+op+l
eraar+)
VANDEBOSCH, H., e.a., Cyberpesten bij jongeren in Vlaanderen. Brussel, studie in opdracht van het
viWTA, 2006. (http://www.viwta.be/files/Eindrapport_cyberpesten_(nw).pdf)
WIKIPEDIA, De vrije encyclopedie. Jackass. Verenigde Staten, Wikimedia Foundation, 2007.
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Jackass)
Mondelinge bronnen
KEMPEN, G., Mondelinge mededeling. Coach gesprekken.
ROZENBERG S.O., Stageperiode. 5 februari 2007 tot en met 1 juni 2007.
Agressie tegen de hulpverlener 74
Vander Mierde, Maaike Somers, Arne Van Beurden, Liesbeth Maes, Inne Aerts, Nadine 2007
4 KHK_ETD   Agressie op spoedgevallen, een leidraad Engels, Johan 2009
5 KHK_ETD   Voorbehandelingen om agressie bij varkens te beperken tijdens het mengen Verbruggen, Ellen 2008
6 KHK_ETD   Wat als ik even mezelf niet meer ben? : Verpleegkundige benadering van conflicten, agressie en afzondering Baeten, Sam 2009
7 KHK_ETD   Verpleegkundige interventies bij agressie Exelmans, Kelly 2009
8 KHK_ETD Text Agressie tegen hulpverleners : Individuele bijdrage
degree Bachelor - Bachelor in het sociaal werk

  Agressie tegen hulpverleners is een vaak voorkomend probleem in onze samenleving. Dit blijkt uit de regelmatige aanwezigheid van agressie-incidenten in de media. Omdat er geen éénduidig begrip bestaat om agressie te omschrijven, gebruiken w ...
e enkele kenmerken om agressief gedrag aan te duiden. Bij agressief gedrag wordt er door het overschrijden van een norm schade, letsel of leed veroorzaakt. Dit kan volgens verschillende uitingsvormen, namelijk fysieke en psychische agressie en zelfbeschadiging en agressie gericht op objecten.
Deze agressie kan verschillende oorzaken hebben. We kunnen de oorzaak bij verschillende actoren leggen. Cliëntgebonden factoren omvatten bijvoorbeeld omgevingsfactoren en karakterkenmerken van de cliënt. De competentie van de hulpverlener, zijn inlevingsvermogen en mentale staat zijn hulpverlenergebonden kenmerken. Als organisatiegebonden factoren vinden we de visie van de organisatie en de materiële mogelijkheden. Als laatste vermelden we de samenlevingsgebonden factoren. Hier vinden we onder andere de verwachtingen van de maatschappij ten opzichte van hulpverlening terug.
Er zijn in België geen specifieke wetten die betrekking hebben op geweld tegen hulpverleners. De antipestwet en de welzijnswet vormen toch enige wettelijke bescherming voor hulpverleners. Het hoofddoel van de antipestwet is werkgevers en werknemers sensibiliseren voor een problematiek die niet alleen ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheid van alle betrokken partijen, maar ook de werking van het bedrijf in het gedrang kan brengen. De welzijnswet geeft een algemeen kader van regelgeving in verband met het welzijn, de preventie en de bescherming van werknemers. De maatregelen hebben onder andere betrekking op de arbeidsveiligheid, de arbeidshygiëne, de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk,... Ook wordt er in de wet aandacht besteed aan preventie.
Omgaan met agressie vindt zowel op preventief en curatief niveau als op niveau van interventie plaats. Deze verschillende niveaus bieden plaats voor bijvoorbeeld supervisie, intervisie en collegiale ondersteuning op het gebied van interventie, conficthantering op het preventieve gebied en bijscholing en therapie op curatief gebied. Overlapping van verschillende gebieden is hier mogelijk.
Als we de Belgische situatie vergelijken met die van bijvoorbeeld Groot-Brittannië, zien we dat we nog werk voor de boeg hebben. In Groot-Brittannië is er immers al een task force opgericht die verschillende voorstellen naar de regering heeft geformuleerd en verschillende werkinstrumenten zoals een employee checklist en een self-audit tool heeft ontwikkeld.
Tot slot zien we overal dat agressie-incidenten weinig worden geregistreerd, waardoor het zoeken naar het waarom en naar de frequentie vaak moeizaam verloopt. Een formulier tot registratie zou hier bij kunnen helpen. Ook is een stappenplan voor het handelen tijdens een agressie-incident waardevol. Vooreerst moet en hulpverlener zich bewust worden van een mogelijk incident. Vervolgens moet hij de cliënt benaderen met een open, rustige houding, grenzen stellen en rust creëren. Daarna moet hij samen met de cliënt zoeken naar oplossingen, waarna hij naar deze oplossingen moet handelen. Vervolgens kan een evaluatiegesprek met vervolgafspraken met de cliënt duidelijkheid scheppen. Het incident zou ten slotte ook geregistreerd moeten worden.
Boonen, Els 2008
9 KHK_ETD   Voorkomen van agressie bij honden
degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

 
Agressie bij honden is een belangrijk probleem in onze hedendaagse maatschappij. Vermits hond en mens nauw met elkaar samenleven, kunnen er nogal eens problemen optreden. De laatste jaren kwamen gevaarlijke honden en hondenbeten nogal vaa ...
k voor in de media. De vraag luidt: Hoe moeten we omgaan met agressieve honden en hoe kunnen we dergelijke problemen in de toekomst voorkomen?

Om dit te weten te komen heb ik een literatuurstudie verricht. Om vervolgens tot een beter inzicht te komen over wat de gemiddelde persoon denkt over agressie bij honden heb ik enquêtes uitgedeeld onder verschillende hondeneigenaars.

Wanneer men beslist om een hond toe te laten in het gezin, moet men goed weten hoe dit dier leeft en denkt. Men moet zijn uitdrukkingen en lichaamstaal begrijpen, daaraan kan men zien hoe de hond zich voelt en hoe hij zal reageren. Vaak loopt het hier reeds fout en ontstaan er gedragsproblemen ten gevolge van het verkeerd begrijpen van elkaar.

De oorzaken van agressie zijn vrij uiteenlopend, maar velen kunnen voorkomen worden door een verstandige omgang met de hond.

Preventie van agressie begint alvorens de hond ter wereld komt. De fokker draagt de verantwoordelijkheid om niet enkel te selecteren op basis van bepaalde uiterlijke kenmerken, maar ook op basis van karaktereigenschappen. Verder kan men met een goed gesocialiseerde puppy tal van problemen voorkomen.

References

Boeken
Gaus, M. (2003a). Uw hond gehoorzaam in 10 lessen. (18de dr.). Baarn: Tirion
Uitgevers BV.
Gaus, M. (2003b). Nog beter omgaan met je hond. (5de dr.). Baarn: Tirion Uitgevers
Sannen, E. (2002). Uw hond opvoeden zonder training. (4de dr.). Warffum: Welzo
Media Productions.
Cursussen
De Meester, R. (2004). De agressieve patiënt, hoe een geval van agressie
aanpakken in de praktijk? Cursus van de Limburgse dierenartsenvereniging
Hasselt.
Vanherle, M., Leenen, H., Lenaerts, G., Roels, G. (1997). K.K.U.S.H. Cursus voor
instructeurs gehoorzaamheidsprogramma.
Brochures
Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en
Leefmilieu. (2006). Een hond? ja! die bijt? neen! Informatiebrochure.
Internet
Boone, A., Decock, I., De Keuster, T., De meester, R., De Prins, M., Desmet, B.,
Geerts, G., Halsberghe, C., Lafort, C., Leysen, E., Orban, F., Proesmans, B.,
Vangheluwe, L., Westhovens, M. Agressie bij honden.
Gevonden op 25 november 2005 op het internet: http://www.vdwe.info
Coopman, F. (2005). Gedrag: genetisch component? Gevonden op 7 februari 2006
op het internet: http://www.el-minjas.com/hondengedrag.html
De vrolijke viervoeters. (2006). Kynologische en medische termen en uitdrukkingen.
Gevonden op 12 april 2006 op het internet: http://www.devrolijkeviervoeters.org
Dierenbescherming. (2006). Probleemgedrag. Gevonden op 5 april 2006 op het
internet: http://www.dierenasiel.hoekschewaard.nl/alhondprobleemgedrag.htm
Hondengedrag. (2005). Hond-hond agressie. Gevonden op 4 april 2006 op het
internet: http://hondengedrag.be
Hondentips. Hondentaal, gedrag en houdingen. Gevonden op 9 februari 2006 op
het internet: http://www.hondentips.be
HOS Hondenschool en adviescentrum. Agressie bij honden. Gevonden op 1
februari 2006 op het internet: http://www.dogweb.nl/gedrag/agressie.html
HOS Hondenschool en adviescentrum. Het kopen van een hond: advies en
informatie. Gevonden op 27 november 2005 op het internet:
http://www.dogweb.nl/gedrag/inhoud.html
Invisible Fence. Invisible Fencing Systeem. Gevonden op 3 maart 2006 op het
internet: http://www.invisiblefence.nl/IFnlhoewerkt.htm
Penta, A. (2005). Hoe ga ik om met de agressie van mijn hond. Gevonden op 1
februari 2006 op het internet: http://www.dogmountain.be/info
Planta, D. Gedrag van honden. Gevonden op 4 april 2006 op het internet:
http://www.mysticalshadows.nl
Puck en co. (2006). Problemen met agressie. Gevonden op 4 april 2006 op het
internet: http://www.puckenco.com
Wikipedia. (2006). Inteelt. Gevonden op 5 april 2006 op het internet:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Inteelt
World Explorer. (2006). Lichaamstaal van de hond. Gevonden op 17 maart 2006 op
het internet: http://www.worldexplorer.be/lichaamstaal_hond.htm
Kerselaers, Sara 2006
10 KHK_ETD PDF Werken rond agressie : Onderzoek naar een geschikte werkvorm bij maatschappelijk kwetsbare jongeren
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  De jeugd van tegenwoordig, probleemjongeren, jonge criminelen,...
Deze begrippen zijn een fenomeen van deze tijd. Als je als tiener binnen onze maatschappij een fout maakt dan krijg je al snel een negatief etiket opgeplakt en deze stempel ...
draag je vaak heel lang mee.
Ook ik had vooroordelen ten opzichte van deze jongeren. Tijdens mijn stage merkte ik dat het gaat om jongeren die vaak met minder kansen in het leven staan en fouten maken. Maar ook zij verdienen een tweede kans!
Er zijn nog veel vragen naar de juiste begeleiding van deze jongeren. Er werken reeds verschillende disciplines samen in de gemeenschapsinstelling en na mijn stage denk ik dat je ook als ergotherapeut iets kan betekenen voor deze jongeren. Dit heb ik tijdens mijn stage onderzocht. Ik heb dit gedaan door gedurende tien weken rond één thema 'agressie' te werken. Hierbij heb ik elke week een andere werkvorm gehanteerd, om zo te weten te komen welke werkvormen wel en welke niet geschikt zijn bij deze doelgroep.

Groeps- of individuele activiteiten
Omdat ik mijn stage binnen het onderwijs heb gedaan, heb ik enkel gebruik kunnen maken van groepsactiviteiten omdat dit de meest gebruikte werkvorm is.
Ik denk dat het in deze omstandigheden bij deze doelgroep ook een goede manier van werken is, rond een thema zoals agressie. Er zijn namelijk heel wat voordelen verbonden aan het werken in groepen. Een eerste belangrijk voordeel is dat door het uitvoeren van activiteiten in groep, de sociale en communicatieve vaardigheden van de jongeren worden geoefend. Vaak zijn deze vaardigheden bij deze doelgroep minder goed ontwikkeld. Het gebrek aan deze vaardigheden leidt dan ook vaak tot andere problemen in het leven van deze jongeren. Door samen activiteiten uit te voeren krijgen de jongeren een gevoel van samenhorigheid. Dit kan ervoor zorgen dat de jongeren elkaar steunen en stimuleren. Doordat één van de jongens een verhaal vertelde rond agressie, werden de anderen gestimuleerd om ook hun verhalen te vertellen. Ze gingen ook goed in op wat de anderen zeiden. Er is ook het voordeel dat in groep de verantwoordelijkheid gedeeld kan worden. Dit kwam ook naar boven tijdens de gesprekken rond agressie. Wanneer iemand het niet eens was met een jongen, dan verdedigde deze zich door ook naar de andere jongeren te verwijzen. Dit brengt dan ook weer meteen een nadeel met zich mee. De rustige, stille jongeren hebben bij groepsactiviteiten de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid uit handen te geven en zo verdwijnen ze vaak nog meer naar de achtergrond. Ik heb tijdens mijn activiteiten gemerkt dat er ook één groot nadeel verbonden is aan het werken met deze jongeren in groep. Deze jongens hebben voortdurend het gevoel dat ze hun 'imago' hoog moeten houden. Zeker tijdens de activiteiten rond agressie werd er heel wat opgeschept. Dit deden ze vooral om 'stoer te doen'. Hierdoor zullen ze zich tijdens groepsactiviteiten nooit volledig bloot geven. Daarom stel ik vast dat het gebruik van individuele activiteiten niet zou mogen ontbreken. Tijdens deze individuele activiteiten zou je dan dieper kunnen ingaan op de individuele agressie van deze jongere.

Korte activiteiten
Ik heb vaak activiteiten gedaan die bestonden uit korte deelactiviteiten. Hierbij kregen de jongens telkens pas de opdracht wanneer ze met de vorige opdracht klaar waren. Elke opdracht nam hierbij maximum tien minuten in beslag. Dit is een werkvorm die volgens mij het meest aangewezen is bij deze doelgroep, omdat veel van deze jongens concentratieproblemen hebben. Door korte, duidelijke opdrachten te geven, blijven de jongens beter geconcentreerd op die bepaalde opdracht. Ook zeker voor een thema zoals agressie zijn korte opdrachten het meest geschikt, zo voorkom je dat er hevige discussies ontstaan. Je moet dan als begeleider wel de situatie in de gaten houden, zodat je een deelactiviteit op tijd en grondig kan afronden. Activiteiten waarbij de begeleider aan het begin van de activiteit al de verschillende opdrachten geeft en zich dan op de achtergrond gaat houden, zijn niet zo geschikt. De jongens zijn dan snel afgeleid. Wanneer de begeleider geen sturing geeft, kan de situatie snel uit de hand lopen. Tijdens één van mijn activiteiten moesten de jongens een lange vragenlijst invullen over agressie. Dit was een activiteit waarbij de jongens gedurende lange tijd individueel moesten werken. Aan de houding van de jongens (zuchten en blazen) heb ik gemerkt dat dit geen goede werkvorm is. Verder zag ik dat hun concentratie hierbij al snel zoek was. Een vragenlijst kan voor de hulpverlener wel een handig hulpmiddel zijn om iets over de jongens te weten te komen. Je kan dit beter tijdens een individuele sessie te doen zodat je de jongen hier eventueel bij kan begeleiden. Op deze manier zal hij minder snel afgeleid zijn. Het is natuurlijk ook nodig dat de jongeren leren om zelfstandig te werken, maar dit soort activiteiten moeten stilaan opgebouwd worden.

Structuur en afwisseling
Structuur is tijdens het werken met deze jongeren een erg belangrijk aandachtspunt. Structuur bieden wil niet zeggen dat je altijd dezelfde opdrachten geeft. Elke dag, altijd opnieuw, werkblaadjes invullen, wordt saai en voorspelbaar. Omdat 'saai en voorspelbaar' leidt tot concentratieverlies en verlies aan motivatie en inzet, is het brengen van afwisseling in je activiteiten van belang. Ik heb elke week een andere werkvorm gebruikt. Creatieve activiteiten, activiteiten met woorden, activiteiten met beelden,... Ook binnen 1 activiteit kan je afwisseling brengen door verschillende korte activiteiten aan te bieden.

Confronterende activiteiten
Doorheen hun leven hebben deze jongeren geleerd om zichzelf en hun ideeën te verdedigen. Hoewel ik vind dat je altijd voor jezelf en je mening moet opkomen, blijft de manier waarop je dit doet belangrijk. Dit is vaak hetgeen dat bij de jongens problemen veroorzaakt. Een gevecht is in hun ogen vaak de enige manier om een ruzie op te lossen.
Als je bij deze doelgroep wil komen tot gedragsverandering, dan kan je de jongens best zelf laten ervaren dat dit nodig is. Indien ze zelf het nut van de verandering niet inzien, waarom zouden ze dit dan doen! Hierbij kan het werken in groep voordelen en nadelen hebben. Een voordeel kan zijn dat verschillende jongeren een verschillende mening hebben en dat ze zo de anderen kunnen overtuigen van de verandering. Een nadeel kan zijn dat de groep zich tegen de begeleider keert. Daarom is het belangrijk dat de begeleider erop let dat hij zijn mening niet opdringt aan de jongeren. Ik heb vaak zelfinzichtelijke activiteiten gedaan, waarbij het de bedoeling was dat de jongens nadenken over hun eigen 'agressieve' gedrag. Deze activiteiten leidden soms tot discussies tussen de jongens onderling. Hier kan je dan uit concluderen dat er inderdaad verschillende meningen zijn. Mijn doel was hierbij om een denkproces rond het eigen gedrag op gang te brengen.

Doen
Volgens Kolb (1984) bestaan er vier leerstijlen. Als eerste heb je mensen die leren door te doen en door te ervaren, dit noemt Kolb de doeners. Daarnaast heb je de bezinners/dromers, deze mensen leren door waar te nemen en door te overdenken. Als derde zijn er de denkers, deze leren door te analyseren en na te denken. Als laatste zijn er nog de mensen die leren door actief te experimenteren en dit noemen we de beslissers. Door te observeren is het mij opgevallen dat het hier niet gaat om jongens die een hele dag braaf op hun stoel kunnen zitten en notities kunnen nemen. Dus we hebben hier niet te maken met denkers. (Er zijn natuurlijk altijd wel uitzonderingen.)Ik denk dat de meeste jongens hier doeners of beslissers zijn. Als leerkracht is het belangrijk dat je je lessen hieraan aanpast. De hele dag theorieën uitleggen heeft geen zin, want hier onthouden ze waarschijnlijk niets van. Deze theorieën uittesten zal bij deze doelgroep vaak effectiever zijn. Als ergotherapeut ben je hier dan natuurlijk op je plaats, aangezien het tijdens ergotherapie draait rond het DOEN. Ik heb meestal wel activiteiten gedaan waarbij de jongeren zelf op zoek gingen naar de oplossing, maar ik heb denk ik nog te weinig gebruik gemaakt van echte DOEactiviteiten.

Besluit
Mijn doelstelling tijdens deze 10 weken was, om bij maatschappelijk kwetsbare jongeren een denkproces op gang te brengen rond hun eigen 'agressieve' gedrag, door op verschillende manieren rond agressie te werken. Tijdens de activiteiten werd er door de jongens zelf veel verteld en veel nagedacht. Ik zou dus kunnen besluiten dat mijn doel bereikt is. Maar zo ervaar ik het zelf niet. Er is bij de jongens geen proces op gang gebracht waardoor ze nu nog steeds bewust nadenken over hun gedrag. Ik kan ook niet besluiten dat er 1 bepaalde werkvorm is die wel geschikt is en de andere werkvormen niet. Tijdens het werken rond agressie, heb ik ondervonden dat er heel wat verschillende activiteiten zijn die geschikt kunnen zijn voor deze doelgroep. Je kan natuurlijk niet zomaar 'iets' doen. Het is wel van belang dat de activiteiten op de juiste manier worden aangeboden. Bij activiteiten voor maatschappelijk kwetsbare jongeren dient er rekening gehouden te worden met enkele belangrijke aandachtspunten:
-Zorg voor structuur tijdens het werken met deze jongeren, maar breng wel afwisseling in je activiteiten
-Gebruik hoofdzakelijk doeactiviteiten waarbij de jongens moeten leren door zelf te doen en te experimenteren
-Geef korte en duidelijke opdrachten
-Hou toezicht
Bovenstaande aandachtspunten gelden niet alleen voor het werken rond agressie. Ze kunnen dienen voor alle activiteiten die met maatschappelijk kwetsbare jongeren worden gedaan.
De manier waarop jij als ergotherapeut met de jongens omgaat is ook erg bepalend voor je therapieën.

References
Geschreven bronnen
- Durrant, M. (2001) Creatieve oplossingen bij gedragsproblemen op school.
Leuven-Kessel-Lo: Garant.
- Van Tilburg, E. (2003) Agressie: praktijkboek voor hulpverleners,
begeleiders en leerkrachten. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
- Vervoort, M., van Doremalen, H. (2005) Effectief omgaan met agressie en
zinloos geweld: Calamiteiten en de verwerking ervan. Maarssen: Elsevier
gezondheidszorg.
- Schuur, G. (1987) Omgaan met agressie: Geweldloosheid als antwoord op
een psychiatrisch probleem. Brussel: Samsom Stafleu Alphen aan den Rijn.
- Nijmanting, M. (2007) Handboek kindercounseling. Amsterdam: SWP.
- Portman, R. (1998) Speels omgaan met agressie: 134 spelletjes en
oefeningen om op een creatieve manier conflicten op te lossen. Katwijk:
Panta Rhei.
- Miller, W.,Rollnick, S. (2005) Motiverende gespreksvoering. Ekklesia.
- Cuyvers, G. (2005) Gedrag als menselijke ervaring: inleiding tot de
psychologie. Wolters Plantyn.
- Schoofs, L. et al (2006-2007). Cursus communicatie 2 ERGO : Omgaan
met agressie van cliënten.
- Schoofs, L. (2006-2007). Cursus psychiatrie 2 ERGO: Alcohol en
drugsstoornissen: 2.3. ergotherapeutische behandeling. P. 29/42
Elektronische bronnen
- Wollstein, J.B. (april/mei 1985). De Vrijbrief: oorzaken van agressie (I)
Gevonden op 1 november 2007 op het internet:
http://www.libertarian.nl/vrijbrief/archives/001384.php
- Deckers, T. (2006) Agentschap jongerenwelzijn:
gemeenschapsinstellingen. De Kempen.
Gevonden op 25 oktober 2007 op het internet:
http://www.wvc.vlaanderen.be/jongerenwelzijn/gemeenschapsinstellingen/
dekempen.htm
- Vzw Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg. Werking bijzonder
jeugdzorg.
Gevonden op 5 november 2007 op het internet:
www.osbj.be/osbj/files/File/osbj/Communicatie/D061005perswerking%20B
JZ.pdf
- Peeters, J. (1998). Gedraag je of ... Antisociaal gedrag: een overzicht en
enkele voorstellen.
Gevonden op 13 november 2007 op het internet:
http://www.caleidoscoop.be/inhouden/inhouden10/art10_5_04.html
- Universiteit Gent. Psychologie en pedagogische wetenschappen. Hoofdstuk
11: agressie.
Gevonden op 6 januari 2007 op het internet:
http://users.ugent.be/~ivanmerv/socpsy/transparanten/h11_kleur.pdf
- Van Oel, G. Thomas & Kilmann test.
Gevonden op 26 januari 2008 op het internet:
http://www.testjegedrag.nl/tjg/conflict/index.html
- (2002) Responses to frustration.
Gevonden op 14 december op het internet:
http://hcil.cs.umd.edu/trs/2002-19/2002-19.html
- kind en gezin. Opvoeding.
Gevonden op 26 januari 2008 op het internet:
http://www.kindengezin.be/KG/Themas/Opvoeding/default.jsp
- Salilus. (2008) leerstijlen-de leercyclus van Kolb.
Gevonden op 16 februari 2008 op het internet:
http://mens-en-samenleving.infonu.nl/onderwijs/4982-leerstijlen-de-
leercyclus-van-kolb.html
Mariën, Nathalie 2008
11 KHK_ETD PDF Met een gesocialiseerde pup op consult : Zonder angst naar de dierenarts
keywords Development biology, growth (animal), ontogeny, embryology Biomedical sciences Zoology

degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  Om een pup te socialiseren met een dierenarts, is het van belang om eerst inzicht te krijgen in de gedragsleer van de hond. Ik heb mij verdiept in de ontwikkelingsfasen, de leerprincipes en de communicatie van de hond. Door deze literatuurs ...
tudie, heb ik mijn eigen onderzoek kunnen opbouwen.

In het specifiek deel heb ik mij de vraag gesteld waarom een pup op consultatie komt en in welke ontwikkelingsfasen dit is. Door hiermee rekening te houden, kunnen we de pup optimaal begeleiden. Bij deze begeleiding zijn drie personen van belang: de eigenaar, de dierenarts en de assistente. Zij kunnen zorgen dat de pup een positieve ervaring overhoudt aan zijn bezoek.

Verder heb ik mij ook afgevraagd hoe je met een pup moet omgaan die reeds bang of agressief is. De pup een alternatief gedrag aanbieden, kan een uitkomst bieden. Verder moet de dierenarts via lichaamshoudingen, gebruik maken van de communicatie tussen honden onderling, om zo een conflict te vermijden.

Als laatste heb ik een antwoord proberen te formuleren waarom het van groot belang is om al deze moeite te doen. Een goede begeleiding van de pup zijn opvoeding is een vorm van klantenservice. De dierenartsassistente kan hierbij een meerwaarde aan de kliniek geven.

References

Boeken
Dierenambulance Amsterdam (2006). Cursus EHBO
Doedee, (2005). Cursus Barneveld ethologie.
Fennel, (2002). De vrouw die naar honden luisterd. Tirion
Foggle, (1997). Leer uw hond gehoorzamen. Van Reemst Uitgeverij
B.V.
Gaus, (2003). Nog beter omgaan met je hond. Tirion natuur
Jochems, (2006). Cursus hondentrimster: ethologie
VDWE, (2004). Een goede start. Uitgegeven door VDWE, intervet en
eukanuba.
Elektronische publicaties
De Boer. Ontstaan van probleemgedrag
Gevonden op 16 maart 2006 op het internet:
http://www.dapschagen.nl
De Bolster. Opvoeding
Gevonden op 25 november 2005 op het internet:
www.debolster.be/html/opvoeding/htm
Dierenkliniek VvD. Het hoe en waarom van vaccinatie bij uw
huisdier
Gevonden op 8 maart 2006 op het internet:
www.vvd-dierenkliniek.be
Doorneveld. De MAG-test (maatschappelijk aanvaardbaar gedrag)
Gevonden op 30 april 2006 op het internet:
http://www.astch.nl/ASTCH_bestanden/magtest.html
Hurkmans. Positieve versterking , Straf een nuttig middel met veel
valkuilen
Gevonden op 17 februari 2006 op het internet:
http://www.kc-delft.nl/artikels.html
Met een gesocialiseerde pup op consult
_______________________________________________________________________________
?t HOS (hondenschool en adviescentrum). De socialisatiefases bij
pups; Angst bij honden, oorzaken, trainingtips; Agressie bij honden,
oorzaken, achtergrond, soorten agressie
Gevonden op 6 januari 2006 op het internet:
http://www.dogweb.nl/gedrag/html
VDWE (vlaamse diergeneeskundige werkgroep ethologie). Agressie
Gevonden op 25 november op het internet:
http://www.vdweinfo.be
Van Dyck, Cindy 2006
12 KHK_ETD PDF 'Schrijfdansen' in Curaçao : De methode 'Schrijfdans' aanpassen voor kinderen met faalangst, agressie en autisme
keywords Pedagogy and didactics Orthopedagogy Social Sciences

degree Bachelor - Gegradueerde in Ergotherapie

  Mijn eindwerk handelt over de schrijfmethode 'Schrijfdans'. In eerste instantie was het mijn bedoeling om de methode te introduceren in de 'Schroederschool' op de Nederlandse Antillen, Curaçao.
Om dit doel te realiseren was het nodig mij ...
verder te verdiepen in de theoretische achtergronden betreffende het basisonderwijs. Een zicht krijgen op de werking en de gebruikte methodieken in de 'Schroederschool' was hierbij nodig. De link met de ergotherapie werd hier gelegd door een mogelijke functieomschrijving van de ergotherapeut in een basisschool weer te geven.
Niet alleen het introduceren van de methode, ook het aanpassen van de methode bij kinderen met faalangst, agressie en autisme was een grote uitdaging. Ook hier was theoretisch onderzoek aangewezen. Ik heb mij gedurende mijn eindwerkstage vooral gericht op de praktijkgerichte omgang met de drie kinderen en niet zozeer op de theorie van de bovengenoemde problematieken.
In de 'Schroederschool' waren er veel kinderen met fijnmotorische problemen. De meeste van deze problemen heb ik dmv 'Schrijfdans' opgemerkt. Omdat ik hierin verandering wou brengen, heb ik gebruik gemaakt van een 'Snoezelruimte' die gericht was op het aanbieden van fijnmotorische activiteiten. Deze snoezelruimte heb ik zelf gecreëerd.
De methode 'Schrijfdans' in de 'Schroederschool' op Curaçao is sinds januari 2006 een feit. De methode is opgenomen in het lessenpakket voor de leerlingen van groepen 2 en 3.
Het aanpassen van de methode 'Schrijfdans' aan de noden van de 3 kinderen was niet altijd even gemakkelijk. Elke kind had nood aan een individuele aanpak. De moeilijkheid hieraan is dat je deze aanpak continu voor ogen moet houden. Ik kan vanuit de praktijk zeggen dat de methode het makkelijkste aanpasbaar is voor kinderen met autisme omdat je met een minimum aan materialen veel kan bereiken. Door het aanbieden van pictogrammen en structuur in de lessen kan je bij een iemand met Autisme al veel verduidelijken. Bij kinderen met faalangst en agressie ligt dit anders.Daar maak je meer gebruik van externe hulpmiddelen om gedragsverandering te voorkomen.

References

HANKE B., HUBER GL., MAND H., 1998. Agressief en onoplettend. Wolters Noordhoff,
Groningen.
HERMANS HJM., BERGEN CM, 1996. Van faalangst tot verantwoordelijkheid. Eijsen,
Swets en Zeitlinger, Amsterdam.
JENINGA J., 2000. Tel dan eerst even tot 10, voorkomen van agressief gedrag.
Printpartners BV, Enschede.
MOSSEVELDE VAN E., 1996. De klas in de hand, remidiëringstechnieken voor lastig
gedrag. Acco Leuven, Amersfoort, P. 220
VAN RANSBEECK A., 1996. De klas in de hand. Acco, Leuven, Amersfoort,p.220
MOSSEVELDE VAN E. , 1996. De klas in de hand. Acco, Leuven, Amersfoort, p.220
WILLINK T.,SAMSON HD. 1997 In de klas. Alphen aan de Rijn, Kluwen bv.,
HAMERS JHM., RUYSSENAARS AJJM., Leerproblemen op school, Leuven, ACCO, 1992, p.14)
NIEUWENBROEK A., Faalangst op school, Nijmegen, KPC Schoolpers, 1996, p.12
NIEUWENBROEK A., RUIGROK J., Faalangst de baas, Utrecht, Kosmos, 1996,p.12
DAEMS Jo, 2004. Ontwikkelingsproblematiek. Schrijfproblemen. Cursus Katholieke hogeschool
Kempen, Geel.
DAEMS Jo, 2004. Ontwikkelingsproblematiek. Autisme Spectrum Stoornis. Cursus Katholieke
Hogeschool Kempen, Geel. p. 102
VAN DALEN JGT.,Juni 1994. Autisme van binnenuit bekeken.
VAN ONNES, 1996. Spel en autisme: een contradictio in terminis. Autisme, p. 2.
WERKGROEP ?Ergotherapie in BO,GON en zorgcoördinatie? . Taak van de ergotherapeut
in het onderwijs. Mei 2003
MIELLET,Marcella,2005.Docent ?Schroederschool? (Curaçao),?Didactisch model?,
8 September 2005.
Websites
www.klasse.be
http://www.handschrift.nl/html/vragen/vragen.htm
http://www.vaneisden.nl/html/body_schrijflinks.html
www.schroederschool.com
http://nl.wikipedia.org/wiki/Basisschool
http://www.minocw.nl/onderwijs/
Van Vyve, Nathalie 2006
13 KHK_ETD PDF Potentiële gedragsproblemen bij dementerenden
degree Bachelor - Bachelor in de verpleegkunde: geriatrische verpleegkunde

  In dit afstudeerproject wordt toegelicht wat dementie is. Ook de meest voorkomende dementievormen worden kort weergegeven.

Dit project gaat over mogelijke gedragsproblemen die kunnen voorkomen bij dementerenden.

De hoofdstukken die i ...
n dit werk besproken worden zijn de volgende:
· Het normale verouderingsproces.
· Dementie.
· Gedragsproblemen begrijpen en aanpakken (in het algemeen).

Volgende gedragsproblemen worden uitgebreid besproken:
· Angst bij dementerenden.
· Agitatie en agressief gedrag bij dementerenden.
· Dwaalgedrag bij dementerenden.
· Roepgedrag bij dementerenden.
· Pijn bij dementerenden.

· Kwaliteitsvolle zorg voor dementerende mensen.
· Activiteiten voor dementerenden / afleidingen voor pijn (algemeen).

Dit werk is vooral gebaseerd op de niet-farmacologische behandeling om de storende gedragingen te beïnvloeden.

References

Krekelbergh, D. (2008). De oudere zorgvrager: Geriatrische pathologie. Lier.
Vandenbon, C. (2007). Gedragsproblemen bij dementie. Kortrijk.
Gevonden op het internet op 19/03/2009 van Verdult Rien. Omgaan met gedragsstoornissen
bij RVT bewoners: Niet farmacologische oplossingen voor de storende gedragingen:
http://www.hvg.be/projekten/cragt/BPSD%20niet%20farmacologische%20oplossing.pdf
Van De Plaats, A., & Verbraeck, B. (2008). De wondere wereld van dementie: Vanuit nieuwe
inzichten omgevingszorg bieden aan dementerenden. Elsevier: Gezondheidszorg.
Miesen, B., & Hoogeveen, F. (2007). Psychogeriatrie een vak om van te houden. Houten:
Bohn Stafleu Van Loghum.
Keirse, M. (2005). Patiëntenzorg en ?begeleiding. Leuven: Acco.
Van Genechten, W. (2009). Fixatie-arm beleid: Zorg voor passiviteit. Lier.
Van Keymeulen, A. (2002). Het dementiecafé. Berchem: EPO vzw.
Gevonden op het internet op 6/02/2009:
http://web.mac.com/freddy.ingels/Dementiecafe/Welkom.html
De Vleeschouwer, F. (2006). Het dementeringsproces: Niet meer weten dat je vergeet! Lier.
Milisen, K., De Maesschalck, L., & Abraham, I. (2002). VERPLEEGKUNDIGE
ZORGASPECTEN bij ouderen. Maarssen: Elsevier.
Verdult, R. (2003). Pijn van dement zijn: De belevingsgerichte aanpak van probleemgedrag.
Groningen: HBuitgevers.
De Maesschalck, L. (2008). Concepten in de geriatrische verpleegkunde: Geriatrisch
zorgconcept. Lier.
Vink, W. (2007). Het monster dat angst heet: Meer grip krijgen op je angsten. Tielt: Lannoo
Lerner, H. (2004). Angst en andere ongewenste gasten: Omgaan met de emoties die ons leven
vergallen, waardoor we niet genoeg van anderen kunnen houden. Amsterdam: Anthos.
Schuur, G. (2005). Omgaan met agressie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Engelborghs, S. (2009). Omgaan met agressie bij demente bejaarden. Lier.
Stokes, G. (1996). Probleemgedrag bij demente ouderen 4: Dolen en dwalen. Baar: Intro.
Venema, N., Koedoot, P., & van der Stelt, I. (2008). Het verbetertraject Probleemgedrag: Een
samen gedragen verantwoordelijkheid. Denkbeeld, 20, 14-17.
Potentiële gedragsproblemen bij dementerenden 91
__________________________________________________________________________________________
Nancy Vertommen Mei 2009
Van Blanken, M. (2008). Dolende dementerenden traceren met GPS. Nursing zorgvisie
special, 59, 29.
Maseland, A. (2005). Dwaalbeveiliging laat dementerenden vrij. Nursing, 56, 17.
Van Waarde, H. (2009). Langer zelfstandig met behulp van GPS. Denkbeeld, 21, 2-5.
Gevonden op het internet op 1 mei 2009:
http://www.portablegear.nl/nieuws/1/146/4092/Burgers_kunnen_elkaar_opsporen_via_mobiel
e_nummer.html
Lorent, G. (2008). Roepen bij dementerenden. Bierbeek.
Jaspers, L. (1989). Zieken en zorgen: Psychosociale begeleiding van patiënten en hun familie.
Leuven: Acco.
Scherder, E.J.A., Oosterman, J.M., Ooms, M.E., Ribbe, M.W., & Swaab, D.F. (2005).
Chronische pijn bij dementie en bij aandoeningen met een verhoogd risico op cognitieve
achteruitgang. Tijdschrift Gerontologie Geriatrie, 36, 116-121.
Miller, L., Nelson, L.L., & Mezey, M. (2005). Comfort en pijnbestrijding bij dementie:
oproep tot een nieuwe weldadigheid. Verpleegkundig Perspectief, 26, 100-111.
Zwakhalen, S., Hamers, J., Peijnenburg, R., & Berger, M. (2007). Misvattingen over pijn bij
dementerenden: Meer weten, beter meten. Nursing, 58, 14-15.
Rodenburg, D. (2006). Pijnmeting bij dementerende patiënten: Vragen, luisteren, scoren.
Nursing, 54, 36-38.
Van Hoof, J., & Kort, H. (2007). Aangepast wonen voor mensen met dementie: Een veilige
haven. Denkbeeld, 19, 22-25.
Info van de site gekregen van mevr. Leysens op 8/11/2008: www.painvision.be.
Bloemendal, G. (2006). Demente ouderen: Activiteiten en omgang. Amsterdam: HBuitgevers.
Vanherck, A. (2008). De oudere zorgvrager: geriatrische verpleegkunde. Lier.
De Maesschalck, L. (2009). Geriatrische topics. Lier.
Potentiële gedragsproblemen bij dementerenden 92
__________________________________________________________________________________________
Nancy Vertommen Mei 2009
Vertommen, Nancy 2009
14 KHK_ETD PDF Pijn op een schaal van honderd : Studie naar de klinische bruikbaarheid van pijnschalen bij dementerenden
degree Bachelor - Bachelor in de verpleegkunde: ziekenhuisverpleegkunde

  Mijn doelstelling was om de klinische bruikbaarheid van pijnobservatie schalen bij dementerenden na te gaan.

Pijn bij dementerenden is een complex probleem dat nog te weinig aandacht krijgt. Ik vind het belangrijk dat hierin verandering ...
zou komen, want dementerenden zijn zo al snel een groep die minder aandacht krijgen, omdat ze de aandacht van het verzorgend personeel niet kunnen krijgen, doordat ze meestal beperkt zijn in hun communicatie.

Ik heb dan opzoekwerk gedaan naar de al verrichtte onderzoeken naar pijn bij dementerenden. Er zijn zo'n tiental observeerbare pijnschalen ontwikkeld, specifiek voor dementerenden. De onderzoeken wijzen uit dat er enkele pijnschalen goed in de praktijk kunnen gebruikt worden, maar ze zijn nog niet valide en betrouwbaar genoeg.

Ik heb ook meer inzicht gekregen in het pijngedrag bij dementerenden. Men gaat naar het gezicht kijken, naar onwillekeurige bewegingen,... Voor het verzorgend personeel is dit een goede aanwinst, omdat ze een handleiding bij de hand hebben.

De geïnterviewden zijn allemaal geïnteresseerd in het gebruik van pijnschalen, maar ze motiveren ook de pijnbehandeling. Ze willen een belangrijke rol spelen in het observeren van pijngedrag, zodat ze voor een betere pijnbehandeling kunnen zorgen. Het multidisciplinair werken in team is ook belangrijk, omdat iedereen een speciale rol vervuld in de observaties.
Van Orshaegen, Dorien 2008
15 KHK_ETD PDF Bemiddelen bij personen in (kans)armoede : Eindwerk
degree Bachelor - Bachelor in het sociaal werk

  Bemiddeling is een relatief recent begrip in de hulpverlening. Hoewel over dit onderwerp al verscheidene literatuurstudies verschenen zijn, is er zeer weinig informatie terug te vinden over bemiddelen met en tussen (kans)armen. Omdat maatsc ...
happelijk werkers en andere hulpverleners regelmatig met deze doelgroep geconfronteerd worden, gaan we in deze literatuurstudie dieper in op bemiddelen bij deze specifieke doelgroep.
Als maatschappelijk werker is het belangrijk inzicht te hebben in wat bemiddelen is. Bovendien moeten maatschappelijk werkers ook inzicht hebben in het begrip (kans)armoede. De termen kansarmoede en armoede worden in de praktijk vaak door elkaar gebruikt. Armoede heeft uitsluitend met de financiële situatie te maken, terwijl kansarmoede veel ruimer is. Kansarmoede verwijst naar de volledige leefsituatie. Ondanks de heterogeniteit binnen de groep van personen in (kans)armoede, blijkt dat ze een aantal gemeenschappelijke kenmerken hebben die een invloed hebben op het bemiddelingsproces. Deze nauw met elkaar verweven kenmerken zijn: de multicomplexe problematiek, de gevoelens van machteloosheid en wantrouwen alsook een gestoorde communicatie.
Naast deze kenmerken zijn er ook psychologische aspecten die het bemiddelingsproces kunnen beïnvloeden. Allereerst moet de bemiddelaar een laag gevoel van eigenwaarde bij de (kans)arme versterken, daarna moet hij de innerlijke motivatie vergroten. Deze innerlijke drijfveer zal echter de slaagkans van de bemiddeling sterk vergroten. Om die drijfveer te vergroten moet de bemiddelaar rekening houden met de behoeften van de (kans)armen. Ook zijn de gedachten, gevoelens en de wil bepalend voor de motivatie. Daarnaast spelen angst- en machtsgevoelens een rol in de opstelling van de 2 partijen tijdens het bemiddelingsgesprek. De verschillende partijen van het conflict zijn de belangrijkste gesprekspartners tijdens een bemiddelingsproces. De psychologische aspecten beïnvloeden echter de communicatie en kunnen leiden tot een stoornis in deze communicatie. Tenslotte is het essentieel dat de cliënt zich veilig en vertrouwd voelt bij de bemiddelaar.
Niet alleen bij de (kans)arme, maar ook bij de bemiddelaar, spelen er psychologische aspecten waar de bemiddelaar zicht op moet hebben om goed te kunnen bemiddelen. Zijn betekeniskader is bepalend voor zijn visie over (kans)armen. Hij moet er zich dan ook bewust van zijn en het kunnen loslaten. Enkel zo kan de bemiddelaar meester blijven over zijn eigen handelen. Verder moet hij vertrekken vanuit een gezonde grondhouding en ethische principes geldend voor elke hulpverleningsrelatie aangevuld met kennis en vaardigheden specifiek voor de bemiddelingscontext.
Een bemiddelingsproces vraagt veel van de verschillende partijen en het vlot laten verlopen is dus niet zo evident. De reeds besproken kenmerken van (kans)armoede kunnen de kans op stagnatie vergroten. Het is dan ook heel belangrijk dat de bemiddelaar de bovengenoemde grondhoudingen, specifieke vaardigheden en ethische principes in acht neemt. Stagnatie kan enerzijds optreden omdat de twee partijen niet tot een constructieve werkrelatie komen. Anderzijds kunnen spanningen tussen de bemiddelaar en de cliënten een reden zijn waarom het bemiddelingsproces stagneert. Om uit deze impasse te geraken, kan de bemiddelaar een ervaringsdeskundige inschakelen.
Al deze inzichten bundelen we tenslotte in een stappenplan. Met dit stappenplan willen we aan de slag op onze stageplaatsen om ook daar bemiddelen met (kans)armen onder de aandacht te brengen.


References
http://www.schaarbeek.lokaaal.be/statistiek/
http:// www.sociaaltolkenenvertalers.be
PIRON, mondeling, informeel gesprek, 20 April 2009
Kinderwijs begeleiding & advies. (2009). Onderhandelen in het Harvard-model.
Gevonden op 27 maart 2009 op het internet:
http://www.kinderwijs.nl/artikelen.asp?postid=163
OCMW Zandhoven Jaarverslag, 2007
Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk
Welzijn (gecoördineerd met alle wijzigende akten). (1976, 5 augustus). Belgisch
Staatsblad.
www.cawmetropool.be
CAW Metropool, onthaalmap nieuwe medewerkers, februari 2007
Functieprofiel hulpverlener De Vaart
Gesprek met Luc Muraille, Coördinator De Vaart, vrijdag 20 februari 2009
Janssens, H. (2008), Agressie en infrastructuur, Antwerpen: dep Welzijn, onderwijs en
veiligheid
Stynen, P. (2000), Agressie : Oorzaken, soorten, aanpak, opvang en preventie, Plantijn
Hogeschool van de provincie Antwerpen, departement B.O.
Traumaprotocol CAW Metropool
Teamvergadering, donderdag 19 februari 2009
Teamvergadering, vrijdag 6 maart 2009
Teamvergadering, maandag 30 maart 2009
Teamvergadering, maandag 6 april 2009
Vandersmissen, C. (2005). Persoonsgecentreerd werken. Onuitgegeven cursus voor het
eerste jaar van de opleiding Graduaat Maatschappelijk Werk, Hoger Instituut der
Kempen, Centrum voor Volwassen Onderwijs.
Vandersmissen, C. (2009). Psychosociale hulpverlening. Onuitgegeven cursus voor het
tweede jaar van de opleiding Graduaat Maatschappelijk Werk, Hoger Instituut der
Kempen, Centrum voor Volwassen Onderwijs.
Cuyvers, G. & Mertens, J.(2000). Organisatiekunde: Praktijktheorie voor non-profit
organisaties. Mechelen: Wolters Plantyn.
Cuyvers, G. (2001). Psychopathologie. Mechelen: Wolters Plantyn.
Droës, J. & van Diepen, P.(1991). Het maken van rehabilitatie-plannen. Houtem: Bohn
Stafleu Van Loghum.
Geens, C., & Sleurs, A. (2008). Minor MAD: Methodiek. Onuitgegeven cursus bij de
cursus voor het derde jaar van de opleiding Sociaal Werk, Katholieke Hogeschool
Kempen, Departement Sociaal Werk Geel.
Lisssens, G. (2004). Beschut wonen in de Geestelijke Gezondheidszorg - een uitgave
van het Verbond der Verzorgingsinstellingen (VVI) en de Federatie Beschut Wonen
Huys, R. (2000). Beroepsprofiel Begeleider Beschut Wonen. Leuven/Gent: HIVA/vzw
zagan.
Lievens, P.(2008). Structuurgericht Werken. Onuitgegeven cursus bij de cursus voor
het derde jaar van de opleiding Sociaal Werk, Katholieke Hogeschool Kempen,
Departement Sociaal Werk Geel.
Vandersmissen, C. (2004). Maatschappelijk werker als beroep. Onuitgegeven cursus
voor het eerste jaar van de opleiding Graduaat Maatschappelijk Werk, Hoger Instituut
der Kempen, Centrum voor Volwassen Onderwijs.
Vandersmissen, C. (2005). Persoonsgecentreerd werken. Onuitgegeven cursus voor het
tweede jaar van de opleiding Graduaat Maatschappelijk Werk, Hoger Instituut der
Kempen, Centrum voor Volwassen Onderwijs.
Vandersmissen, C. (2006). Psychosociale hulpverlening. Onuitgegeven cursus voor het
derde jaar van de opleiding Graduaat Maatschappelijk Werk, Hoger Instituut der
Kempen, Centrum voor Volwassen Onderwijs.
VVSH. (2001). Leren en werken als maatschappelijk assistent. Leuven: Garant.
Wilken, J.P & den Hollander, D.(2003). Psychosociale Rehabilitatie: een integrale
benadering. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
http://www.zorg-en-gezondheid.be/mentale_gezondheid.aspx
Van Ham, Sofie Peeters, Nadja De Rycke, Miriam Coremans, Wendy Cooninx, Arlette 2009
16 KHK_ETD PDF Omgang met kliniekpaarden
degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  In de paardenkliniek zijn de dierenartsassistenten een groot deel van de tijd bezig met de paarden. Ze zijn verantwoordelijk voor de opname van de dieren, ze assisteren tijdens onderzoeken en operaties en verzorgen de paarden. In dit werk w ...
orden de aspecten besproken waar de dierenartsassistent rekening mee moet houden tijdens de omgang met de paarden in de praktijk. Het gedrag, de huisvesting en het hanteren van paarden komen aan bod. De uitwerking is gericht naar de toepassing in de kliniek.

References

Blom, I. (2004). Anatomie en fysiologie van de huisdieren: deel 1. Cursus, Katholieke
Hogeschool Kempen, Departement industrieel ingenieur en biotechniek.
Brockötter, F., Seine, R., Wagenaar, I. (2004). Bit?s strooiseltest: Slapen op een wolk.
Bit, 113, 31-37.
Budiansky, S. (2002). De aard van het paard: een onderzoek naar de evolutie, de
intelligentie en het gedrag van paarden. Utrecht: uitgeverij Het Spectrum B.V.
Coumbe, K. (2001). Equine veterinary nursing manual. Oxford: Blackwell publishing.
Geeroms, A. (2002). Beestig africhten: Positief omgaan en werken met paard en mens.
Erpe-Mere: André Geeroms BVBA.
Gerweck, G. (1998). Het gedrag van uw paard: leer uw paard beter begrijpen. De Bilt:
Uitgeverij Bosch & Keuning.
Green, L. (1994). De jonge ruiter. Baarn: Bosch & Keuning.
Hamoen, A.F., Peeters, J.W.M., Verwer, N.J.Th. (2003). Lesstof opleiding juryleden
dressuur. KNHS Afdeling opleidingen.
Hermsen, J. (1997). Paarden encyclopedie. Lisse: Rebo productions.
Houpt, K.A. (2005). Domestic animal behavior. Iowa: Blackwell publishing.
McBane, S. (2003). Anatomie en gedrag van het paard. Utrecht: Veltman.
McEwen, J. (2005). Wat mankeert mijn paard? ?s Graveland: Fontaine Uitgevers.
McGreevy, P. (2004). Equine Behavior: A guide for Veterinarians and Equine Scientists.
Edinburg: Elsevier, Saunders.
Middel Elma, Coverdale Marike (1999). Het paard als partner: zes visies op Natural
Horsemanship. Baarn: Tirion Uitgevers bv., Bosch & Keuning.
Mills, D., Nankervis, K. (1999). Equine behaviour: Principles & practice. Oxford:
Blackwell Publishing.
Pickeral, T. (2003). Paarden & pony?s: rassen, verzorging, geschiedenis. UK: Parragon.
Strauch, S. (2002). Denken met paarden. Utrecht: Forte uitgevers bv.
Van Tichelen, I. (2005). Assistentie: paard, herkauwers, varken. Cursus, Katholieke
Hogeschool Kempen, Departement industrieel ingenieur en biotechniek.
Wheeler, E.F. (2006). Horse stable and riding arena design. Oxford: Blackwell
Publishing Ltd.
Zeitler-Feicht, M.H. (2004). Horse behaviour explained: origins, treatment, and
prevention of problems. London: Manson Publishing Ltd.
Zoller, K. (2001). Problemen met het paard: Stap voor stap naar een harmonische
samenwerking. Baarn: Bosch & Keuning.
Michielsen, Liesbet 2006
17 KHK_ETD PDF De aanschaf van een tweede hond : Gids voor eigenaars en dierenartsassistenten
degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  Als hondeneigenaar moet men goed nadenken over de aanschaf van een tweede hond. Door ondoordacht te werk te gaan, stellen er zich soms problemen na de aanschaf van de hond. Deze wordt vaak omwille van verkeerde redenen aangeschaft. Een twee ...
de vaak voorkomend probleem is dat de eigenaar er niet of onvoldoende bij stilgestaan heeft of de hond wel bij zijn huidige hond past en hoe deze op de komst van een nieuwe hond zal reageren.
De eigenaar moet heel wat zaken bekijken vooraleer hij overgaat tot de aanschaf van een tweede hond, als hij problemen in de toekomst wil vermijden. Hij mag zich zeker niet enkel door het uiterlijk van de hond laten leiden. Tijdens het uitkiezen van een tweede hond moet hij rekening houden met het geslacht, de leeftijd, het ras en het karakter van zijn huidige hond. Het is de bedoeling dat er een hond wordt gekozen die bij de huidige hond past. De eigenaar heeft de keuze uit een pup of een volwassen hond. Er bestaan verschillende mogelijkheden waar men deze kan aanschaffen. Het is echter belangrijk om bepaalde aandachtspunten in het achterhoofd te houden.
De eerste kennismaking is van cruciaal belang. Een goede begeleiding tijdens de kennismaking en de thuiskomst voorkomt veel frustraties. De communicatie tussen honden staat centraal in dit eindwerk. Door de taal van de honden te begrijpen, zal de eerste ontmoeting vlotter verlopen en ook probleemgedrag in de toekomst kan voorkomen worden. Een eigenaar die zijn honden begrijpt, merkt immers de eerste signalen van frustratie of ontevredenheid op.
Bij de aanschaf van een asielhond dient er rekening te worden gehouden met het feit dat deze hond misschien een traumatisch verleden achter de rug heeft. Het grootste probleem bij deze honden is dan ook verlatingsangst. Dit probleem komt ook regelmatig voor bij honden die een slechte socialisatieperiode hebben doorgemaakt. Verlatingsangst kan mits een goede begeleiding meestal door de eigenaar zelf opgelost worden.
Indien er goed wordt nagedacht over de keuze van de tweede hond en men weet hoe men in probleemsituaties moet handelen, zal de aanschaf van een tweede hond uitdraaien op een succes.

References
Boeken
Bailey, G. (2001). Toepoels gids voor de volwassen hond. Bloemendaal: Gottmer.
Bailey, G. (1996). Toepoels puppywijzer. Bloemendaal: Gottmer.
Coren, S. (2000). De taal van je hond. Amsterdam: Balans.
Diamond Davis, K. (2002). Therapy dogs: Training your dog to reach others.
Wenatchee: Dogwise Publishing.
Dudok van Heel, M. (2004). Een hond is een hond. Amsterdam: De Driehoek.
Fisher, J. (2000). Waarom doet mijn hond zo? Rijswijk: Elmar.
Fogle, B. (2006). Als mijn hond kon praten?: Begrijp de lichaamstaal van uw hond.
Baarn: Tirion.
Gaus, M. (2001). Nog beter omgaan met je hond. Baarn: Tirion.
Gaus, M. (1984). Hondenmanieren. Baarn: Tirion.
Gaus, S., & Gootjes, N. (2005). Begrijp ik mijn hond? ?s Graveland: Fontaine.
Hondenbescherming Nederland. (2002). Ik wil een hond! Maar hoe pak ik dat aan? ?s-
Gravenhage: BZZTôH.
Mulder, E. (2007). Volg. s.l.: s.n.
Penta, A. (2004). Praktische hulpgids voor de hondenbezitter. Baarn: Tirion.
Sannen, E. (2001). Hondenproblemen oplossen. Welzo Media Productions: Warffum.
Elektronische publicaties
Humane Society Silicon Valley. (2003). Before you bring a second dog into your home.
Gevonden op 2 november 2007 op het internet: http://www.hssv.org/docs/behaviour/
dog_beforeseconddog.pfd
Yawoof! (s.a.). Kennelhoest.
Gevonden op 4 februari 2008 op het internet:
http://www.yawoof.com/kennelhoest.html
Bennett P.C., Marston L.C. (2003). Reforging the bond towards successfull canine
adoption. Applied Animal Behaviour Science, 83, 227-245.
Hepper P.G., Wells D.L. (2000). Prevalence of behaviour problems reported bij owners
of dogs purchased from an animal rescue shelter. Applied Animal Behaviour Science,
69, 55-65.
Jorgensen M., Lund J. (1999). Behaviour patterns and time course of activity in dogs
with seperation problems. Applied Animal Behaviour Science, 63, 219-236.
Mondelinge bronnen
Vrancken, T. (2008). Asielmedewerkster Unco Jerry vzw.
Doedee, G. (2008). Hondengedragstherapeute.
Mols, Joke 2008
18 KHK_ETD PDF Boze of broze ouderen? : Methodische aanpak van probleemgedrag bij ouderen
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  " Hey juffrouw, die koffie is koud en niet zoet genoeg en geef me nog eens een zakdoek want ik heb er geen". Zo gaat het de hele dag zucht een verpleegster " ik weet niet meer wat doen, maar zolang ze de koffiemok niet naar mijn hoofd slin ...
gert zullen we maar niet klagen zeker?".
Zulke taferelen komen regelmatig voor in het WZC De Dennen.
Probleemgedrag bij ouderen is een vaak voorkomend probleem waar relatief weinig rond geweten is. Iedereen weet dat het er is, maar weinige weten hoe ze hier correct mee moeten omgaan. Vooral de verschillende vormen maken het moeilijk. Verder zijn niet alle probleemgedragingen even duidelijk. Wanneer men dan eindelijk een aanpak denkt gevonden te hebben blijkt deze niet bij iedereen het gewenste effect te hebben.
Ik ben op zoek gegaan of een, éénvoudig in te vullen, observatielijst hulp kan bieden bij deze ingewikkelde problematiek.
Waarom ?
Voor mij zijn er 2 voorname redenen waarom ik voor dit onderwerp gekozen heb. Ten eerste was het voor mij van belang dat het gekozen thema een uitdaging zou bieden. Ik wou zeker en vast geen onderwerp uitwerken waar er al 13 van in een dozijn zijn. Een 2de reden is dat ik tijdens mijn stage in het tweede jaar zelf te maken heb gehad met probleemgedrag. Ik heb dus aan den lijve kunnen ondervinden dat het moeilijk was om hier op gepaste manier mee om te gaan en op te reageren. Ook de meeste personeelsleden vinden het moeilijk om hier mee om te gaan. Iedereen reageerde hier op zijn manier op, de ene met al wat meer succes dan de andere. Bepaalde probleemgedragingen konden dan ook leiden tot ergernis bij het personeel en/of bij andere bewoners.
Vraag :
Zoals eerder vermeld stelde ik me de vraag of een observatielijst hulp kon bieden bij het aanpakken van probleemgedrag? Ik heb geen onderscheid gemaakt tussen dementerende en niet ? dementerende bewoners. Op deze manier is het onderzoek toepasbaar voor al de bewoners van een RVT afdeling, wat zowel een voordeel geeft voor de bewoners als voor het personeel.
Methode :
Uit de verschillende bronnen heb ik eerst en vooral een definitie opgesteld zodat er geen misverstand ontstaat omtrent wat men verstaat onder probleemgedrag. De meeste onderzoeken die verricht zijn omtrent probleemgedrag zijn afkomstig van Nederland. Vaak wordt er een onderscheidt gemaakt tussen dementerende en niet ? dementerende bewoners. Het vinden van informatie die relevant is voor de door mij gekozen doelgroep was niet éénvoudig. Een 2de moeilijkheid is het maken van een verdeling. De verschillende bronnen hanteren verschillende verdelingen en daarom heb ik ervoor gekozen om een combinatie te gebruiken. Om een algemeen beeld te schetsen en informatie te verschaffen aan de lezer en gebruiker heb ik het volgende besproken : de meest voorkomende vormen van probleemgedrag, de mogelijke oorzaken en de daarbij horende omgangsadviezen.
Deze informatie geeft een algemeen beeld van wat men kan tegenkomen in het werkveld, maar was niet voldoende om aan de slag te gaan. Om me een specifieker beeld te vormen heb ik eerst en vooral heb een vragenlijst afgenomen bij het personeel. Op deze manier kon ik me een eerste beeld schetsen van de situatie in het WZC De Dennen. De vragenlijst bracht cruciale informatie naar boven zoals : krijgen de personeelsleden vaak te maken met probleemgedrag? Is er reeds een beleid rond probleemgedrag? En als belangrijkste : beschikken ze over voldoende informatie om op adequate wijze om te gaan met probleemgedrag? Het verwerken van de vragenlijsten maakte het mogelijk om me een ruw beeld voor de ogen te halen van hoe de situatie op dit moment was.
Natuurlijk was dit niet voldoende en was het tijd voor de 2de stap : het vinden van een methode om het probleemgedrag te registreren. Ik heb ervoor gekozen om eigenhandig een observatielijst op te stellen met daarin enkel die vragen die me de nodige informatie gaven. Om dit correct in te schatten was het van belang dat ik al een stap verder dacht en ik heb ervoor gekozen om de volgende aspecten te bevragen: Welk soort probleemgedrag stelde de bewoner? Waar en wanneer vond dit gedrag plaats? Tegen wie was het gedrag bedoeld ? Wat is de oorzaak van dit gedrag (indien gekend) ? Hoe heb je als hulpverlener gereageerd ? Hoe reageerde de bewoner op deze aanpak en hoe voel je je hier zelf bij als hulpverlener ?
Een goede observatielijst geeft een maximaal aan informatie door een minimaal aan tijd en inspanning. Dit was dan ook het meest belangrijke criteria. Het personeel moet de indruk hebben dat ze geen extra inspanningen moeten leveren en toch resultaten boeken. Een 2de criteria was dat deze lijst zowel toepasbaar was voor dementerende als niet ? dementerende bewoners.
In afwachting van de volgende stap was de medewerking van de personeelsleden van cruciaal belang. Na een onderzoeksperiode van enkele weken volgde de 3de en belangrijkste stap: het analyseren van de observatielijsten. Op basis hiervan heb ik een gerichte aanpak naar voren gebracht. Niet enkel moest deze aanpak correct zijn, maar hij moest ook nog op gepaste wijze aangebracht worden. Het voorstellen van de aanpak moet op een dusdanige manieren gebeuren dat het personeel niet de indruk heeft dat het op de vingers getikt wordt, maar dat het tips aangereikt krijgt waardoor het mogelijks makkelijk wordt om met probleemgedrag om te gaan. Voor mij was het dan ook een logische keuze om dit te doen via een vormingssessie. Om de sessie zo goed mogelijk te laten aansluiten op de praktijksituaties zijn de casussen enkel gebaseerd op de ingevulde observatieformulieren. De personeelsleden zijn in kleine groep op zoek gegaan naar de mogelijke oplossingen. Deze heb ik verder aangevuld met omgangsadviezen uit de literatuur.
De observatielijsten worden geïntegreerd in een 6 stappenplan. Dit is een éénvoudig schema dat het op zoek gaan naar een oplossing voor probleemgedrag mogelijk maakt.
Resultaten :
Uit het literatuuronderzoek blijkt dat probleemgedrag vele oorzaken kan hebben. Ik heb ervoor gekozen om de oorzaken op te splitsen in lichamelijke-, persoonlijke- en omgevingsfactoren. Hierbij heb ik vooral de lichamelijke factoren(Drewel A., Hazelhof T (1998)) en de omgevingsfactoren ( Drewel A., Hazelhof T.(1998) en Richtlijn probleemgedrag NVVA, (januari 2002)) verder uitgeschreven.
Verder heb ik de meest voorkomende vormen van probleemgedrag uitgeschreven : claimen ( Drs. E.J. van der Jag, Van Straaten(2003)), dwalen (LSHTM,2003), verzamelwoede (Richtlijn Probleemgedrag NVVA /januari 2002), agressie (Krook K. , Van Straaten G.(2003)), en seksueel overschrijdend gedrag (Krook K. en Van Straaten G. (2003)). Hierbij heb ik ook de omgangsadviezen besproken.
De grootste moeilijkheid voor het praktische gedeelte was het motiveren van het personeel. Het is van belang om het personeel te blijven motiveren om een extra inspanning te laten doen om het gewenste resultaat te bekomen. Hen duidelijk maken dat het vermijden of verminderen van probleemgedrag de beloning is van hun inspanning is hierbij een mogelijkheid.
Uit de praktijkstudie, meer bepaald uit de afgenomen vragenlijsten, is vooral gebleken dat er heel wat personeelsleden zijn die over onvoldoende informatie beschikken om op een correcte manier om te gaan met probleemgedrag. Dit geeft voor enkelen onder hen ook problemen tijdens de werksituaties. Dit kan tot vervelende situaties leiden: ze worden er slecht gehumeurd van, ze zien de persoon enkel als een last en in het ergste geval gaan ze deze persoon zelfs vermijden.
Deze resultaten hebben ervoor gezorgd dat ik de personeelsleden eerst meer informatie wou geven over probleemgedrag vooraleer ik verdere stappen heb ondernomen. Gedurende een periode van 10 weken heb ik de observatieformulieren verzameld en geanalyseerd. Uit deze formulieren bleek dat de waaier van probleemgedragingen inderdaad zeer uitgebreid kan zijn. Deze lijsten gaven me ook de mogelijkheid om te kijken welke aanpak er gebruikt werd en of deze een gunstig resultaat hadden.
Er bleek een duidelijk tekort te zijn aan informatie rond probleemgedrag en een vormingsessie geven aan de personeelsleden was een logische volgende stap. De gebruikte casussen zijn opgesteld aan de hand van de observatielijsten. Op deze manier sluiten de situaties aan op de praktijksituaties binnen het WZC.
Op het einde van de vormingssessie heb ik het stappenplan voorgesteld dat je hierboven afgebeeld ziet op figuur 1. Het schema bevat enkele stappen die het mogelijk maken om op een duidelijke en adequate manier om te gaan met probleemgedrag. Ook hier blijven de observatieformulieren hun dienst doen. Ze vervangen in het schema als het ware stap 2.
Besluit :
Het antwoord op de vraag of een observatielijst een meerwaarde heeft in het aanpakken van probleemgedrag is kort : JA !!Op de vraag of de observatielijsten een kant en klare oplossing bieden : NEE !!
De observatielijsten geven op een korte en duidelijke manier weer waar en wanneer er welk gedrag wordt gesteld, maar dit is slechts het begin van een lang en intensief proces. Daarom is het van groot belang dat het 6 stappenplan de observatielijst aanvult of dat het observatieformulier het stappenplan aanvult, het is maar hoe men het ziet. Het invullen van de observatielijst is als het ware stap 2 in het stappenplan. Van hieruit kan men dan de volgende stappen opvolgen om zo tot het gewenste resultaat te komen. Dit is althans de bedoeling want men moet realistisch zijn dat niet al het probleemgedrag vermeden en/of aangepakt kan worden. Het verminderen of het aanpakken van de negatieve gevolgen is een evenwaardig doel. Een belangrijke voorwaarde is dat men de aanpak consequent toepast en denk eraan :
Ook boze mensen hebben jou nodig ook al lijkt het soms van niet !!!







References

Buijssen, H., Razenburg, T. (1987). Dementie: Een praktische handreiking voor de
omgang met dementerende ouderen(2
dr.). Amsterdam: Boom.
Continue educatie en accreditatie route. (2006). Richtlijnen, protocollen en
verpleegplannen. Gevonden op 14 september 2007 op het internet:
http://www.cedar.nu/index.php?p=30585
Departement psychiatrie, Universitair Ziekenhuis Antwerpen. ( 2005 ). Roepgedrag bij
dementie: Epidemiologie, pathofysiologie en behandeling. Gevonden op 12 januari
2008 op het internet :
http://www.vvnvvp.be/library/documents/vvp/abstracts_lentevergadering_vvp_2005.d
Geelen, R. (1999). Omgaan met agressie . Uitgeverij: Elsevier.
Geelen, R (2002). De leefomgeving van opgenomen ouderen. In: Handboek
Huisvesting Verzorging & Ouderen, IV, 2.9 1-39, pg 73-112. Amsterdam: Elsevier.
Geelen, R. (2004, juli/augustus). Ouderen met gedragsproblemen. Tijdschrift voor
Verzorgenden.
Hazelhof, T., Drewel, A. (1998). Methodisch begeleiden van ouderen met
gedragsproblemen. Rotterdam: Lemniscaat.
Katho. ( 2007 ). Omgaan met probleemgedrag bij dementerende ouderen. Gevonden
op 26 november 2007 op het internet: http://www.katho.be/phv/detail.asp?ID=51
Krook, K., Van Straaten, G. (2003). Hoezo lastig! : omgaan met probleemgedrag van
ouderen. Baarn: HB uitgevers.
Laurentius Ziekenhuis Roermond. (2006). Gedragsproblemen bij dementie: dwalen en
slaapstoornissen. Gevonden op 17 oktober 2007 op het internet:
http://www.lzr.nl/%7B55e4ad92-9731-4c4e-8cf6-becfbc9e523f%7D
Pinkston, E.M., Linsk, N.L. ( 1987 ). Gedragsproblemen bij ouderen: Sociaal leren met
ouderen in hun verzorgingsomgeving. Nijmegen : Dekker en van de Vegt.
Ypma-Bakker, MEM., Glas, ER., Hagens, JHAM., Hensels, JGH., Rondas, AALM., Saltet,
ML. et al. (2002). Richtlijn probleemgedrag NVVA. Gevonden op 25 september 2007 op
het internet:
http://nvva.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_113_TICH_R19766695453702
Desmidt S., Heene A. ( 2005). Strategie en organisatie van publieke organisaties. Tielt:
Lannoo.
Dr. Oosterhuis-Geers J. (2004). Interactieve Website Projectvaardigheden: SMART
doelen stellen. Gevonden op 9 juli 2008 op het internet:
http://www.carrieretijger.nl/functioneren/management/leidinggeven/doelen-
stellen/smart
Vreys, Dennis 2008
19 KHK_ETD PDF Ongewenst plasgedrag bij de kat in huis : Medische en gedragsgerelateerde oorzaken
degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

award Prijs Ceva Santé Animale

  Eigenaars van katten die in huis plassen weten vaak geen raad met het ongewenste plasgedrag van hun kat. Dierenartsassistenten kunnen deze klanten vaak verder helpen zonder hulp van de dierenarts. Deze bundel bevat informatie die de assiste ...
nten kunnen raadplegen om klanten te helpen met het oplossen van het probleem.

Het is belangrijk dat de assistenten weten dat er twee oorzaken kunnen zijn waarom de kat urine achterlaat in huis. Zodra ze de oorzaak van het probleem gevonden hebben, kunnen ze starten met de behandeling.

In dit eindwerk worden de oorzaken van het ongewenste plasgedrag van de kat besproken en de eventuele oplossingen voor dit probleem. Vaak straffen eigenaars de kat voor het binnenhuis plassen, maar op die manier versterken ze het probleem. Katteneigenaars moeten zoeken naar de oorzaak van het probleem. De oorzaak kan men vinden in de pathologie of in de gedragswereld. Eerst moeten medische oorzaken uitgesloten worden voor men de oorzaak bij het gedrag van de kat gaat zoeken.
Aandoeningen van de lagere urinewegen genaamd FLUTD, en dan in het bijzonder urolithiasis en idiopathische cystitis zijn de meest voorkomende oorzaken van het in huis plassen op medisch gebied. Klinische symptomen zoals bloed in de urine, vaak naar de kattenbak gaan, pijnlijk of moeizaam urineren en op ongewenste plaatsen urineren in huis zijn kenmerken van FLUTD.
Bij idiopathische cystitis is de onderliggende oorzaak/oorzaken onbekend waardoor de behandeling noodzakelijkerwijs gebaseerd is op het experimenteren.
Katheterisatie, dieetvoeding, reductie van stressfactoren en chirurgie zijn afhankelijk van de situatie mogelijkheden om urolithiasis te behandelen.
Problemen met de kattenbak, territoriumgedrag, seksueel markeren, stress en agressie zijn de voornaamste voorbeelden van oorzaken die gekoppeld worden aan het gedrag van de kat. Ten slotte kan men voor de behandeling van het sproeien of urineren in huis 5 stappen hanteren namelijk:
- Medische oorzaken uitsluiten
- De gewoonte verbreken
- De behoefte van het sproeien of urineren verwijderen
- Stoppen met straffen
- Hulp van specialisten indien voorgaande stappen niet hebben geholpen


References

Tijdschriftartikel
Bénet, J., Lamarche, M. (2007). Voeding en urinewegaandoeningen bij gecastreerde katten.
Waltham Focus 17 (1): Aandoeningen van de lagere urinewegen, 18-21.
Buffington, T. (2003). WSAVA State of the Art Lecture: Aandoeningen van de lagere
urinewegen en steriele cystitis bij de kat. Waltham Focus 13 (2): De urinewegen, 21-22.
Dethioux, F., Marniquet, P., Petit, P., Weber, M. (2005). How can we protect against both
struvites and calcium oxalates? Waltham Focus special edition: preventative nutrition for
major health risks in cats, 19-27.
Elliott, D. (2003). Het geval van ? De kat met strangurie. Waltham Focus 13 (2): De
urinewegen, 16-20.
Hosgood, G. (2003). Chirurgie van de urineblaas. Waltham Focus 13 (2): De urinewegen,
11-15.
Houston, D. (2007). Epidemiologie van urolithiasis bij de kat. Waltham Focus 17 (1):
Aandoeningen van de lagere urinewegen, 4-9.
Moore, A. (2007). Kwantitatieve analyse van blaasstenen bij de hond en de kat. Waltham
Focus 17 (1): Aandoeningen van de lagere urinewegen, 22-27
Westropp, J. (2007). De benadering van ? Katten met symptomen van LUTD. Waltham
Focus 17 (1): Aandoeningen van de lagere urinewegen, 10-17.
Elektronische publicatie
American Association of Feline Practitioner. (2004). Feline behavior guidelines (pp.15)
Gevonden op 17 februari 2008 op het internet:
http://www.aafponline.org/resources/guidelines/Feline_Behavior_Guidelines.pdf
Case, L.P. (2003). The Cat: Its Behavior, Nutrition and Health (pp.143-144). .S.A.:
Blackwell publishing
Gevonden op 4 februari 2008 op het internet:
http://books.google.nl/books?id=mdg0R6nDWgoC&pg=PA149&dq=group+discrimination
+on+the+basis+of+urine+in+a+farm+cat+colony&sig=unLo153EP4OcqiQyqNsS_hlOQCk
#PPR9,M1
Ceva. (2002). Feliway® spray
Gevonden op 8 november 2007 op het internet:
http://www.feliway.nl/feliway_nl.nsf/Page?OpenForm&DocID=61&POS=31&Key=null
Ceva.Santé Animale. (2002). Feliway® verdamper
Gevonden op 8 november 2007 op het internet:
http://www.feliway.nl/feliway_nl.nsf/Page?OpenForm&DocID=60&POS=32&Key=null
Ceva. (s.a.). Feliway® het geheim van gelukkige katten.
Gevonden op 8 november 2007 op het internet:
http://www.ceva.nl/corporate_nld.nsf/FO_Menu/951685F1DCA98416C12570880049139D
?OpenDocument&Expand=3.1.1
Pharma. (s.a.). Diergeneeskundig compendium on line
Gevonden op 22 maart op het internet:
http://pharmavet.microsite.be/frameset.asp?language=NL
Maxhouse. (s.a.). Vomeronasaal orgaan bij de kat.
Gevonden op 6 maart 2008:
hhtp://maxshouse.com//Illustrations/vomeronasal.jpg
Royal Canin. (s.a.). Eigenschappen van dieetvoeding
Gevonden op 7 maart 2008 op het internet:
http://www.royalcanin.nl/docs/vet/consf-urinary.pdf
The Ohio State University College Of Veterinary Medicine. (2008). Problem solving
Gevonden op 2 april 2008 op het internet:
http://www.vet.ohio-state.edu/indoorcat
The Ohio State University College Of Veterinary Medicine. (2008). Life Stressors of
Cats:How to Make Your Cat More Comfortable When Stress Occurs.
Gevonden op 2 april 2008 op het internet:
http://www.vet.ohio-state.edu/indoorcat
Boeken
Fogle, B. (2003). Katten vraagbaak. S.a.: Fontaine uitgevers.
O? Farrell, V., & Neville; P. (1994). Manual of feline behaviour p. 57-64. Cheltenhan:
British Small Animal Veterinary Association
Overall Karen L. (1997). Clinical behavioral medicine for small animals. Missouri.: Mosby
Onuitgegeven materiaal
Dehasse , J. (2000). Behavioural problems in small animal practice: Normal behaviours in
pet cats. Onuitgegeven nota?s van een bijscholing voor dierenartsen, Savab Flanders
Weekend
S.A. (1999). Problems solving in multicat households. Onuitgegeven nota?s van een
bijscholing voor dierenartsen, Post Universitair Onderwijs Merelbeke.
Brochure
Hill?s Pet Nutrition. (2002). Hoe u FLUTD kunt helpen behandelen.
Sanofi Santé Animale. (s.a.). Urine Sproeien behoort tot het natuurlijke gedrag van alle
katten: Feliway® is het natuurlijke antwoord.
Folder
Hill?s Pet Nutrition. (2006). Aandoeningen van de lagere urinewegen bij de katten.
Compendium
Tennant Bryn. (2005). BSAVA SMALL ANIMAL FORMULARY. Quedgeley: British Small
Animal Veterinary Association.
Janssens, Silke 2008
20 KHK_ETD PDF Weerbaarheidstraining aan psychiatrische cliënten in deeltijdbehandeling : Via zelfverdediging naar zelfbewustzijn
degree Bachelor - Gegradueerde in Ergotherapie

award Genomineerd voor de Bachelor.be-prijs

  Voor heel wat psychiatrische cliënten binnen deeltijdbehandeling of ambulante therapie is het pad des levens vaak bezaaid met hindernissen. Ze worden (terug) depressief, gebruiken drugs, automutileren, ontwikkelen eetstoornissen, worden agr ...
essiever en zijn vaak heel onzeker. Ze proberen te 'overleven' in een voor hen drukke en materialistische samenleving. Vanuit een fundamenteel gebrek aan zelfrespect, eigenwaarde, zelfvertrouwen en verbondenheid met anderen, hebben ze vaak nauwelijks controle over emoties als angst, kwaadheid, verdriet en psychische pijn. Soms worden ze geïntimideerd, gestigmatiseerd, gepest, of misbruikt. Anderen gaan zelfs over tot intimidatie en misbruik. Door met psychiatrische cliënten te werken aan weerbaarheid, zelfverdediging, zelfrespect, controle van emoties en afbakenen van grenzen trachten we te bekomen dat ze zich beter gecentreerd gaan voelen en vertrouwen gaan krijgen in hun eigen mogelijkheden. Dit kan een remmend effect op hun stijgende frustraties en zogenaamd antisociaal gedrag hebben.
De thesis is opgebouwd uit een theoretisch en praktisch gedeelte, bestaande uit de nodige informatie over de stageplaats (Psycho-Sociaal Centrum te Leuven), doelgroep, methodiek en ergotherapeutische omkadering van de weerbaarheidsessies. Er wordt algemeen aangenomen dat het domein van de bewegingstherapie exclusief behoort aan de psychomotorische therapeut. Dit hoeft echter niet zo gelimiteerd te worden benaderd. Ook de ergotherapeut kan actief zijn op dit vlak mits de nodige kennis en ervaring.

References
Aertgeerts, A., Bollens, L., Claes, A., De Winter, G., Di Frischia, C., Raeymaekers, R.,
Smet, J., Vandereyken, S. Agaat: Ervaringsgerichte psychotherapiegroep.
Onuitgegeven infobrochure voor cliënten en belangstellenden.
Ariadne. (2005). Ariadne spint verder aan haar draad: Een werking voor jongere
chronische zieken uit de middenleeftijd (25-65 jaar). Gevonden op 20 februari 2006 op
het internet: http:// www.ariadne.antwerpen.cm.be/midden.htm
Bachrach, L.L. (1992). Psychosocial rehabilitation and psychiatry in the care of long
term patients: American Journal of Psychiatry, 149, 1455-1463.
Bachrach, L.L. (1993). Organizational issues and expertise in care innovation: applying
the priciples of continuity of care. In: Wolf, J. & van Weeghel,J. (eds.) Changing
community psychiatry. Care innovation for persons with long-term mental illness in the
Netherlands. Utrecht: NcGV.
Bollens, L., Claes, A., Di Frischia, C., Peremans, M., Raeymaekers, R., Smet, J., Van
Kerckhove, I., Mouton, C. Koraal: Revagroep. Onuitgegeven infobrochure voor cliënten
en belangstellenden, Psycho-Sociaal Centrum Leuven.
Bordie.nl. (2006). Borderline is? Gevonden op 6 januari 2006 op het internet: http://
www.bordie.nl/borderlineis.htm
Breakwell, G.M. (2000). Omgaan met agressief gedrag. Handleiding voor de
beroepspraktijk. Baarn: Intro.
Cautaert, S., Dupont, V. & Ideler, I. (2001). Weerbaarheid van jongeren: een denk ?
en doeboek. Leuven-Apeldoorn: Garant.
Coppens, M.(2005). Praktische zelfverdediging. Onuitgegeven nota?s horend bij
zelfverdedigingstraining.
Cuyt, M., Adams, B., Dhamani, F., Defourny, V., Mertens, C., Wampers, M.,
Vanhorenbeek, C., Rombauts, S., Vandereyken, S., Staes, K., Van Landeghem, S.,
Werelds, K. Onyx: Avond ? en nachthospitalisatie als deeltijdbehandeling.
Onuitgegeven infobrochure voor cliënten en belangstellenden, Psycho-Sociaal Centrum
Leuven.
Cuyvers,G.(2001). Psychopathologie. Deurne: Wolters-Plantyn.
de Gelaen, T. (2005). Verhoog uw mentale weerbaarheid en assertiviteit. Roeselare:
Roularta Books NV.
De Clerck, L., De Rijck, L., Deroo, R., De Winter, G., Staes, K., Van Grunderbeek, W.
Opaal: Observatie ? en oriëntatiegroep. Onuitgegeven infobrochure voor cliënten en
belangstellenden, Psycho-Sociaal Centrum Leuven.
De Clerck, L., Deroo,R., Moens, T., Mouton, C., Schoolmeesters, K., Smet, J.,
Smout,O., Van Kerckhove, I., Van Espen, S., Volckaert, M. Deel 1: Historische
achtergrond van de ateliergroep en drie pijlers van de werking. Onuitgegeven nota?s bij
de werking van de ateliergroep, Psycho-Sociaal Centrum Leuven.
De Clerck, L., Deroo, R., Moens, T., Mouton,C., Schoolmeesters, K., Smet, J., Smout,
O., Van Kerckhove, I., Van Espen, S., Volckaert, M. Saffier: Ateliergroep. Onuitgegeven
infobrochure voor cliënten en belangstellenden, Psycho-Sociaal Centrum Leuven.
Farkas, M. (1993). Care innovation projects: issues in rehabillitation. In: Wolf, J. & van
Weeghel, J. (eds.). Changing community psychiatry. Care innovation for persons with
long-term mental illness in the Netherlands. Utrecht: NcGV.
Fraser, T., (2003). Yoga werkboek: Basiscursus voor thuis en leren zonder leraar.
Vianen/Antwerpen: The house of Books.
Giesen-Bloo,J.(2005). Leven met borderline persoonlijkheidsstoornis. Houten: Bohn
Stafleu van Loghum.
Het angstcentrum. (2005). Depressie en angst. Gevonden op 12 november 2005 op het
internet: http:// www.angstcentrum.be
Jochems, A.A.F. & Joosten, F.W.M.G. (2000). Coëlho. Zakwoordenboek Der
Geneeskunde. Arnhem: Elsevier.
J. ter Keurs instituut voor therapie. (2003). Bewegingstherapie. Gevonden op 06
september 2005
Op het internet: http://www.terkeurs.nl/
Magits, V. (2003). Algemeen concept: Stress. Gevonden op 17 maart 2006 op het
internet: http://www.uvv.be/uvv5/pub/cinfo/stress/pdf/concept.pdf
Mitchell, D. (1986). Alles over zelfverdediging: praktische methoden en technieken.
Utrecht /Antwerpen: Kosmos.
O?Connor, J. (2005). Free yourself from fears: Overcoming anxiety and living without
fear. London & Boston: Nicholas Brealey Publishing.
Open the doors. (2005). How can we decrease stigma associated with schizophrenia?
Gevonden op 06 september 2005 op het internet:
http://www.openthedoors.com/english/02_05.html
Mertens, E., (2004). Participatie en betrokkenheid in een ontmoetingshuis voor
patiënten met ernstige en langdurige psychische problemen. Gevonden op 20 december
2005 op het internet:
http://www.kuleuven.ac.be/lucas/PDF/Thesisverhandelingen/2004Participatie_en_betro
kkenheid_ontmoetingshuis.pdf
Pieters, G. & Peuskens, J. (Eds.) (1995). Rehabilitatie van de chronische psychiatrische
patiënt: Op weg naar een gemeenschapspsychiatrie. Leuven: Garant.
Probst, M & Bosscher, R.J. (2001). Ontwikkelingen in de psychomotorische therapie.
Zeist: Cure & Care publischers.
Sensoa. (2005). Feiten en cijfers: Seksueel misbruik volwassenen. Gevonden op 18
februari 2006 op het internet:
http://www.sensoa.be/pdf/feiten_en_cijfers/feiten_en_cijfers_seksueel_misbruik_bij_v
olwassenen.pdf
Similes. (2005). Psychose. Gevonden op 12 november 2005 op het internet: http://
www.similes.org/nl/psychose.php
Shoto, T. (Instructor) (1990). Code 1078: Police weapons tactics. Kuden Series Goshin-
Jitsu. [Video]. Mineola, NY: Taiyo Productions.
Slachtoffershulp. (2006). Zelverdediging. Gevonden op 5 mei 2006 op het internet:
http://users.skynet.be/slachtofferhulp.Antwerpen/criminaliteit/voorkomen/zelfverd.htm
Stad Leuven. (2006). Welzijn en sociale zaken. Gevonden op 6 januari 2006 op het
internet: http://www.leuven.be/showpage.asp?iPageID=84
Tanghe,A & de Keyzer,H. (2000). Schizofrenie en andere psychosen. Leuven -
Apeldoom:Garant.
Thompson, G. (2004). Dead or alive: The choice is yours. The definitive self-protection
handbook. West Sussex: Summersdale Publishers.
Van Delft F., Rooijendijk L. en Sjerps N. (2005). Agressie in het sociaal pedagogisch
werk. Gevonden op 5 mei 2006 op het internet:
http://www.vspf.org/www/backend/klantfiles/19%20Poster%20Verloop%20van%20ee
n%20agressie%20incident.pdf
Van Doremalen, H. & Vervoort, M. (2005). Effectief omgaan met agressie en zinloos
geweld: Calamiteiten en de verwerking ervan. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg.
Van Wel, T.F. (1994). Chronische psychiatrische patiënten en rehabilitatie. Voorstellen
voor definities. Tijdschrift voor psychiatrie, 36, 64-69.
Ykema, F. (2004). Het ?Rots en Water?-perspectief: Een psychofysieke training voor
jongens. Basisboek. Amsterdam: SWP.
Ykema, F. (2006). Rots en Water: Een psychofysieke training voor jongens.
Praktijkboek. Amsterdam: SWP.
Yoga & tantra. (2003). Geschiedenis en symboliek van de zonnegroet. Gevonden op 22
december 2005 op het internet: http:// users. pandora.be/yoga/index.08.html
Yoga & tantra. (2003). Zonnegroet: Opwarmingsoefening. Gevonden op 22 december
2005 op het internet: http://users.pandora.be/yoga/index.07.html
Zinkstok, R. (2002). Ergotherapie in de psychiatrie. Maarssen: Elsevier
gezondheidszorg.
Druppel, Leen 2006
21 KHK_ETD PDF Onrust en agressie bij dementerende bejaarden : Relaxatie als mogelijke oplossing
keywords Social changes, theory of social work Sociology Social Sciences

degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  Ik merkte op stage dat het moeilijk is om echt contact te maken met dementerende bejaarden die onrustig of agressief gedrag vertonen. Ik vroeg me daarom af of er geen manieren waren waardoor men met deze doelgroep in contact kon treden en w ...
aardoor men een betere vertrouwensrelatie kon opbouwen. Hiermee hoopte ik ook de onrust en de agressie te kunnen verminderen.
Ik had al gemerkt dat ik bij sommige dementerende bejaarden een rustgevend effect ondervond bij een handmassage of een voetbadje. Daarom leek het me een goed idee om eens verder te gaan onderzoeken of relaxatie nu echt een gunstig effect heeft op alle dementerende bejaarden met onrustig gedrag en of ik ook effecten op lange termijn kon merken.
Ik besloot mij te beperken tot een aantal vormen van relaxatie, zodat ik voldoende tijd had om elke techniek nader te onderzoeken. Ten eerste zorgde ik ervoor dat de relaxatie plaatsvond in een aangename, aangepaste omgeving.
De vormen van relaxatie die ik gekozen heb zijn handmassages, gezichtsmassages en voetbadjes en ? massages. Bijkomend deed ik dan ook nog relaxatiebaden. Hiervoor heb ik de kans gekregen om zelf een oningerichte badkamer in het RVT in te richten naar eigen smaak.
Voor de uitwerking van mijn praktijk, koos ik voor vier dementerende bejaarden. Deze bevonden zich allemaal in een ander stadium van dementie en vertoonden ook allemaal andere onaangepaste gedragingen, van angst en waanbeelden tot roepen en dolen. Ik heb ervoor gekozen personen met een uiteenlopende problematiek te onderzoeken, zodat ik ook kon vergelijken.
Doordat er zoveel verschillende uitingen zijn van het onaangepast gedrag, leek het me ook logisch dat ik verschillende effecten zou waarnemen. Dit bleek inderdaad te kloppen. Elke bejaarde reageerde anders op een relaxatietechniek. Ik merkte veel positieve effecten, maar natuurlijk had niet alles de gewenste gevolgen
Ik kan na het uitvoeren van mijn stage besluiten dat relaxatietechnieken zeker een meerwaarde kunnen zijn in de benadering van dementerende bejaarden met onaangepast gedrag. Ik merkte vaak tijdens een sessie dat er een afname was van onrust of agressie. Ook na de sessies bleef het effect soms nog enige tijd merkbaar. Wat wel een belangrijke bemerking hierbij is, is dat men pas echt zichtbare resultaten op lange termijn zal kunnen bereiken, als er een degelijke nazorg is. Zo niet, gaan de resultaten weer allemaal verloren.

References

BOEKEN
? Kors, B., & Seunke, W. (1997). Psychiatrische verpleegkunde (4de dr.). Utrecht:
De Tijdstroom.
? Stokes, G. (1986). Probleemgedrag bij demente ouderen 2: Schreeuwen en
gillen. Baarn: Intro.
? Stokes, G. (1986). Probleemgedrag bij demente ouderen 4: Dolen en dwalen.
Baarn: Intro.
? Thomas, S. (1989). Massage voor veel voorkomende aandoeningen. Haarlem:
H.J.W. Becht.
? Huyser, A. (1999). Klankschalen en hun therapeutische toepassingen. Havelte:
Binkey Kok Publications.
? Wilson, P. (1995). Het grote boek van de rust: Meer dan 100 succesvolle
technieken voor ontspanning van lichaam en geest. Amsterdam/Antwerpen:
Archipel.
? Rowen, B., (2002). Massage: De perfecte ontspanningskuur voor lichaam en
geest. Aartselaar: Deltas.
ONUITGEGEVEN MATERIAAL
? De Jonghe, C. (s.a.). Intern document met ethische richtlijnen voor HSW.
Onuitgegeven projectvoorstelling van Huize De Sterrewijzer Olen.
? De Jonghe, C. (1998). Projectvoorstelling ?Huize De Sterrewijzer?. Onuitgegeven
projectvoorstelling van Huize De Sterrewijzer Olen.
? Bijscholing over dementie, A. Heesen.
? Janssen, G., Vanuytsel, A., Geenen, K. (2005). Geriatrie, Onuitgegeven cursus
voor het tweede jaar van de opleiding Ergotherapie, Katholieke Hogeschool
Kempen, Departement Gezondheidszorg en Chemie Geel.
SITES
? SBU Scientific Assessment of Health Technology. (2002). Touch massage for
dementia.
Gevonden op 23 augustus 2006 op het internet:
http://www.sbu.se/www/Report.asp?ReportID=652&langId=1&typeId=3
? Oregon Health & Science University. (2005). OHSU Researchers Reveal Genetic
Ties To Anxiety.
Gevonden op 17 augustus 2006 op het internet:
http://www.ohsu.edu/ohsuedu/newspub/releases/052405anxiety.cfm
? Madison Institute of Medicine. (2006). Facts for health: Frequently asked
questions.
Gevonden op 17 augustus 2006 op het internet:
http://www.alzheimers.factsforhealth.org/what/faq.asp
? Internet Health Library. (2000). Dementia Research: Diet & Lifestyle.
Gevonden op 23 augustus 2006 op het internet:
http://www.internethealthlibrary.com/Health-problems/Dementia%20-
%20researchDiet&Lifestyle.htm
? Ellwood, J. (2004). Massage with the elderly or inactive person. Aromacaring:
Working for special needs.
Gevonden op 23 augustus 2006 op het
internet:http://www.aromacaring.co.uk/massage_with_the_elderly_or_inac.htm
? Healthworld. (1996). Massage Therapy and Bodywork: Healing Through Touch
Gevonden op 23 augustus 2006 op het internet:
http://www.healthy.net/scr/Article.asp?Id=1946#v
? Jansen-Lahnemann, A. (2006). Hoofdmassage. De massagepraktijk.
Gevonden op 26 september 2006 op het internet:
http://www.massagepraktijk.com/hoofdmassage.htm
? Leijssen, M. (2001). Lichaamsgerichte interventies in de psychotherapeutische
hulpverlening: Waardevol en ethisch verantwoord?. Katholieke Universiteit
Leuven.
Gevonden op 26 september 2006 op het internet:
http://perswww.kuleuven.be/~u0004551/Artikels%20web/Lichaam2001.pdf
? Dementia.nl. (2005). Aromatherapie en dementie.
Gevonden op 1 november 2006 op het internet:
http://www.dementia.nl/benadering/aroma.htm
? Hamer, T. (2003). Belevingsgerichte praktijk in de zorg: gewoon doen!.
Wetenschap en praktijk.
Gevonden op 1 november 2006 op het internet:
http://www.dementie.be/images/beleving.pdf
? Geestelijke gezondheid. (2006). Dementie.
Gevonden op 1 november 2006 op het internet:
http://www.geestelijke-gezondheid.nl/dementie.htm
? Nederlands Kenniscentrum Ouderenpsychiatrie. (2006). Neuropsychiatric
Inventory.
Gevonden op 1 november 2006 op het internet:
http://www.ouderenpsychiatrie.nl/sjablonen/1/infotype/news/newsitem/view.asp?
objectID=558
? Massagepraktijk, ontspannings- en therapeutische massage. (2006).
Voetmassage.
Gevonden op 1 november 2006 op het internet:
http://www.patriziagalli.nl/Massage/Voetmassage/voetmassage.html
? Dementia.nl. (2005). Warme zorg.
Gevonden op 27 december 2006 op het internet:
http://www.dementia.nl/benadering/warme.htm
? Weleda. (2006). Producten.
Gevonden op 20 februari 2007 op het internet:
http://www.weleda.be/
? Weleda. (2006). Massage.
Gevonden op 20 februari 2007 op het internet:
http://www.weleda.be/
? Fibromyalgie Liga. (2007). De helende kracht van muziek.
Gevonden op 20 februari 2007 op het internet:
http://www.fibromyalgie.be/content/view/24/29/
? Antroposofica. (2006). Antroposofische geneeskunde.
Gevonden op 20 februari 2007 op het internet:
http://www.antroposofica.nl/antoposofische_geneeskunde.htm
? The Healing Music Organization. (2006).
Gevonden op 20 februari 2007 op het internet:
www.healingmusic.org
Leysen, Hanne 2007
22 KHK_ETD PDF Van hulpeloos kitten tot zelfstandige kat
keywords Ecology Development biology, growth (animal), ontogeny, embryology Biomedical sciences Animal ecology Zoology Animal anatomy, animal morphology

degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  Het opvoeden van moederloze kittens vraagt veel tijd en geduld van de verzorger.

Bij het eerste bezoek aan de dierenarts zal er genoeg geweten zijn over het kitten: het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand.
De extra informat ...
ie die de verzorger meekrijgt, kan bij latere bezoeken aan de dierenarts en tijdens de verzorgingsperiode nog van pas komen.

Nadien zal het echte werk beginnen.
Dit wil zeggen op zoek gaan naar een geschikte huisvesting en naar de juiste voeding en toediening. Maar ook de kittens leren begrijpen en hen aan de hand van deze kennis op te voeden en te socialiseren. Dit alles mag niet onderschat worden.
Inzicht in de verschillende levensfasen van een kitten zijn ook een must om hen beter te kunnen opvolgen tijdens hun groei en ontwikkeling.

Enkele praktische tips over de kattenbak, speeltjes, en dergelijke kunnen ook van pas komen tijdens de opvoeding.

References

Boeken
Bowen, J., Heath, S. (2005) Behaviour problems in small animals: practical advice for the
veterinary team. Philadelphia: Elsevier Saunders
Case, L.P. (2003) The cat: It?s behaviour, nutrition and health. Iowa: the state Iowa press
Dr. Fogle, B. (2003) Kattenvraagbaak. London: Fonteine uitgevers
Halls, V. (2006) Wat uw kat u vertelt: meer kattengeheimen. Amsterdam: De boekerij bv
Müller, U. (1984) Het nieuwe kattenboek: aanschaf, verzorging, voeding, ziekten en fokken.
Amsterdam: Elsevier
Royal Canin (2001) Encyclopedie van de kat. Parijs: Aniwa
Onuitgegeven materiaal
Blom, I. (2006). Dieetvoeding. Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor het derde jaar van de
opleiding Dierenzorg, Katholieke Hogeschool Kempen, Departement IIBT Geel.
Thielemans, S. (2006) Pathologie. Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor het derde jaar van
de opleiding Dierenzorg, Katholieke Hogeschool Kempen, Departement IIBT Geel.
Elektronische publicaties
http://www.deblauweark.be
http://www.fabcats.org
http://www.kattengedragstherapie.nl
http://www.kittenrescue.org/handbook.html
http://www.kruimelhuis.nl
http://www.purrfectcatbehaviour.com
http://www.tinley.nl/katten/kat1.html
http://www.veterinaircentrum.nl
Contacten via mail
Het Kruimelhuis (Karien)
Het kattengedragsadviesbureau (Z. Sambrink)
Het kattengedragsadviesbureau (Stolting Marcellina)
Ervaringen
Ik heb geciteerd vanuit mijn eigen ervaring met het grootbrengen van mijn moederloze kittens.
Ook heb ik vanuit mijn stage een zekere know-how meegekregen die ook voor dit eindwerk
kon verwerkt worden.
DAP De blauwe ark
Oud-turnhout
DAP De blauwe ark
Turnhout
Literatuurlijst van de illustraties
Boeken
Bowen, J. , Heath, S. (2005) Behaviour problems in small animals: practical advice for the
veterinary team. Philadelphia: Elsevier Saunders
Case, L.P. (2003) The cat: It?s behaviour, nutrition and health. Iowa: the state Iowa press
Royal Canin (2001) Encyclopedie van de kat. Parijs: Aniwa
Hemelaers, Muriel 2007
23 KHK_ETD PDF Het abc voor leerkrachten : Psycho-educatie over gedragsproblemen binnen de jeugdpsychiatrie
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  "Teachers open the door, but you must enter by yourself."
- Chinees spreekwoord

"Leerkrachten educatie aanbieden? Waar ga ik in godsnaam aan beginnen?" Dat was het eerste dat in me opkwam toen het eindwerk een basisvorm aannam. Het lee ...
k wel een omgekeerde wereld: een student die leerkrachten uitleg ging geven over enkele pathologieën, met name agressiestoornis, autisme spectrum stoornis, ADHD en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ergens voelde het wel raar aan, al hield me dat niet tegen. De vraag of psycho-educatie aan leerkrachten effect zou hebben op de band leerkracht-leerling, sprak me te veel aan om het niet uit te proberen.

Jeugdpsychiatrie

Psychiatrie is het terrein dat er voornamelijk voor gezorgd heeft dat ik ergotherapie ben gaan studeren. Doorheen de jaren sprak jeugdpsychiatrie me steeds meer aan, meer specifiek de zogenaamde 'probleemjongeren' van de maatschappij. Hierdoor kwam ik terecht in het onderwijsgedeelte van een jeugdinstelling. Dat er gedragsproblemen en agressie zou voorkomen, had ik verwacht. Dat ze zo frequent voorkwamen, tot wel vijf afzonderingen en een vijftiental conflictsituaties per dag, had ik daarentegen niet verwacht. De heersende spanning en conflicten zorgden ervoor dat er duidelijk stress voelbaar was bij zowel de leerkrachten als de leerlingen. Ook op het einde van elke week leken beide partijen opgelucht dat het weekend was. Door veel te observeren en veel met de leerkrachten te praten over de conflictsituaties, werd duidelijk dat dezen veel vragen hadden omtrent de aanpak van enkele van de aanwezige pathologieën. Omdat psycho-educatie binnen het takenpakket van de ergotherapeut valt, besloot ik me erop te gooien en het uit te proberen.

Onderzoeken naar vraag

Om naar een concreet antwoord te zoeken, werd de vraag als volgt geformuleerd: "Is psycho-educatieve vorming over de voorkomende stoornissen binnen een onderwijsproject van een gemeenschapsinstelling een meerwaarde voor zowel de jongeren als de leerkrachten?". Wel hoort hierbij gezegd te worden dat de educatie enkel aangeboden werd aan de leerkrachten. De jongeren kregen binnen de instelling een persoonlijk aangepaste vorm van educatie.

Leren uit psycho-educatie

Om een duidelijk en afgebakend beeld te verkrijgen omtrent psycho-educatie, werd eerst een literatuuronderzoek gedaan om antwoorden te krijgen op de nood en effectiviteit ervan.

Psycho-educatie wordt in de literatuur in elke setting aangeraden, al is deze oorspronkelijk ontstaan binnen de setting psychiatrie. Het wordt in het Zakwoordenboek van de psychiatrie (2006) omschreven als "Een georganiseerde vorm van voorlichting, informatie over de ziekte, de verschijnselen en de effecten van medicijnen, het ondersteunen bij verwerken van verlies van functies en een training van coping gedrag met het doel de cliënt en andere betrokkenen hierin meer inzicht te geven, zodat ze adequater met de ziekte kunnen omgaan." . Na verdere studie voegen onderzoekers Hoencamp & Haffmans (2008) hieraan toe dat het een onderdeel is van de therapie binnen de psychiatrie. Dit onderdeel kan enkel door hulpverleners gestart worden wanneer er voldoende kennis en weet is omtrent het ziektebeeld waarmee gewerkt wordt.

De basis van psycho-educatie wordt gelegd op basis van drie grote punten, met name: kennis, acceptatie en handelen. De kennis omvat het geheel van het ziektebeeld. Hiermee wordt zowel de oorzaak, als de inhoud, de symptomen, de mogelijke medicatie, en dergelijke zaken meer bedoeld.
Het tweede punt binnen de basis is de acceptatie. Zonder acceptatie van de ziekte, zijn uitingsvormen en de mogelijke benaderingswijzen, zal er geen begrip getoond kunnen worden. Zonder begrip, kan er niet behandeld worden.
Hieraan hangt meteen het laatste principe vast. Zonder kennis en acceptatie kan er niet adequaat gehandeld worden in functie van het ziektebeeld, wat noodzakelijk is ter bevordering van de therapie. (Hoencamp & Haffmans, 2008; Vermeulen, 2003)

Wanneer naar effectiviteit gekeken wordt, zijn er verscheidene studies uitgevoerd. Elke studie had zijn eigen doelpubliek en eigen methode. Wel werd er binnen elk onderzoek gebruik gemaakt van de drie bovenstaande basisprincipes als leidraad. Het resultaat was bij alle onderzoeken gelijkaardig, met een hoge waarde aan positieve effecten. Bij elk onderzoek verbeterde de relatie tussen hulpverlener en cliënt, omdat deze met elkaar werkten; er waren duidelijk minder spanningen en stresssituaties, doordat ze elkaar begrepen en accepteerden; en de effecten binnen de therapie verbeterden hierdoor. Het nut van psycho-educatie werd verscheidene keren bewezen.
(van der Stel, 2004; Verbeek, 2006; New York State Psychiatric Instituut, 1991)

Uit de literatuurstudie blijkt dat psycho-educatie naar hulpverleners toe, even belangrijk is als de psycho-educatie naar de cliënten toe. Doordat beiden afzonderlijk positieve resultaten bereiken, wordt verwacht dat een combinatie van beiden een nog sterker resultaat heeft.

Gedragsproblemen

Omdat de psycho-educatie voornamelijk rond gedragsproblemen, dewelke stresssituaties uitlokken, draait, werd via literatuurstudie onderzocht waar de grens tussen 'normaal'en 'problematisch' gedrag ligt.

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat de grens tussen 'normaal' en 'problematisch' enorm subjectief is. Elke persoon heeft zijn eigen waarden en normen, dewelke ontwikkelen en doorheen de jaren en ervaringen, waaruit hij vertrekt om gedrag van anderen te beoordelen. Zo kunnen twee personen naar eenzelfde handeling kijken van iemand en de grens van het al dan niet acceptabele geheel verschillend leggen. Daarnaast blijkt dat ook de status en het voorkomen van de persoon die de handeling uitvoert, een rol speelt.
(Van der Ploeg etal, 1997; Gielen; 1998)

Manier

Doordat de grens van 'gedragsprobleem of niet' enorm subjectief is, werd er aan de hand van het ABC-model gewerkt. Dit model bestaat uit een observatiekaart en een veranderingskaart. De observatiekaart wordt gebruikt om het gedrag, dat als storend ervaren wordt, in beeld te brengen en te evalueren. Op deze manier kan gekeken worden naar mogelijke triggers aan de oorzaak van het gedrag. Daarnaast kan hier ook een oplossing voor gezocht worden aan de hand van de veranderingskaart.

Binnen het eindwerk werd er niet gewerkt met meerdere veranderingskaarten, maar slechts met een. Omdat de educatie voornamelijk draaide om de aanpak van de leerkrachten, werd voor hen een algemene kaart opgesteld met aandachtspunten omtrent aanpak en benadering. Op deze punten werd een extra nadruk gelegd tijdens de educatiesessies, zodat de noodzaak ervan gekoppeld kon worden aan de pathologieën.

Om de educatie een vorm te geven, werden er twee onderdelen voorzien. Allereerst werd er een bundel opgemaakt. De basis van deze bundel werd gelegd door middel van een literatuurstudie. Hieruit kwamen de resultaten omtrent de rode draad doorheen de verscheidene pathologieën, met name een definitie, het klinische beeld en belangrijke aandachtspunten omtrent de benadering van de cliënten. Deze basis werd aangevuld naarmate er vragen voortkwamen vanuit het leerkrachtenteam en ook werden er externe hulpverleners (met ervaring omtrent de stoornissen) geraadpleegd.
Een tweede onderdeel was een visuele voorstelling van de gevonden informatie. Omdat uit de literatuur bleek dat een visuele houvast zorgt voor een snellere opname van de informatie, werd de informatie in een PowerPointpresentatie gegoten en voorgesteld.

Resultaten

Door de observatiekaarten voor en na de presentaties te vergelijken, werden kwalitatieve resultaten verkregen. Er werden enkele opmerkelijke veranderingen opgemerkt binnen de benadering van de leerkrachten naar de leerlingen toe. Er werd duidelijk rekening gehouden met wat er tijdens de presentaties gezegd werd.

Een voorbeeld:
Meester Luc vraagt Kristof tot bij hem te komen. Deze weigert echter. De meester geeft Kristof zelf de keuze wat hij wil, of luisteren of naar isolatie gebracht worden. Doordat de jongen weerstand blijft bieden, voert meester Luc ook effectief zijn dreigement uit. (Wat hij voordien niet altijd deed.) Daarnaast legt hij ook duidelijk uit, waarom hij de jongere in afzondering heeft geplaatst.

In de literatuur wordt beschreven hoe weerstandig gedrag doorbroken hoort te worden, met name door het effectief uitvoeren van de gestelde consequenties. Daarnaast wordt binnen elke theoretische achtergrond geopperd voor duidelijkheid omtrent de consequenties.

Na vergelijking van de observaties, bleek dergelijke informatie uit de presentaties toegepast te worden in de praktijk. Daarnaast werd hier ook veel over gecommuniceerd met de leerkrachten, wie de effectiviteit ervan persoonlijk aanvoelden. Er kwamen voornamelijk reacties op het feit dat er minder conflictsituaties en afzonderingen voorkwamen, dat de leerkrachten zich op het einde van de dag minder gestresseerd voelden en ook de jongeren gaven aan dat ze zich rustiger en meer begrepen voelden. De relatie leerkracht-leerling ging er duidelijk op vooruit.

Besluit

Wanneer wordt terug gekeken naar de hoofdvraag, met name "Is psycho-educatieve vorming over de voorkomende stoornissen binnen een onderwijsproject van een gemeenschapsinstelling een meerwaarde voor zowel de jongeren als de leerkrachten?", kan worden besloten dat psycho-educatie een meerwaarde kan bieden. Zowel de leerkrachten als de leerlingen ervoeren de verandering op een geheel eigen manier. Door de leerkrachten informatie te bieden, kregen ze inzicht in zowel de noodzaak ervan, als in hun eigen handelen. Doordat ze, aan de hand van de veranderingskaart, wisten welke richten ze hoorden uit te gaan, richtten ze zich voornamelijk op de ondersteuning van de theorie om zich praktisch aan te passen. De spanningen waren duidelijk minder, voor zowel de leerkrachten als de leerlingen.

"I cannot teach anybody anything, I can only make them think."
- Socrates

References
Psycho-educatie
H. van den Berg, B. Meijer. (2006). Zakwoordenboek van de psychiatrie. Elsevier
Gezondheidszorg.
E. Hoencamp, P.M.J. Haffmans. (2008). Psycho-educatie in de GGz en de
verslavingszorg, theorie en praktijk. Assen: Van Gorcum.
A. Van Dam, C. Van Tilburg. (2007). Psychotherapie in de praktijk,
groepsgedragstherapie bij agressie. (p. 187-193) GA Houten: Bohn Stafleu van
Loghum.
G. Pitschel-Walz, J. Bäuml, W. Bender, RR. Engel, M. Wagner, W. Kissling. (2006).
Psychoeducation and compliance in the treatment op schizophrenia: results of the
Munich Psychosis Information Project Study.
Gevonden op 26 september 2009 via de databank Pubmed:
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16649832
J. Bäuml, T. Froböse, S. Kraemer, M. Rentrop, G. Pitschel-Walz. (2006).
Psychoeducation: a basic psychotherapeutic intervention for patients with schizophrenia
and their families.
Gevonden op 26 september 2009 via de databank Pubmed:
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16920788?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.P
Entrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_DiscoveryPanel.Pubmed_Discovery_PMC
&linkpos=2&log$=citedinpmcreviews&logdbfrom=pubmed
JM. Ranz, BT. Horen, WR. McFalane, JM. Zito. (1991). Creating a supportive
environment using staff psychoeducation in a supervised residence.
Gevonden op 26 september 2009 via de databank Pubmed:
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/1743645?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PE
ntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_DefaultReportPanel.Pubmed_RVDocSum
S. Hellwig-Brida, S. Mangold, L. Goldbeck. (2009). The parent questionnaire ?ADHD-
knowledge and motivation for treatment? ? development and first results.
Gevonden op 26 september 2009 via de databank Pubmed:
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19739062?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.P
Entrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_DefaultReportPanel.Pubmed_RVDocSum
AN. Mendenhall, MA. Fristad, TJ. Early. (2009). Factors influencing service utilization
and mood symptom severity in children with mood disorders: effects of multifamily
psychoeducation groups (MFPGs).
Gevonden op 26 september 2009 via de databank Pubmed:
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19485588?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.P
Entrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_DefaultReportPanel.Pubmed_RVDocSum
Cum cura. (2008). Praktijk voor psychosociale begeleiding.
Gevonden op 31 januari 2010 via Google Scholar:
http://www.cumcura.nl/ADHD.htm
E. Vanspranghe, P. Vermeulen. (2004). Psychologische begeleiding van mensen met
autisme.
Verkrijgbaar via http://scholar.google.be/scholar?q=%22Psycho-
educatie%22+AND+%22Autisme%22&hl=nl&um=1&ie=UTF-8&oi=scholart
Accare. (2008). Forensische Jeugd- en orthoPsychiatrie Noord-Nederland.
Verkrijgbaar via http://www.accare.nl
Gedragsproblemen
Gevonden in Thesaurus Zorg en Welzijn:
http://www.thesauruszorgenwelzijn.nl/probleemgedrag.htm
J.D. van der Ploeg. (1997). Gedragsproblemen: ontwikkelingen en risico?s. Rotterdam:
Lemniscaat.
M. Serruys. (2008). Aan de rand in het midden, probleemgedrag bij mensen met een
autismespectrumstoornis en een verstandelijke beperking. Antwerpen: Garant.
G. Vaessen. (2008). Gedragsproblemen bij jongeren met psychiatrische stoornissen,
best practice handelingsplannen voor de praktijk van alledag. Antwerpen: Garant.
Comité voor Bijzondere Jeugdzorg Brugge (Red.). (2000). Probleemgedrag op school.
Antwerpen: Garant.
J. Gielen. (1998). Human behavior, wangedrag.
Verkrijgbaar via: http://library.thinkquest.org/26618/dutch/index.html
D. Burssens. (2004). Jeugd en delinquentie. Over daders, slachtoffers, precentie en
aanpak.
Verkrijgbaar via: http://www.jeugdonderzoeksplatform.be/publicaties/delinquentie.PDF
J. Vanacker. (2010). Gedragsproblemen, opvoedingsproblemen, jeugdcriminaliteit, een
visie op de wereld.
Verkrijgbaar via: http://www.ministrando.org/
ABC- model
G. Jacobs. (2008). Rationeel-emotieve therapie. Een praktische gids voor
hulpverleners. GA Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
T. Hamer. (2007). Achtergronden en behandeling van agressief gedrag bij ouderen met
dementie. Onuitgegeven cursusmateriaal voor het tweede jaar bachelor geneeskunde,
Universiteit Gent.
B. Op de Beeck, H. Vints, L. Schoofs. (2009). NAH en cognitieve revalidatie.
Onuitgegeven cursusmateriaal voor het derde jaar bachelor ergotherapie, Katholieke
Hogeschool Kempen, Departement gezondheidszorg en chemie Geel.
H. Nijveld. (2009). ABC?s van gedragsverandering.
Verkrijgbaar via: http://www.spottraining.nl
De Dobbelaere, Tanita 2010
24 KHK_ETD PDF Verhuizen vind ik niet fijn : Adviezen voor katteneigenaars
keywords Ecology Biomedical sciences Animal ecology

degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  In de dierenartsenpraktijk stellen veel klanten uiteenlopende vragen over het gedrag van hun kat. Vaak is het de taak van de dierenartsassistenten om deze vragen te beantwoorden, zij moeten dus goed op de hoogte zijn van het complex gedrag ...
van dit populaire huisdier. Dit eindwerk probeert duidelijke informatie te verstrekken voor de dierenartsassistent over het sociale en territoriale gedrag van de huiskat en probeert een antwoord de formuleren op een aantal vaak voorkomende problemen.

Het werkstuk is na een grondige literatuurstudie tot stand gekomen en tracht te laten zien dat, hoewel de kat meestal wordt afgeschilderd als een solitair, onafhankelijk dier, het toch steeds duidelijker wordt dat de sociale verhoudingen bij katten meer complex zijn. De kat blijkt volledig in staat om met soortgenoten, andere huisdieren en mensen vreedzaam samen te leven. Toch heeft de huiskat nog vele eigenschappen gemeen met haar wilde soortgenoten. Dit uit zich het meest in een groot scala aan geluiden en lichaamshoudingen. Aan de stand van de ogen, oren, rug en ledematen kunnen we direct en precies de stemming van de kat aflezen. Ook toont het territoriale gedrag van de kat dat ze nog steeds kan fungeren als een onafhankelijk dier. Eens het sociale en territoriale gedrag van de kat duidelijk is, kunnen we hierop inspelen om bepaalde situaties en veranderingen vlot te laten verlopen.

References

Bateson, P., & Turner, D.C. (1994) De wereld van de kat. Alblasserdam: Offsetdrukkerij
Kanters B.V.
Budiansky, S. (2002). Het karakter van katten. Herkomst, intelligentie en gedrag van de
Felis silvestris catus. Nieuwegein: Hentenaar Boek.
Bradshaw, J. (1991). The Behaviour of the domestic cat. C.A.B. International.
Bruin, S. (2007) Wat denkt mijn kat van mij. Solo Uitgeverij.
Case, L.P. (2003). The cat. Its behaviour, nutrition & health. Iowa: Iowa State Press.
Dhooghe, W. Reizen met huisdieren.
Gevonden op 17 maart op het internet:
http://www.diplomatie.be/nl/travel/petsdetail.asp?TEXTID=4209
Edney, A. (2006). Uw kat in topconditie. Baarn: Tirion.
Fields-Babineau, M. (2007). Uw kat trainen en opvoeden. ZNU NV.
Flint, E.,& Meadows, G. Complete raadgever katten. Aartselaar: Deltas.
Fogle, B. (2003). Kattenvraagbaak. Abcoude: Fontaine Uitgevers bv.
Fogle, B. (1997). Het instinct van uw kat. Meppel: Krips bv.
Gaus, M. (1997). Kattenmanieren: leer uw kat beter begrijpen. Baarn: Tirion.
Katten opvoeden: een vak apart.
Gevonden op 25 maart 2007 op het internet:
http://www.vvd-dierenkliniek.be/varia/info.cat.conditioning.asp
Klinka, C. (2005). Raadgever huisdieren. De beste verzorging voor uw kat. ZNU NV.
Leyhausen, P. (1979). Cat behavior: the predatory and social behavior of domestic and wild
cats. Garland series in ethology. New York: Garland STPM Press.
Masterfoods Veghel bv. (2006). Een kat verhuizen.
Gevonden op 4 april 2007 op het internet:
http://www.whiskas.nl/content/alles_over_katten/artikel_kat_verhuizen.asp
Morris, D. (1993). Waarom spinnen katten. Houten: Unieboek.
Müller, U. (1984). Het nieuwe kattenboek: aanschaf, verzorging, voeding, ziekten en fokken.
Amsterdam: Elsevier.
Tabor, R. K. (1983). The wild life of the domestic cat. London: Arrow Books.
Turner, D.,& Bateson, P.P.G. (1988). The Domestic cat: the biology of its behaviour.
Cambridge: Cambridge University Press.
Vesey-FitzGerald, B. (1969). The domestic cat. London: Pelham.
Vigne JD, Guilaine J, Debue K, Haye L, & G?erard P. (2004). Early taming of the cat in
Cyprus. Science (New York, N.Y.). 304(5668), 259.
Vleesschouwers, K. (1992). Dr. Vleeschouwers? kattenboek. Tielt: Lannoo.
Warrlich, A. (2002). Mens en kat: plezier en vriendschap. Baarn: Tirion uitgevers.
Dewinter, Karen 2007
25 KHK_ETD PDF Communiceren met paarden
degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  Of het nu gaat om een trekpaard of een draver, een troeteldier of werkpaard, alle paarden hebben nog steeds een wild dier in zich. Hun natuurlijke instincten, het gedrag dat in hun genen is opgeslagen en hen in staat heeft gesteld tot op he ...
den te overleven, ligt bij elk paard vrij dicht onder de oppervlakte. Het is een bewijs van het enorme aanpassingsvermogen van paarden dat ze zich ook in de wereld van de mens weten te handhaven. Wij vragen immers zoveel vreemde dingen van hen, soms zelfs zonder te bedenken hoe vreemd deze in de ogen van een paard zijn. Vele problemen die de mens ervaart met een paard komen voort uit het feit dat hij de fundamentele verschillen tussen mensen en paarden niet wil zien. De mens is het roofdier en het paard het prooidier. In feite proberen paarden vaak domweg hun leven te redden als ze weigeren een trailer in te gaan of een rivier in te lopen, wegrennen voor een groot voertuig, hun voeten niet laten oppakken, enzovoort. Een paard heeft altijd een goede reden voor zijn gedrag. Paarden kunnen niet anders zijn dan paarden. Ze zullen ten opzichte van de mens en andere diersoorten hun eigen signalen gebruiken om zijn gevoelens over te brengen. Hoe verder de diersoorten van elkaar verwijderd zijn, hoe moeilijker het is om communicatie tussen beide tot stand te brengen. Paarden hebben geen menselijke drijfveren zoals wraaklust en proberen het leven van hun eigenaar niet opzettelijk te verpesten. Het is aan de mens om te ontdekken waarom een paard zich op een bepaalde manier gedraagt en de vele signalen op te vangen die het voortdurend afgeeft. Door onze paarden te observeren en te verstaan, kunnen we een fantastische band met hen opbouwen omdat we hun gedrag begrijpen en onze training aanpassen aan de behoefte van het paard en de manier waarop het leeft. Door een goede omgang met paarden kunnen klachten verdwijnen of voorkomen worden. Wanneer de samenwerking tussen eigenaars en paard echter slecht is zullen de klachten zich vaak naar verloop van tijd weer herhalen. Altijd heeft het paard het gedaan. Mijn ervaring is dat het paard best wel wil samen werken, alleen begrijpt hij onze signalen niet. Wij hebben het paard gekocht en vinden dat hij dus naar ons moet luisteren. Daarbij realiseren zich weinig mensen dat wij in de wereld van het paard zijn gekomen en dat het paard in eerste instantie niet vrijwillig in onze wereld is gekomen. Doen we er dan niet beter aan om de taal van de paarden te spreken in plaats van ze onze taal op te leggen, een taal die ze toch nooit zullen begrijpen?

References
Geeroms, A. (2002). Beestig africhten. Psychologische basis voor een positief omgaan
en werken met paard en mens. Erpe-Mere: André Geeroms.
Peace, M., Bayley, L. (2003). Beter omgaan met uw paard. Utrecht: Veltman.
Irwin, C. (1999). Een paard liegt niet. De magie van het paardenfluisteren. ?s-
Gravenhage: BZZTôH.
Vroest, E. (1999). Freestyle training. Fase 1. Ruinerwold: Freestyle Ruitershop.
Vroes, E. (2000). Freestyle training. Fase 2. Ruinerwold: Freestyle Ruitershop.
Roberts, M. (2001). Gezond verstand. De weg naar een betere communicatie tussen
mensen via de taal van het paard. Baarn: Tirion.
Mary, R. (2000). Handboek voor de stalmeester. Baarn: Tirion.
Edwards, E. (1994). Het mooiste paardenboek. AL Weert: MCMXCII
Middel, E., Coverdale, M. (2000). Het paard als partner. Zes visies op Natural
Horsemanship. AH Baarn: Bosch en Keuning.
Desmond, M. (1990). Hoe lang slapen paarden. Utrecht: Van Holkema en Warendorf.
Gohl, C. (1993). Hoe verzorg ik mijn paard? Handigheden, tips en huismiddeltjes voor
een optimale verzorging. Baarn: Tirion.
Bayley, L., Maxwell, R. (1997). Luister naar uw paard. Lisse: Zuid Boekenprodukties.
Ballereau, J., Delaborde, G. (1995). Ons eigen paardenboek. Een paard als vriend.
Spanje: Casterman.
Von Neumann, I., Nebe, G. (s.a.). Paarden beter begrijpen. Baarn: Tirion.
Hempfling, K. F. (2003). Paarden persoonlijkheden. Alle paardentypen beschreven in 26
karaktergroepen. Baarn: Tirion.
Blake, H. (1996). Paardentaal: Het denken en communiceren van paarden. s.l.: La
Rivière en Voorhoeve.
Literary Rights International. (1996). Paardrijden. Het fijnste dat er is. EU: Atlas.
Walrond, S. (1984). Probleempaarden en paardeproblemen. Voorkomen en verhelpen
van meer dan 50 problemen. s.l.: La Rivière en Voorhoeve.
Zoller, K. (2001). Problemen met het paard. Stap voor stap naar een harmonische
samenwerking. AH Baarn: Bosch en Keuning.
Bartz, J. (1997). Tot de dierenarts komt. Eerste hulp voor paarden. Schoten: Westland.
Communiceren met paarden.
Tellington-jones, L. (1998). TTeam en TTouch in vraag en antwoord. Schoten: Westland.
Bayley, L. (2004). Wat denkt mijn paard? Leer het gedrag van uw lievelingsdier
begrijpen. China: Tirion.
Caethoven, Nele 2006
26 KHK_ETD PDF Pesten op school, een echte pest! : Bevraging van personeelsleden van de 2de graad in een secundaire school
degree Bachelor - Bachelor in de verpleegkunde: ziekenhuisverpleegkunde

  Vertrekkende vanuit de principes van gezondheidspromotie zal een aanzet worden gegeven om nieuwe gevallen van pestgedrag te doen verminderen en bestaande problemen op te lossen.
Pesten is een vorm van agressief gedrag dat wordt gekenmerkt ...
door herhaalde handelingen tegenover een slachtoffer dat zichzelf niet makkelijk kan verdedigen. Pesten kan bestaan uit directe lichamelijk of verbale aantijgingen, maar omvat ook andere vormen van agressie zoals het uitsluiten van anderen of roddelen.
In het theoretisch gedeelte wordt een inleiding over het onderwerp pesten gegeven. Een korte geschiedenis over het onderzoek naar pesten wordt beschreven en de frequenties van pestgedrag in verschillende landen wordt weergegeven. De resultaten worden weergegeven over pestgedrag en de betrokkenheid van leerkrachten, ouders, en klasgenoten rondom pestincidenten. De resultaten laten zien dat pestgedrag nog steeds veel voorkomend is op Nederlandse en Belgische scholen. Een aanzet wordt gegeven tot preventieve maatregelen en mogelijk manier van aanpak.
In het praktisch gedeelte, wordt getracht de kennis, acties en reacties van leerkrachten en begeleidend personeel van een 2e graad in een secundaire school in kaart te brengen. Verder worden de resultaten besproken en worden enkele suggesties gegeven voor de betrokken school en een mogelijk vervolgproject.
Van Der Auwera, Dennis Vancampfort, Benny Van de Heyning, Hans Van Hoolst, Rob 2008
27 KHK_ETD PDF Welzijn bij legkippen : Proeven op verrijkte kooien
keywords Biomedical sciences Agronomics Aviculture

degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  Kritische consumenten stellen zich meer en meer vragen omtrent productiemethoden, ook over het welzijn van dieren op landbouwbedrijven. Deze kritische ingesteldheid kent een serieuze opmars sinds het begin van de jaren '80 en wordt mee in d ...
e hand gewerkt door dierenrechtenorganisaties zoals GAIA.
Mede hierdoor ging de Europese commissie op 19 juli 1999 over tot de beslissing om vanaf 1 januari 2012 batterijkooien te verbieden in heel de Europese Unie. In de pluimveesector is men naarstig op zoek naar alternatieven die conform de nieuwe Europese regelgeving zullen zijn.
Deze zijn er onder de vorm van volières, vrije uitloopsystemen en scharrelstallen, waarbij de kippen niet meer opgesloten zitten in een kooi. Maar deze systemen zijn duur en kennen een hoop nadelen.

Een van de meest veelbelovende alternatieven is de verrijkte kooi. Deze kooi zou het welzijn van de Europese legkip aanzienlijk moeten verbeteren tegenover het meest populaire huisvestingssysteem dat momenteel nog in gebruik is: de batterijkooi. De verrijkte kooi zou de voordelen van de batterijkooi moeten combineren met een aantal welzijnsverbeteringen die moeten instaan voor de minimumvereisten aan welzijnsvoorzieningen. Deze welzijnsvoorzieningen werden wettelijk bepaald in een Europese richtlijn die door elke lidstaat van de EU omgezet dient te worden in een nationale wetgeving. De voornaamste welzijnsverbeteringen zijn de inpassing van een legnest, een zitstok, een scharrelmat en een schuurstrip. Deze welzijnsverbeteringen zijn de meest elementaire voorzieningen die nodig zijn voor de kip om in artificiële omstandigheden te kunnen voldoen in de meeste van hun natuurlijke gedragingen.
Er bestaan vele meningen over dierenwelzijn, maar wat belangrijk is, is dat het natuurlijk gedrag van kippen gekend is vooraleer men welzijn gaat beoordelen. En dat is precies wat in dit eindwerk beschreven staat.

Om de effecten van deze verrijkingen na te gaan werd een aantal proeven gehouden in twee verschillende kooitypes van de verrijkte kooi.
Zo werd gekeken naar het zitstokgebruik, het gebruik van de scharrelmat, de kwaliteit van het vederdek, de nagellengte en de sterfte.

Omdat welzijn hoofdzakelijk een vraag is van dierenrechtenorganisaties en de consument, werd ook gekeken naar de effecten voor de pluimveelhouder. Dit vertaalt zich in onderzoekingen naar de eiproductie in relatie met het hengewicht en de voederconversie en ook het aantal buiten nest eieren.
Vanham, Johan 2005
28 KHK_ETD PDF Laat plagen geen pest worden : Een integrale en preventieve aanpak van pesten op het Sint-Claracollege
degree Bachelor - Bachelor in onderwijs: secundair onderwijs

rights Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works

  Pesten op school is een probleem dat de laatste jaren sterk in de belangstelling is komen te staan. Ook de media besteed er meer en meer aandacht aan.

Denken we maar aan de film Ben X, de postbode uit Woluwe die na jarenlange terreur ...
een einde maakte aan zijn leven, ... . De verhalen maken duidelijk dat pesten niet stopt bij de schoolpoort en dat slachtoffers van pesterijen de gevolgen jarenlang kunnen meedragen. Dit maakt dat het een maatschappelijk probleem is en dat het ook de maatschappij zal zijn die iets aan het probleem kan doen.

Omdat ieder van ons deel uitmaakt van die maatschappij kan ieder individu alvast zijn duit in het zakje doen.

Ik hoop dan ook met dit eindwerk een gestructureerde samenvatting aan te bieden voor personen die iets tegen pesten willen ondernemen. Het eindwerk is opgebouwd in een tweeledige structuur. In hoofdstuk 1 vindt u een algemeen deel waarin ik het pesten probeer te definiëren en te omschrijven. In het tweede deel spits ik me toe op preventie van pesten door gebruik te maken van de preventiepiramide. Hierbij wordt eerst de theorie van de preventiepiramide onder de loep genomen om zo tot een uitgewerkte preventiepiramide te komen voor mijn stageschool.

References
Boeken:
? De Bock, W., (2003) Je bereikt niets met alleen maar gele en rode
kaarten. Brandpunt, 30, p. 28-29.
? De Bock, W., (2008) Beter voorkomen dan genezen. Brandpunt 35, p. 4-5.
? Deboutte, G., (2000).Pesten wat is het, wat doe je eraan. Mechelen:
Bakermat uitgevers.
? Deklerck, J., (2001). Naar een fundamentele criminaliteitspreventie.
Welzijnsgids, 40, p. 1-44.
? Deklerck, J., (2005). Verbondenheid: kans tot existentieel leren in
onderwijs en jeugdhulpverlening. In L. Lacombe, R. Loosveldt & L. Van der
Vorst (Eds.), Grenzen. Begripsvolle grenzen en grenzen aan begrip.
Kortrijk: Lemmens & Maes. p. 166-182.
? Dijkstra, J. K., & Veenstra, R. (2005). Jong probleemgedrag als voorspeller
voor latere criminaliteit. Tijdschrift voor Criminologie, 47, p. 300-306.
? Emmerechts, S., (2001). Pesten op school. Antwerpen: Manteau uitgeverij.
? Laevers, F., & Verhoeven, A. (2003). Procesgericht Leerlingvolgsysteem
voor 12- tot 18-jarigen, Achtergrond en praktijksuggesties. Leuven: CEGO
Publishers.
? Leonard, H. (2008) cursus bij nascholing omgaan met pesten in het
secundair onderwijs.
? Olweus, D., (1992) treiteren op school, omgaan met pestkoppen en
zondebokken in de klas. Amersfoort: College Uitgevers
? Robinson, G., (2003). Een schreeuw om hulp, de No Blame-aanpak bij
pesten. Mechelen: Manteau uitgevers.
? Stevens, V., Van Oost, P., (1995). pesten op school een actieprogramma.
Leuven: Garant.
? Vanachteren, P., (2006). Werkmap welbevinden op school, samen werk
maken van meer welbevinden. Leuven: Cego Publishers
? Vanden Berghe, J. (2006) Koerier Dossiers Pax Christi, peermediation.
Sint-Niklaas: Room
? Van der Meer, B., (2002). Kinderen en pesten, wat volwassenen ervan
moeten weten en aan kunnen doen. Utrecht: Kosmos-Z&K Uitgevers.
? Van der Meer, B., (1988). De zondebok in de klas. ?s-Hertogenbosch-
Nijmegen
? Vettenburg, N., Elchardus, M., & Walgrave, L. (2007). Jongeren in
cijfers en letters. Leuven: Lannoo Campus.
? Walgrave, L. (2004). Herstelrecht en de wet. In B. Van Stokkom
(Ed.), Straf en herstel: ethische reflecties over sanctiedoeleinden
(p. 69-90). Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
Artikels:
? Graindourze, L. De No Blame-aanpak bij pesten. Afgehaald op 1 mei 2009
http://caleidoscoop.bmgroup.be/index.php?ID=36810
? Burssens, D. (2004). Jeugd en delinquentie. Over daders, slachtoffers,
preventie en aanpak. Afgehaald op 9 april 2009 van
http://www.jeugdonderzoeksplatform.be/publicaties/delinquentie.PDF
? Deklerck, J. (n.d.). Existentiële kwetsbaarheid. Over jeugddelinquentie en
de postmoderne samenleving. Afgehaald op 9 april 2009 van
http://alum.kuleuven.be/3deleeftijd/archief%20lezingen/Samenvatting%2
0Deklerck%202008.doc
? Deboutte, G. (n.d.). Geweld op school: de zoektocht naar een gepast
antwoord. Afgehaald op 8 april 2009 van
https://cygnus.cc.kuleuven.be/webapps/portal/frameset.jsp?tab=courses&
url=/bin/common/course.pl?course_id=_129853_1
? Deboutte, G., & Deklerck, J. (2006). Module B, Unit B1. De ?whole school
approach?: wat, waarom, waartoe (G. Deboutte, Vert.). Afgehaald op 7
april 2009 van
http://www.vista-europe.org/downloads/Flemish/B1f.pdf
? Deboutte, G., Deklerck, J., O?Moore, A. M., & Minton, S. J. (2006). Module
B, Unit B3. Verbondenheid als fundament voor een positieve en
respectvolle schoolcultuur (G. Deboutte, Vert.). Afgehaald op 8 april 2009
http://www.vista-europe.org/downloads/Flemish/B3f.pd
? Depuydt, A. (2005). Visie van het Project Verbondenheid. Afgehaald op 9
april 2009 van
http://www.law.kuleuven.be/PCW/visie.html
? Ertesvag, S. K. (2006). Module E, Unit E5. Samen op één lijn: naar een
gedeelde kijk op pesten en geweld (G. Deboutte, Vert.). Afgehaald op 10
april 2009 van
http://www.vista-europe.org/downloads/Flemish/E5f.pdf
? Ertesvag, S. K. & Samuelsen, A. S. (2006). Module A, Unit A2. Agressie en
geweld op school: wat leren onderzoek en praktijk (G. Deboutte, Vert.).
Afgehaald op 9 april 2009 van
http://www.vista-europe.org/downloads/Flemish/A2f.pdf
? Patfoort, P. (n.d.). Geweldloos omgaan met elkaar. Afgehaald op 1 mei
2008 van
http://www.patpatfoort.be/Tekst%201.pdf
? Ortega, R., Sanchez, V., Van Wassenhoven, L., Deboutte, G. & Deklerck, J.
(2006). Module 1, Unit A1. Agressie en geweld op school: definities,
situering en achtergrondinformatie (G. Deboutte, Vert.). Afgehaald op 10
april 2009 van
http://www.vista-europe.org/downloads/Flemish/A1f.pdf
? VZW zinloos geweld. vlinderslag Informatief spel voor het onderwijs.
Afgehaald op 10 april 2009 van
http://www.zinloosgeweld.net/content/projecten/informatiefspel.php
? Vandenbroucke, F. (13 november 2007). Leerlingen en leraars betrekken
bij uitstippelen preventieve maatregelen tegen geweld. Toespraak van de
Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming. Afgehaald op 3 maart
2009 van
http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/toespraak/071113-geweld.htm
Frederickx, Bert 2009
29 KHK_ETD PDF Een vermoeden van kindermishandeling in de verpleegkunde
degree Bachelor - Bachelor in de verpleegkunde: kinderverpleegkunde

  De doelstelling van mijn AP is dat verpleegkundigen verschillende signalen van kindermishandeling kunnen observeren en herkennen. Ook dienen verpleegkundigen het handelen bij een vermoeden van kindermishandeling te kennen.

Voornamelijk ...
hoofdstuk 3 beantwoord aan de doelstelling van mijn AP. Het is afgebakend tot een vermoeden van lichamelijke kindermishandeling in de verpleegkunde omdat deze vorm van kindermishandeling het meest voorkomt (Kind & Gezin, 2004). Er wordt uitgebreid aandacht besteed aan de verschillende signalen die zich kunnen voordoen bij een vermoeden van lichamelijke kindermishandeling. Verpleegkundigen dienen immers verschillende signalen van kindermishandeling te kunnen herkennen en observeren. De signalen worden ingedeeld in fysische en psychische signalen.

De fysische signalen bestaan uit brandwonden, hematomen en contusies, bijtwonden, steek- en snijwonden, fracturen, abdominale letsels en hoofdletsels. Ze worden elk ingedeeld in accidentele en niet-accidentele letsels. Hierbij is het belangrijk dat verpleegkundigen een kleine nuancering in acht nemen. De indeling volgens accidentele en niet-accidentele letsels is geen absolutie! Een voorbeeld van een uitzondering hierop is dat brandwonden ter hoogte van de handzolen volgens de literatuur veroorzaakt worden door kindermishandeling. Uiteraard kunnen deze ook accidenteel ontstaan. Dit zorgt ervoor dat het onderscheiden van accidentele en niet-accidentele letsels voor verpleegkundigen niet altijd even makkelijk is. Als hulpmiddel hierbij kunnen ze gebruik maken van de richtlijnen om accidentele letsels van niet-accidentele letsels te onderscheiden. Ook multidisciplinair overleg kan hierbij verhelderend werken.

De psychische signalen bestaan uit agressie, angst voor lichamelijk contact, depressie en verslaving. Ze worden ingedeeld in vroegtijdige en laattijdige signalen. Ook deze signalen zijn geen absolutie! Een voorbeeld van een uitzondering hierop is dat niet alle lichamelijk mishandelde kinderen agressief gedrag zullen vertonen. Ook de leeftijd, de duur en de ernst van de mishandeling spelen een grote rol bij de ontwikkeling van psychische signalen.

Ook dienen verpleegkundigen het handelen bij een vermoeden van kindermishandeling te kennen. Dit bestaat uit een soort stappenplan. Als eerste dient er een anamnese afgenomen te worden. Ten tweede worden de fysische en psychische signalen van lichamelijke kindermishandeling nagegaan. Ten derde is er de diagnosestelling. Een diagnose kindermishandeling wordt altijd gesteld door de verantwoordelijke arts. Verpleegkundigen kunnen de arts hierin wel bijstaan. Als hulpmiddel hierbij kan het sputovamo-formulier gebruikt worden. En als laatste dient er een melding gedaan te worden. In het ziekenhuis gebeurt dit meestal door een sociaal verpleegkundige in samenspraak met de arts. Uiteraard dienen andere verpleegkundigen hiervan ook op de hoogte te zijn.





References

Tijdschriftartikelen
Compernolle, T. (1999). Artsen hebben weinig oog voor kindermishandeling. Kind &
Ziekenhuis, 22, 68-70.
Lukkassen, I.M.A., Bosschaart, A.N., Markhorst, D.G. (2008). Huis-tuin-en-
keukenvalpartijen: doorgaans geen goede verklaring voor ernstig letsel. Tijdschrift
kindergeneeskunde, 76, 291-295.
Verdouw, R., Bilo, R.A.C. (2007). Een baby met een heetwaterverbranding: accidenteel
of niet accidenteel? Tijdschrift geneeskunde, 10, 16-17.
Boeken
Adriaenssens, P., Eggermont, E., Lampo, A., Lenaerts, M., Marneffe, C., Michiels, M.
(1990). Kindermishandeling en ? verwaarlozing in Vlaanderen. Leuven: Acco.
Adriaenssens, P., Smeyers, L., Ivens, C., Vanbeckevoort, B. (1998). In vertrouwen
genomen. Tielt: Lannoo.
Baartman, H.E.M. (1997). Opvoeden kan zeer doen: oorzaken van kindermishandeling,
hulpverlening en preventie. Utrecht: Uitgeverij SWP.
Bilo, R.A.C. (1990). Vroege signalering van kindermishandeling. Lochem: De
Tijdstroom.
De Groof, K., De Gendt, T. (2008). Kans op slagen: Een integrale kijk op geweld in
gezinnen. Leuven: LannooCampus.
Derksen-Lubsen, G., Van Steensell-Mol, H.A., Visser, H.K.A. (1994). Compendium
kindergeneeskunde: diagnostiek en behandeling. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Vecht, R. (2000). Munchausen by proxy. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Dillen, A., Burggraeve, R., De Tavernier, J., Hanssens, J., Pollefeyt, D. (2006).
Wanneer ?liefde? toeslaat. Leuven: Davidsfonds.
Erol, E., Hoes, M. (2009). Op het spoor van kindermishandeling: Een outreachende
benadering. Soest: Uitgeverij Nelissen.
Jochems, A.A.F., Joosten, F.W.M.G. (2003). Zakwoordenboek der geneeskunde.
Doetinchem: Elsevier Gezondheidszorg.
Turner, N.M., Bierens, J.J.L.M. (2005). Het vitaal bedreigde kind. Doetinchem: Elsevier
Gezondheidszorg.
Van Dantzig, A. (2000). Mensen onder elkaar: essays over geestelijke
gezondheidszorg. Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Van den Brande, J.L., Heymans, H.S.A., De Kock, I., Monnens, L.A.H., Den Ridder, K.,
Ulijn, R. (2003). Kindergeneeskunde voor kinderverpleegkundigen. Doetinchem:
Elsevier Gezondheidszorg.
Van der Straete, I., Put, J. (2006). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: die Keure
Vecht, R. (2000). Munchausen by proxy. Gestoord ouderschap ? zieke kinderen.
Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Internetbronnen
Horen, zien en praten. Vormen kindermishandeling.
Gevonden op 9 maart 2009 op het internet:
http://www.horenzienenpraten.be/vormenkinderen.htm
Kinderrechtencommissariaat. Kinderrechteninfo.
Gevonden op 22 maart 2009 op het internet:
http://www.kinderrechten.be/Content.aspx?PageAction=Detail&pagId=51294&parpagId
=51294
Kinderrechtencommissariaat. Kinderrechtenverdrag.
Gevonden op 25 maart 2009 op het internet:
http://www.kinderrechten.be/Content.aspx?pageAction=Detail&pagId=51477&parpagId=
51294)
Kinderrechtencommissariaat. Over ons.
Gevonden op 3 juli 2009 op het internet:
http://www.kinderrechtencommissariaat.be/Content.aspx?PageAction=Detail&pagId=50
206&parpagId=50206
Kind & Gezin. (2002). Cliëntenregistratie kindermishandeling bij de Vertrouwenscentra
Kindermishandeling in Vlaanderen: afkomst van de meldingen uit de gezondheidszorg.
Gevonden op 18 maart 2009 op het internet:
http://www.kindengezin.be/Images/KindermishandVlaandpr_tcm149-46632.pdf
Nederlands Jeugdinstituut. (2008). Gevolgen van kindermishandeling: psychische
gevolgen.
Gevonden op 22 juli 2009 op het internet:
http://www.nederlandsjeugdinstituut.nl/nji/dossierDownloads/Gevolgen_Kindermishande
ling.pdf
Studiedienst van de Vlaamse regering. Kindermishandeling: aantal meldingen bij de
vertrouwenscentra en betrokken kinderen.
Gevonden op 13 maart 2009 op het internet:
http://www4.vlaanderen.be/dar/svr/Cijfers/Pages/Excel.aspx#Kindermishandeling
Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. (2004). Evolutie van de meldingen: aantal
meldingen en aantal gemelde kinderen.
Gevonden op 13 maart 2009 op het internet:
http://www.kindermishandeling.org/VK/wat_doen_we/cijfergegevens/index.jsp
Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. (2004). Signalen: risicofactoren in de
gezinssituatie.
Gevonden op 5 juli 2009 op het internet:
http://www.kindermishandeling.org/VK/volwassenen/signalen/index.jsp
Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. (2004). Vormen kindermishandeling.
Gevonden op 9 maart 2009 op het internet:
http://www.kindermishandeling.org/VK/volwassenen/soorten/index.jsp
Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Antwerpen. (2004). Wat is
kindermishandeling?
Gevonden op 5 maart 2009 op het internet:
http://www.vkantwerpen.be/kindermishandeling.php
Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Brussel. Achtergronden van
kindermishandeling: ?kind? factoren.
Gevonden op 5 juli 2009 op het internet:
http://www.kindinnood.org/index?a=alg&b=achtergronden
Wikipedia. (2001). Kind.
Gevonden op 22 maart 2009 op het internet:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Kind
Mariën, Nathalie 2009
30 KHK_ETD PDF Leidraad voor puppyklassen gegeven door dierenartsassistenten
degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

award Royal Canin prijs

  Mensen hebben nood aan veel begeleiding en herhaaldelijke uitleg, daar vaak de essentiële achtergrond ontbreekt. Voor de dierenarts is dit vaak tijdrovend en moeilijk om deze mensen verder te begeleiden. Indien een dierenartsassistent(e) de ...
mogelijkheid kan aanbieden aan de eigenaars om puppyklassen op afgesproken tijdstippen te volgen, kan dit voor de eigenaars en de pups naar de toekomst toe tot bevredigende resultaten leiden. Dit omdat de tijdspanne beperkt is om de beginnende opvoeding te starten vooraleer de plasticiteit van de hersenen van de pup beëindigd.
Het doel van dit eindwerk is om een bruikbare leidraad te maken opdat een dierenartsassistente een puppyklas zou kunnen geven.

References
Appleby, D. (1999). Ain?t misbehaving: a good behavior guide for family dogs (2
Bristol: Broadcast books.
Appleby, D.L., Brandshaw, J.W.S., & Casey R.A. (2002). The relationship between
canine aggression and avoidance behaviour by dogs and their experience in the First six
months of their life, Veterinary Record, 150, 434-438
Beaumont-Graff, E., & Massal, N. (2008). Guide pratique du comportement du chien
dr.). Paris: Eyrolls.
Beaver, B.V. (1999). Neurologic Origins of Behaviour. In: Beaver B.V. (editor) A Guide
for Veterinarians, p. 69-72.
Bloom, F.E. ( 1996). Neurotransmission and the central nervous system. In: Hardman
J.G. and Limbird L.E. (editors) Goodman and Gilmman?s The Pharmocological Basis of
Therapeutics, McGraw-Hill. New York, p. 267-293.
Bowen, J., & Heath, S. (2005). Behaviour problems in small animals, practical advice
for the veterinary team (1
dr., 2
dr. in 2008). UK: Elsevier Sauders.
Bradshaw, L.W.S, & Lea, A.M. (1993). Dyadic interactions between domestic dogs
during exercise. Anthrozoos 5, 234-253.
Doedee, G. (2007). Gedragscursus module 1, gedragsherkenning, leerprocessen,
gedragsontwikkeling, relatie mens?hond en rassenleer. Onuitgegeven cursus voor het
tweede jaar opleiding bachelor in Agro- en Biotechnologie afstudeerrichting dierenarts-
assistent, Katholieke Hogeschool Kempen.
Heath, S. (1995). Socialising puppies. The veyerinary Record, July 22, 103.
Heath, S. (2005). Puppy behavior and training. Europa: Eukanuba
Houpt, K.A., & Takeuchi, Y., (2003). Behavior Genetics. Veterinary Clinics of North
America: Small Animal Practice, 33, 345-363.
Seksel, K. (2009). Why are puppy and kitten classes important to your practice.
Onuitgegeven congresnota?s NAVC Conference 2009, Sydney Animal Behaviour Service
Honorary Associate University of Sydney, University of Sydney, NSW, Australia.
Leys, F. (2008). Handleiding voor trainers van socialisatie en
gehoorzaamheidsprogramma?s. België.
Shepherd, K. (2002), Horwitz, D. (Ed.), & Mills, D. (Ed.), & Heath, S. (Ed.). BSAVA
manual of canine and feline behavioural medicine. Gloucester: British small animal
veterinary association. P. 8-20.
Landsberg, G., & Hunthausen, W., & Ackerman (2003). Handbook of behavior problems
of the dog and cat (2
dr.). Woburn: Butterworth-Heinemann.
Nelissen, DS (1996). Lexicon van de gedragsbiologie. Garant: Leuven / Apeldoorn, p. 7,
p. 77-78.
Overall, K.L., (2003). Clinical behavioural medicine for small animals. University of
Pennsylvania, Philadelphia.
Pageat, P. (1999). L?homme et le chien. Paris: Editions Odile Jacob.
Pageat, P. (1998). Pathologie du comportement du chien (2
dr.). Cedex: Collection
Médecine vétérinaire
Pluijmakers, J (2007). The history of modern dog training and its effects. Onuitgegeven
cursus voor het tweede jaar opleiding master in toegepast dierengedrag , Katholieke
Hogeschool Sint-Lieven.
Scott, J.P., & Fuller, J.L. (1965). Genetics and the social behavior of the dog: The
classic study. Chicago: The university of Chicago press.
Seksel, K. (1997). Puppy socialisation classes. Veterinary clinics of North America:
Small animal practice, 27 (3), 465-477.
Simpson, B.S. (1997). Canine communication. The veterinary behavior clinic, Southern
Pines, North Carolina, 27 (3), 445-464.
Vlaamse Diergeneeskundige Werkgroep Ethologie, & Kabinet van Minister van
Volksgezondheid, Consumentenzaken en Leefmilieu (2000). Symposium; Agressieve
honden problematiek: Een multifactoriële benadering. Onuitgegeven nota?s bij de
bijeenkomst van de V.D.W.E en het Kabinet van Minister van Volksgezondheid,
Consumentenzaken en Leefmilieu.
Gevonden op 25 november 2008 op het internet:
http://www.blauwehond.be/mythe.pdf
Gevonden op 29 maart 2009 op het internet:
http://www.pfizerah.nl/html/hond/frames/index_hond.htm
Gevonden op 29 maart 2009 op het internet:
http://www.vetinfo.com/dencyclopedia/deindex.html
Vangheluwe, Elien 2009
31 KHK_ETD PDF Invloed van de bezettingsgraad op gedragssynchronisatie bij vleeskuikens
degree Master - Master in de biowetenschappen: landbouwkunde

  Op 7 mei 2007 heeft de Europese Unie de nieuwe vleeskuikenrichtlijn goedgekeurd. De richtlijn gaat van kracht vanaf 30 juni 2010. De bezettingsgraad speelt een hoofdrol in de nieuwe vleeskuikenrichtlijn. Europa heeft namelijk beslist dat de ...
vleeskuikenhouders de bezettingsgraad moeten terugschroeven naar 33 kg/m². Aangezien de bezettingsgraad voor een groot deel het inkomen van de vleeskuikenhouders bepaalt, is deze maatregel een heikel punt. De vleeskuikenrichtlijn is er gekomen om het welzijn van de vleeskuikens te verbeteren. Wanneer vleeskuikens hun natuurlijk gedrag niet kunnen vertonen, is dit nadelig voor het dierenwelzijn. Vaak synchroniseren vleeskuikens hun gedrag. Wanneer de vleeskuikens dit doen bij een hoge bezettingsgraad, bestaat de kans dat er een gebrek aan ruimte ontstaat in het hok. Het doel van dit onderzoek is om na te gaan welke invloed de bezettingsgraad uitoefent op de gedragssynchronisatie bij vleeskuikens.

Bij de start van de proef waren er acht hokken met elk een verschillende bezettingsgraad. Na drie weken moest één hok uit de proef gehaald worden door een bacteriële infectie. Een camera legde elke week beelden vast van het gedrag van de vleeskuikens. Nadien kon ik de beelden bekijken en het gedrag van de dieren analyseren. Ik scoorde volgende gedragingen: rusten, staan, lopen, eten, drinken, exploratiegedrag, verzorgingsgedrag en agressie. Verder keek ik ook naar het aantal verstoringen van etende en rustende vleeskuikens. Ik telde per hok het aantal dieren dat een bepaald gedrag vertoonde. Dit aantal deelde ik door het totaal aantal aanwezige vleeskuikens in het hok. Hierdoor bekwam ik een percentage. Ik gebruikte deze percentages in de statistische verwerking. De meest extreme verschillen waren te vinden tussen het hok met de laagste bezettingsgraad en het hok met de hoogste bezettingsgraad. Dit verschil is het gevolg van een ruimtegebrek in het dichtst bezette hok. Verder waren er nog verschillen op te merken tussen de andere hokken. Deze verschillen waren echter niet zo extreem. Het aantal verstoringen van rustende en etende dieren bij een hok met een hoge bezettingsgraad versterkt het beeld van het ruimtetekort. In de hokken met een lage bezettingsgraad is duidelijk te zien dat de vleeskuikens elkaar minder storen omdat er meer ruimte is.

In de proef is gebruik gemaakt van verschillende dichtheden. De bezettingsgraden, die het dichtste aanleunen tegen de vooropgestelde bezettingen van de vleeskuikenrichtlijn, geven over het algemeen betere resultaten qua synchronisatiegraad dan de synchronisatiegraad van de hokken met een hogere bezettingsgraad. De vleeskuikens kunnen, bij de door de wet vastgestelde bezettingsgraad, hun natuurlijk gedrag beter synchroniseren. Dit heeft op zich een positief effect op het dierenwelzijn. Dit kan misschien de start zijn om de vleeskuikenrichtlijn ook als iets positiefs te bekijken. Verder onderzoek zou dit echter nog moeten bevestigen.

References
Andrews, S.M., Omed, H.M., & Phillips, C.J.C. (1997). The influence of a single or
repeated period of high stocking density on the behaviour and response to stimuli in
broiler chickens. Poultry Science, 76 (12), 1655-1660.
Arnould, C., & Faure, J.M. (2003). Use of pen space and activity of broiler chickens
reared at two different densities. Applied Animal Behaviour Science, 84 (4), 281-296.
Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct databank.
Arnould, C., Bizeray, D., Faure, J.M, & Leterrier, C. (2004). Effects of the addition of
sand and string to pens on use of space, activity, tarsal angulations and bone
composition in broiler chickens. Animal Welfare, 13 (1), 87-94.
Beauchamp, G. (2003). Group-size effects on vigilance: a search for mechanisms.
Behavioural Processes, 63 (3), 111-121. Gevonden op 4 september 2007 in de Science
Direct databank.
Bessei, W. (1992). Das Verhalten von Broilern unter intensiven Haltungsbedingungen.
Archiv für Geflügelkunde, 56 (1), 1-7.
Bessei, W. (1993). Der Einflu? der Besatzdichte auf Leistung, Verhalten und Gesundheit
von Broilern ? Literaturübersicht. Archiv für Geflügelkunde, 57 (3), 97-102.
Bessei, W. (2006). Welfare of broilers: a review. World?s Poultry Science Journal, 62
(3), 455-466.
Bizeray, D., Leterrier, C., Constantin, P., Picard, M., & Faure, J.M. (2000). Early
locomotor behaviour in genetic stocks of chickens with different growth rates. Applied
Animal Behaviour Science, 68 (3), 231-242. Gevonden op 3 juli 2007 in de Science
Direct databank.
Blair, R., Newberry, R.C., & Gardiner, E.E. (1993). Effects of lighting pattern and
dietary tryptophan supplementation on growth and mortality in broilers. Poultry
Science, 72 (3), 495-502.
Blokhuis, H.J. (1983). The relevance of sleep in poultry. World?s Poultry Science
Journal, 39 (1), 33-37.
Blokhuis, H.J. (1984). Rest in poultry. Applied Animal Behaviour Science, 12 (3), 289-
Blokhuis, H. J., & van der Haar, J. W. (1990). The effect of the stocking density on the
behaviour of broilers. Archiv für Geflügelkunde. 54 (2), 74?77.
Boa-Amponsem, K., Dunnington, E.A., & Siegel, P.B. (1991). Genotype, feeding
regimen, and diet interactions in meat chickens. 2. Feeding behaviour. Poultry Science,
70 (4), 689-696.
Bokkers, A.M., & Koene, P. (2002). Sex and type of feed effects on motivation and
ability to walk for a food reward in fast growing broilers. Applied Animal Behaviour
Science, 79 (3), 247-261.
Buyse, J., Simons, P.C.M., Boshouwers, F.M.G., & Decuypere, E. (1996). Effect of
intermittent lighting, light intensity and source on the performance and welfare of
broilers. Poultry Science, 52 (2), 121-130.
Byrne, R.W. (2005). Social cognition; imitation, imitation, imitation. Current Biology,
15, 498-500.
Cameron, E.Z., & Du Toit, J.T. (2005). Social influences on vigilance behaviour in
giraffes, Giraffa camelopardalis. Animal behaviour, 69 (6), 1337-1344
Campbell, A.C., & Reece, J.B. (2005). Biology. San Francisco: Pearson
Carmichael, N.L., Walker, A.W., & Hughes, B.O. (1999). Laying hens in large necks in a
perchery system: influence of stocking density on location, use of resources and
behaviour. British Poultry Science, 40 (2), 165-176.
Charles, R.G., Robinson, F.E., Hardin, R.T., & Yu, M.W. (1992). Growth, body
composition, and plasma androgen concentration of male broiler chickens subjected to
different regimens of photoperiod and light intensity. Poultry Science, 71 (10), 1595-
1605.
Classen, H.L., Riddell, C., & Robinson, F.E. (1991). Effects of increasing photoperiod
length on performance and health of broiler chickens. British Poultry Science, 32 (1),
21-29.
Clayton, D.A. (1978). Socially Facilitated Behaviour. The Quarterly Review of Biology,
53 (4), 373-392.
Connor, R.C, Smolker, R., & Bejder, L. (2006). Synchrony, social behaviour and alliance
affiliation in Indina Ocean bottlenose dolphins, Tursiops aduncus. Animal Behaviour, 72
(6), 1371-1378.
Conradt, L., & Roper, T.J. (2000). Activity synchrony and social cohesion: a fission-
fusion model. Proceedings of the Royal Society: Biological Sciences, 267 (1458), 2213-
2218. Gevonden op 3 augustus 2007 op het internet:
http://www.pubmedcentral.nih.gov/picrender.fcgi?artid=1690793&blobtype=pdf
Cornetto, T., & Estevez, I. (2001). Influence of vertical panels on use of space by
domestic fowl. Applied Animal Behaviour Science, 71 (2), 141-153. Gevonden op 16 juli
in de Science Direct databank.
DEFRA. (2002). Meat chickens and breeding chickens. Code of recommendations for the
welfare of livestock, PB7275. Gevonden op 5 september 2007 op het internet:
http://www.defra.gov.uk/animalh/welfare/farmed/meatchks/meatchkscode.pdf
Docking, C.M., Van de Weerd, H.A., Day, J.E.L., & Edwards, S.A. (2007). The influence
of age on the use of potential enrichment objects and synchronisation of behaviour of
pigs. Applied Animal Behaviour Science, 2007, doi: 10.1016/j.applanim.2007.05.004
Duncan, I.J.H. (1998). Behaviour and behavioural needs. Poultry Science, 77(12),
1766-1772.
Ekstrand, C., & Carpenter, T.E. (1998). Using a tobit regression model to analyse risk
factors for foot-pad dermatitis in commercially grown broilers. Preventive Veterinary
Medicine, 37 (1-4) ,219-228.
Engel, J., & Lamprecht, J. (1997). Doing what everybody does? A procedure for
investigating behavioural synchronization. Journal of Theoretical Biology, 185, 255-262.
Estevez, I., Andersen, I.L, & Nævdal, E. (2007). Group size, density and social
dynamics in farm animals. Applied Animal Behaviour Science, 103 (3-4), 185-204.
Gevonden op 4 juli 2007 in de Science Direct databank.
Estevez, I., & Christman, M.C. (2006). Analysis of the movement and use of space of
animals in confinement: The effect of sampling effort. Applied Animal Behaviour
Science, 97 (2-4), 221-240. Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct databank.
Estevez, I., Keeling, L.J., & Newberry, R.C. (2003). Decreasing aggression with
increasing group size in joung domestic fowl. Applied Animal Behaviour Science, 84 (3),
2003, 213-218.
European Commision. (2000). The welfare of broiler chickens kept for meat production
(broilers). Gevonden op 11 juli 2007 op het internet:
http://ec.europa.eu/food/fs/sc/scah/out39_en.pdf
Europan Union. (2007). COUNCIL DIRECTIVE 2007/43/EC of 28 June 2007: laying
down minimum rules for the protection of chickens kept for meat production. Gevonden
op 28 maart 2008 op het internet: http://eur-
lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2007:182:0019:0028:EN:PDF
Fairbanks, B., & Dobson, F.S. (2007). Mechanisms of the group-size effect on vigilance
in Columbian ground squirrels: dilution versus detection. Animal Behaviour, 73 (1),
115-123.
Febrer, K., Jones, T.A., Donnely, C.A., & Dawkins, M.S. (2006). Forced to crowd or
choosing to cluster? Spatial distribution indicates social attraction in broiler chickens.
Animal Behaviour, 72 (6), 1291-1300. Gevonden op 2 juli 2007 in Science Direct
databank.
Feddes, J.J.R., Emmanuel, E.J., & Zuidhof, M.J. (2002). Broiler performance, body
weight variance, feed and water intake and carcass quality at different stocking
densities. Poultry Science, 81 (6), 774-779.
Fernandez-Juricic, E., Beauchamp, G., & Bastain, B. (2007). Group-size and distance-
to-neighbour effects on feeding and vigilance in brown-headed cowbirds. Animal
Behaviour, 73 (5), 771-778.
Freeman, B.M. (1969). The fowl and its physical environment. World?s Poultry Science
Journal, 25 (2), 99-111.
Gerken, M., Afnan, R., & Dörl, J. (2006). Adaptive behaviour in chickens in relation to
thermoregulation. Archive für Geflügelkunde, 70 (5), 199-207.
Gordon, S.H. (1992). The effect of broiler stocking density on bird welfare and
performance. British Poultry Science, 33(5), 1120-1121.
Hall, A.L. (2001). The effect of stocking density on the welfare and behaviour of broiler
chickens reared commercially. Animal Welfare, 10 (1), 23-40.
Hauser, J., & Huber-Eicher, B. (2004). Do domestic hens discriminate between familiar
and unfamiliar conspecifics in the absence of visual cues? Applied Animal Behaviour
Science, 85 (1-2), 65-76.
Hänninen, S., Mononen, J., Harjunpää, S., Pyykönen, T., Sepponen, J., & Ahola, L.
(2007). Effects of family housing on some behavioural and physiological parameters of
juvenile farmed mink (Mustela vison). Applied Animal Behaviour Science, Gevonden op
31 augustus 2007 in de Science Direct databank.
Heckert, R.A., Estevez, I., Russek-Cohen, E., & Pettit-Riley, R. (2002). Effects of
density and perch availability on the immune status of broilers. Poultry Science, 81 (4),
451-457.
Heyes, C.M. (1993). Imitation, culture and cognition. Animal Behaviour, 46 (5), 999-
1010.
Heyes, C.M., Ray, E.D., Mitchell, C.J., & Nokes, T. (2000). Stimulus enhancement:
controls for social facilitation and local enhancement. Learning and motivation, 31 (2),
83-98.
Hoerl, E.N. (2004). Foraging strategies, use of space and aggressive behavior of
domestic fowl (Gallus gallus domesticus). Gevonden op 16 juli 2007 op het internet:
https://drum.umd.edu/dspace/bitstream/1903/1431/1/umi-umd-1474.pdf
Hoppitt, W., Blackburn, L., & Laland, K.N. (2007). Response facilitation in the domestic
fowl. Animal Behaviour, 73 (2), 229-238. Gevonden op 3 juli 2007 in de Science Direct
databank.
Hughes, B.O., & Elson, H.A. (1977). The use of perches by broilers in floor pens. British
Poultry Science, 18, 715-722.
Jensen, A.B., Palme, R., & Forkman, B. (2006). Effect of brooders on feather pecking
and cannibalism in domestic fowl (Gallus gallus domesticus). Applied Animal Behaviour
Science,. 99 (3-4), 287?300. Gevonden op 8 november 2007 in de Science Direct
databank.
Jeschke, J.M., & Tollrian, R. (2007). Prey swarming: which predators become confused
and why? Animal Behaviour, 74 (3), 387-393.
Julian, R.J. (2005). Production and growth related disorders and other metabolic
diseases of poultry ? A review. The Veterinary Journal, 169, 350-369. Gevonden op 10
september 2007 in de Science Direct databank.
Kristensen, H.H., Aerts, J.M., Leroy, T., Wathes, C.M., & Berckmans, D. (2006).
Modelling the dynamic activity of broiler chickens in response to step-wise changes in
light intensity. Applied Animal Behaviour Science, 101 (1-2), 125-143
Leone, E.H., Estevez, I., & Christman, M.C. (2007). Environmental complexity and
group size: Immediate effects on use of space by domestic fowl. Applied Animal
Behaviour Science, 102(1-2), 39-52. Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct
databank
Lian, X., Zhang, T., Cao, Y., Su, J., & Thirgood, S. (2007). Group size effects on
foraging and vigilance in migratory Tibetan antelope. Behavioural Processes, 76 (3),
192-197. Gevonden op 4 september 2007 in de Science Direct databank.
Lewis, N.J., & Hurnik, J.F. (1990). Locomotion of broiler-chickens in floor pens. Poultry
Science, 69 (7), 1087-1093.
Malleau, A.E., Duncan, I.J.H., Widowski, T.M., & Atkinson, J.L. (2007). The importance
of rest in young domestic fowl. 2007, Applied Animal Behaviour Science, 106 (1-3), 52-
69. Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct databank.
Manning, L., Chadd, S.A., & Baines, R.N. (2007). Water consumption in broiler chicken:
a welfare indicator. World?s Poultry Science Journal, 63 (1), 63-71
Masic, B., Wood-Gush, D.G.M., Duncan, I.J.H., McCorquodale, C., & Savory, C.J.
(1974). A comparison of the feeding behaviour of young broiler and layer males. British
Poultry Science, 15 (5), 499-505.
Martrenchar, A., Huonnic, D., Cotte, J. P., Boilletot, E., & Morisse, J. P. (2000).
Influence of stocking density, artificial dusk and group size on the perching behaviour
of broilers. British Poultry Science, 41 (2), 125-130.
Mauldin, J.M. (1992). Applications of behaviour to poultry management. Poultry
Science, 71 (4), 634-642.
Murphy, L.B., & Preston, A.P. (1988). Food availability and the feeding and drinking
behaviour of broiler chickens grown commercially. British Poultry Science, 29 (2), 273-
Murphy, L.B., & Preston, A.P. (1988). Time-budgeting in meat chickens grown
commercially. British Poultry Science, 29 (3), 571-580.
Newberry, R.C., Estevez, I., & Keeling, L.J. (2001). Group size and perching behaviour
in young domestic fowl. Applied Animal Behaviour Science, 73 (2), 117-129. Gevonden
op 3 juli in de Science Direct databank.
Newberry, R.C., & Hall, J.W. (1990). Use of pen space by broiler chickens: Effects of
age and pen size. Applied Animal Behaviour Science, 25 (1-2), 125-136.
Newberry, R.C., Keeling, L.J., Estevez, I., & Bilcik, B. (2007). Behaviour when young as
a predictor of severe feather pecking in adult laying hens: The redirected foraging
hypothesis revisited. Applied Animal Behaviour Science, 107 (3-4), 262-274. Gevonden
op 8 november 2007 in de Science Direct databank.
Nicol, C.J. (1995). The social transmission of information and behaviour. Applied Animal
Behaviour Science, 44 (2-4), 79-98.
Nicol, C. (2006). How animals learn from each other. Applied Animal Behaviour
Science, 100 (1-2), 58-63.
Nicol, C.J., & Pope, S.J. (1994). Social learning in small flocks of laying hens. Animal
Behaviour, 47 (6), 1289-1296.
Nielsen, B.L. (2004). Behavioural aspects of feeding constraints: do broilers follow their
gut feelings? Applied Animal Behaviour Science, 86 (3-4), 251-260. Gevonden op 2 juli
2007 in de Science Direct databank.
Nielsen, B.L., Litherland, M., & Nøddegaard, F. (2003). Effects of qualitative and
quantitative feed restriction on the activity of broiler chickens. Applied Animal
Behaviour Science, 83 (4), 309-323.
Odén, K., Berg, C., Gunnarson, S., & Algers, B. (2004). Male rank order, space use and
female attachment in large flocks of laying hens. Applied Animal Behaviour Science, 87
(1-2), 2004, 83-94. Gevonden op 3 juli 2007 in de Science Direct databank.
Odén, K., Vestergaard, K.S, & Algers, B. (2000). Space use and agonistic behaviour in
relation to sex composition in large flocks of laying hens. Applied Animal Behaviour
Science, 67 (4), 307-320. Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct databank.
Olsson, I.A.S., Duncan, I.J.H., Keeling, L.J., & Widowski, T.M. (2002). How important is
social facilitation for dustbathing in laying hens? Applied Animal Behaviour Science, 79
(4), 285-297.
Palestis, B.G., & Burger, J. (1998). Evidence for social facilitation of preening in the
common tern. Animal Behaviour, 56 (5), 1107-1111. Gevonden op 16 juli 2007 in de
Science Direct databank.
Pays, O., Jarman, P.J., Loisel, P., & Gerard, J.F. (2007). Coordination, independence or
synchronization of individual vigilance in the eastern grey kangaroo. Animal Behaviour,
73 (4), 595-604.
Perré, Y., Wauters, A.M., & Richard-Yris, M.A. (2002). Influence of mothering on
emotional and social reactivity of domestic pullets. Applied Animal Behaviour Science,
75 (2), 133?146. Gevonden op 8 november 2007 in de Science Direct databank.
Pettit-Riley, R., & Estevez, I. (2001). Effects of density on perching behaviour of broiler
chickens. Applied Animal Behaviour Science, 71 (2), 127-140. Gevonden op 3 juli 2001
in de Science Direct databank.
Pettit-Riley, R., Estevez, I., & Russek-Cohen, E. (2002). Effects of crowding and access
to perches on aggressive behaviour in broilers. Applied Animal Behaviour Science, 79
(1), 2002, 11-25. Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct databank.
Reiter, K., & Bessei, W. (1999). Das Verhalten von Broilern in Abhängigkeit von
Gruppengrö?e und Besatzdichte. Archiv für Geflügelkunde, 64 (3), 93-98.
Riber, A.B., Nielsen, B.L., Ritz, C., & Forkman, B. (2007). Diurnal activity cycles and
synchrony in layer hen chicks (Gallus gallus domesticus). Applied Animal Behaviour
Science, Gevonden op 2 juli 2007 in de Science Direct databank.
Roden, C., & Wechsler B. (1998). A comparison of the behaviour of domestic chicks
reared with or without a hen in enriched pens.. Applied Animal Behaviour Science, 55
(3-4), 317-326. Gevonden op 3 juli 2007 in de Science Direct databank.
Rodenburg, T.B., Komen, H., Ellen, E.D., Uitdehaag, K.A, & van Arendonk, J.A.M.
(2007). Selection method and early-life history affect behavioural development, feather
pecking and cannibalism in laying hens: A review. Applied Animal Behaviour Science.
doi:10.1016/j.applanim.2007.09.009. Gevonden op 7 november 2007 in de Science
Direct databank.
Rodenburg, T.B., & van Harn, J. (2004). Organic broiler husbandry. Gevonden 27 maart
2008 op het internet:
http://library.wur.nl/file/wurpubs/LUWPUBRD_00338808_A502_001.pdf
Ross, P.A., & Hurnik, J.F. (1983). Drinking behaviour of broiler chicks. Applied Animal
Ethology, 11 (1), 25-31.
Rook, A.J., & Penning, P.D. (1991). Synchronisation of eating, ruminating and idling
activity by grazing sheep. Applied Animal Behaviour Science, 32 (2-3), 157-166.
Ruckstuhl, K.E., & Neuhaus, P. (2001). Behavioral synchrony in ibex groups: effects of
age, sex and habitat. Behaviour, 138 (8), 1033-1046.
Sanotra, G.S., Damkjer Lund, J., & Vestergaard, K.S. (2002). Influence of light-dark
schedules and stocking density on behaviour, risk of leg problems and occurrence of
chronic fear in broilers. British Poultry Science. 43 (3), 344-354.
Sarova, R., Spinka, M. & Arias Panmama, J.L. (2007). Synchronization and leadership
in switches between resting and activity in a beef cattle herd ? A case study. Applied
Animal Behaviour Science, 108 (3-4), 327-331.
Savory, C.J., Wood-Gush, D.G.M. & Duncan, I.J.H. (1978). Feeding behaviour in a
population of domestic fowls in the wild. Applied Animal Ethology, 4 (1), 13-27.
Shanawany, M.M. (1988). Broiler performance under high stocking densities. British
Poultry Science, 29 (1), 43-52.
Souris, A.C., Kaczensky, P., Julliard, R., & Walzer, C. (2006). Time budget-,
behavioural synchrony- and body score developments of a newly released Przewalski?s
horse group Equus ferus przewalskii, in the Great Gobi B strictly protected area in SW
Mongolia. Applied Animal Behaviour Science. Gevonden op 16 juli 2007 in de Science
Direct databank.
SPSS Inc. (2006). SPSS Advanced Models? 15.0. Gevonden op 25 maart 2008 op het
internet: http://gsic.syr.edu/manuals/spss/SPSS%20Advanced%20Models%2015.0.pdf
Stricklin, W.R., Graves, H.B., & Wilson, L.L. (1979). Some theoretical and observed
relationships of fixed and portable spacing behaviour of animals. Applied Animal
Ethology, 5 (3), 201-214.
Su, G., Sørensen, P., & Kestin, S.C. (1999). Meal feeding is more effective than early
feed restriction at reducing the prevalence of leg weakness in broiler chickens. Poultry
Science, 78 (7), 949-955.
Tolman, C.W. (1964). Social facilitation of feeding behaviour in the domestic chick.
Animal Behaviour, 12 (2-3), 245-251.
Van de Weerdhof, A.M. (1995). NH3-emissie in relatie tot bezettingsdichheid.
Studiemiddagen vermeerdering en broederij, pelsdierenhouderij, vleeskuikenshouderij
en konijnenhouderij, 36, 44-45. Gevonden op 3 augustus 2007 op het internet:
http://www.veehouderij.nl/index.asp?producten/boeken/index.asp?Reeks=Publicatie
Voeten, A.C. (1987). Gezond pluimvee. Warnsveld: Terra Zutphen.
Wauters, A.M., Richard-Yris, M.A., & Talec, N. (2002). Maternal influences on feeding
and general activity in domestic chicks. Ethology, 108 (6), 529?540.
Ward, J.M., Houston, D.C., Ruxton, G.D., McCafferty, D.J., & Cook, P. (2001). Thermal
resistance of chicken (Gallus domesticus) plumage: a comparison between broiler and
free-range birds. British Poultry Science, 42 (5), 558-563.
Wathes, C.M., & Clarke, J.A. (1981). Sensible heat transfer from the fowl: radiative and
convective heat losses from a flock of broiler chickens. British Poultry Science, 22 (2)
185-196.
Weeks, C.A., Danbury, T.D. , Davies, H.C., Hunt, P., & Kestin, S.C. (2000). Behaviour
of broiler chickens and its modification by lameness. Applied Animal Behaviour Science,
67 (1) , 111-125. gevonden op 2 juli 2007 in Science Direct databank.
Weeks, C.A., Nicol, C.J., Sherwin, C.M., & Kestin, S.C. (1994). Comparison of the
behaviour of broiler chickens in indoor and free-range environments. Animal Welfare, 3,
179-192.
Wiers, W.J., Kiezerbrink, M., & van Middelkoop, K. (2001). Zitstokgebruik en
beweeglijkheid, Praktijkonderzoek Veehouderij, 15 (1), 17-20. Gevonden op 4 april
2007 op het internet: http://www.pv.wageningen-
ur.nl/index.asp?producten/boeken/praktijkonderzoek/pnk/200104017020.asp
Woodcock, M.B., Pajor, E.A., & Latour, M.A. (2004). The effects of hen vocalizations on
chick feeding behaviour. Poultry Science, 83 (12), 1940-1943.
Yahav, S. (2004). Ammonia affects performance and thermoregulation of male broiler
chickens. Animal Research, 53 (4), 289-293.
Yu, M.W., Robinson, F.E., Clandinin, M.T., & Bodnar, L. (1990). Growth and body
composition of broiler chickens in response to different regimens of feed restriction.
Poultry Science, 69 (12), 2074-2081.
Zajonc, R.B. (1965). Social facilitation, Science, 149, 269-274.
Zentall, T.R. (2007). Imitation: definitions, evidence, and mechanisms. Animal
Cognition, 9 (4), 335-353.
De Vrij, Koen 2008
32 KHK_ETD PDF Welzijn en gezondheid bij varkens : Effecten van de huisvesting bij dragende zeugen en vleesvarkens
degree Master - Master in de biowetenschappen: landbouwkunde

  Het eindwerk bestaat uit 2 grote delen. Als eerste deel heb ik de stress die groepshuisvesting op de zeugen met zich meebrengt besproken. In het 2e deel werden de biggen opgevolgd van geboorte tot slacht, waarbij verschillende invloedsfacto ...
ren in rekening gebracht werden.

De reden waarom in koos voor het eerste thema is voor mij voor de hand liggend. Sinds 2005 is ook op ons gesloten varkensbedrijf thuis, groepshuisvesting in voege. De ervaring die ik hiermee opgebouwd had leerde me dat de zeugen weliswaar nu konden rondlopen en meer beweegruimte hadden. Maar dat dit toch zeker niet voor alle zeugen een verbetering was, wetend dat je in elke groep steeds dominante en zwakke individuen hebt. Wat ervoor zorgt dat er steeds enkele zeugen verstoten worden in een groep. Door de vele urinestalen die genomen en onderzocht werden was dan ook duidelijk te zien dat er stress pieken aanwezig waren bij de zeugen in het begin van de groepshuisvesting, deze daalden in de loop van de tijd. Alle externe factoren die een invloed zouden kunnen hebben op de stress, o.a. temperatuur en wind, werden mee in rekening gebracht. Ook werd gekeken of een groep die minder vierkantenmeters ter beschikking had, meer of minder stress had dan een groep die wel aan de wettelijke eisen voldeed. Uit onze proeven blijkt immers van niet?

Bij het tweede thema werd nagegaan hoe op het eerste zicht vanzelfsprekende parameters grote gevolgen kunnen hebben op de productie van de vleesvarkens. Deze risicofactoren kunnen nochtans vaak eenvoudig gecorrigeerd worden zodat zowel het welzijn van de dieren als het inkomen van de varkenshouder geoptimaliseerd wordt. Het ventilatieniveau, pH van het drinkwater, nies en hoest, temperaturen en het ras werden mee in rekening gebracht. Sommige parameters bleken helemaal geen invloed te hebben op de groei of gezondheid, andere dan weer net wel.

Om een echte betrouwbare conclusie te trekken, moet meer onderzoek gebeuren, een diepgaand onderzoek op één bedrijf met een bepaald stalconcept kan geen referentie zijn voor de hele varkenssector waarvoor zovele verschillende stalconcepten bestaan, dit zowel in de zeugen als de vleesvarkenshouderij.

References
Aarnink A.J.A., van der Hoek K.W., 2004. opties voor de reductie van fijn stof emissie
uit de veehouderij. Agrotchnologie & food innovations, Wageningen, December 2004,
Agriconstruct, 2006. Berekening mechanische ventilatie varkens. Ilvo Vlaanderen,
2006.
Andersen I.L., Naevdal E., Bakken M., Boe K.E., (2004). Aggression and group size in
domesticated pigs, sus scrofa:?when the winner takes it all and the loser is standig
small?. Animal Behaviour. 68: 965-975
Arey D.S., Edwards S.A. (1998). Factors influecing agression between sows after
mixing and the consequences for welfare and production. Livestock Production Science.
56. 61-70.
Barnet J.L., Hemsworth P.H., Cronin G.M., (1993). Efects of pen size partial stalls and
method of feeding on welfare-related behavioural and physiological responses of group-
housed pigs. Animal Behaviour Science. 36:111-112
Barnett J.L., Cronin G.M., McCallum T.H., (1996) Effects of grouping unfamiliar adult
pigs after dark, after treatment with amperozide and by using pens with stalls, on
agression, skin lesions and plasma cortisol concentrations. Animal Behaviour
Science.50:121-133.
Barnett J.L., Hemsworth P.H., Cronin G.M. (2001). A review of the welfare issues for
sows and piglets in relation to housing. Australië Journal of Agricultural Research. 52.1-
Blocks G.H.M., Vernooy J.C.M., Verheijden J.H.M., 1994. Integradted quality control
project relationship between pathological findings detected at the slaughterhouse and
information gathered in a veterinary health scheme at pig farms. Web of Science, juli
1994. Vol 16. 123-127.
Broom D.M., (1991). Animal welfare: concepts and measurements. Journal of Animal
Science, 69. 4167-4175.
Brouns F., Edwards S.A., (1997) The effect of dieatary inclusion of sugar-beet pulp on
feeding behaviour of dry sows. Animal of Sciences 65. 129-133.
Cercosoft Ceres, 2007. Varkensprogramma 7.4: kengetallen in de varkenshouderij.
Oudernaarde, 2007.
Commission Directive 2001/93/EC. Laying down minimum standards for protection of
pigs. (91/630/EEG)
Conotte G., 2007. Kwaliteit drinkwater in varkensstallen nog niet optimaal.
Diergezondheid (Nederland). Dierengezondheid 46. juni 2007.
Ekkel E.D., (1997) The impact of farrow-to-finish production on health and welfare of
pigs. Institue of Animal Science and Health. News and information, 1997 vol. 18 nr 4.
111-116
Pieter Peeraer 85
Welzijn en gezondheid bij varkens
Ekkel E.D., Van Doorn C.E.A., Hessing M.J.C., Tielen M.J.M. (1995). The specific-
stress-free housing system has positive effects on productivity, health and welfare of
pigs. Journal of Animal Science 73. 1544-1551.
Ellen H.H., Aarnink A.J.A., 2006. Processes and factors influencing fine dust emission
from livestock production. Animal Sciences Group, Wageningen, oktober 2006. 29.
Ellen, H.H., Van Harn J., Veldkamp T.,2005. Desk study on possibilities to reduce
ammonia emission from broiler houses. Animal Sciences Group, Wageningen UR, juli
2005.
Geers R., Dellaert B., Goedseels V., Hoogerbrugge A., Vranken E., Maes F., Berckmans
D.,(1989). An assessment of optimal air temperatures in pig houses by the
quantification of behavioural and health-related problems. Britisch Society of Animal
Production, 48. 571-578.
Geers R., Vranken E., De Laet B., Maes F (1987). Lasting effects of housing conditions
after weaning on feed efficiency and carcass grades of growing-finishing pigs, an
analysis of field data. Livestock Production Science, 16. 175-186.
Gonyou, H.W., (1994). Why the study of animal behaviour is associated with the animal
Welfare issue. Journal of Animal Science, 72. 2171-2177.
Hay M., Mormède P., (1997). Determination of Catecholamines and
methoxycatecholamines excretion patterns in pig and rat urine by ion-exhange liquid
chromotography with electrochemical detection. Journal of Chromatography. 703: 15-
Hay M., Orgeur P., Levy F., Le Dividich J., Concordet D., Nowak R., Schaal B. (2001).
Neuro endocrine consequences of very early weaning in swine. Physiology and
behaviour, 72. 263-269.
Hendriks H.J.M., Pedersen B.K., Vermeer H.M., Wittmann M., 1998. Pig Housing
systems in Europe: current distribuions and trends. Pig News Information 1998 vol 19
nr 4. 97-104.
Hessing M.J.C., Tielen M.J.M., (1994). The effect of climatic envrironment and
reclocating and mixing on health status and productivity of pigs. Agrarisch Universiteit
Wageningen. Animal productions vol. 59. 131-139.
Hopsters H., (2003). Krijgen gestresste varkensmoeders probleembiggen? ID-lelystad,
april 2003.
Janczak A.M., Pedersen L/J/, Rydhmer L. (2003). Relation between early fear- and
anxiety-related behaviour and maternal ability in sows. Animal Behaviour Science.90:
21-30.
Janczak M.A., Pedersen L.J., Bakken M., (2002) Aggression, fearfulness and coping
styles in female pigs. Applied Animal Behaviour Science. 81: 13-28
Jensen A., Blaha T., 1997. relationship between management and hygiëne factors in pig
herds and slaughter check results. Web of Science, vol 78, 494.
Pieter Peeraer 86
Welzijn en gezondheid bij varkens
Kerr C.A., Giles L.R., Jones M.R., Reverter A. (2005). Effects of grouping unfamiliar
cohorts, high ambient temperature and stocking density on live performance of growing
pigs. American Society of Animal Science, 83. 908-915
Kjaer Bonde M.(2003). Welfare assessment in a commercial sow herd. Danish Institue
of Agriculture Sciences, report Animal Husbandry 46.6-98
Krandendonk G., Wiegant V.M., Taverne M.A.M., (2006). Prenatale stress bij varkens.
Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek.
Lamers J. (2005) Varkenshouders kiezen voor ventilatieplafond. Varkens 4.
20/04/2005, 22-23
Lawrence A.B., Terlouw E.M.C. (1993). A review of behavioral factors involved in the
development and continued performance of stereotypic behaviors in pigs. Journal of
Animal Science. 71. 2815-1825.
Mendl M., Zanella A.J., Broom D.M., (1992). Physioogical and reproductive correlates of
behavioural strategies in female domestic pigs. Animal Behaviour Science. 44:1107-
1121.
Minkus, D., Schutte, A., Von Mickwitz, G., Beurling, D., 2004. Lungengesundheit,
Fleischleistung und Fleischschreifung beim Schwein. Die Fleischwirtschaft. 2005.
Mores N., Barioni W., Sobestansky J., Dalla Costa O.A. (2001). Estimating of
pneumonia by coughing and atrophic rhinitis by sneezing indices in swine. Arquivo
brasileiro medicina veterinaria zootecnia, juni 2001. vol 53. 284-289
Morris C.R., Gardener I.A., Hietala S.K., (1995). Enzootic pneumonia- comparison of
cough and lung lesions as predictors of weight- gain in swine. Canadian journal of
veterinary research, vol. 59. 197-204.
Morrison S.R., Mount L.E., (1971). Adaptation of growing pigs to changes in
envoronmental temperature. A.R.C. institue of Animal Physiology, Babraham,
Cambridge, 13. 51-57
Morrison S.R., Mount L.E., 1971. Adaption of growning pigs to changes in
environmental temperature. Institue of animal physiology. Babraham, Cambridge.
1971, 13: 51-57.
Mostl E., Palme R. (2002). Hormones as indicators of stress. Domestic animal
Endocrinology, 23. 67-74.
Nechelput H.,Coucke D, 2004. Water, elke druppel telt: varkenshouderij. Vlaamse
Milieu Maatschappij, afdeling water. 2004, 28.
Parmentier, M.T., 1999. Slachtlijnbevindingen en de uitleg der verschillende methodes.
Peet-Schwering, C.M.C. en Plagge J.G., 1995. Effect van multifasenvoedering op de
technische resultaten en het waterverbruik van borgen en zeugen. Proefverslag
Proefstation voor de Varkenshouderij. 1995. Nr. 140, 32.
Pol F., Courboulay V., Cote J.P., Martrenchar A. (2001). Urinary cortisol as an additional
tool to asses the welfare of pregnant sows kept in two types of housing. INRA EDP
Sciences 33. 13-22
Pieter Peeraer 87
Welzijn en gezondheid bij varkens
Quiniou N., Dagorn J., Gaudré D. (2002). Variation of piglets? birth weight and
consequences on subsequent performance. Livestock Production Science 78. 63-70.
Quinton V.M., Wilton J.W., Robinson J.A., Mathur P.K. (2005). Economic weights for
sow productivity traits in nucleus pig populations. Livestock Science 2006, nr 99. 69-
Rens M. (2007). Département Productions et Nutrition animales: optimiser les modes
de conduite des troupeaux, etudier le bien-être et l?ethique en production animale.
Centre Wallon de recherces agronomiques. Gembloux 24-04-2007.
Rinaldo D., Le Dividich J, Noblet J., 2000. Adverse effects of tropical climate on
voluntary feed intake and performance of growning pigs. Livestock Productions Science
66. Jan 2000. 223-234
Rinaldo D., Le Dividich J., Noblet J., (2000). Adverse effects of tropical climate on
voluntary feed intake and performance of growing pigs. Live Production Science 66.
223-234.
Rivier C., Rivest S. (1991). Effect of stress on the activity of the hypothalamic-pituitary-
gonadal axis:peripheral and central mechanism.Biology of Reproduction 45. 523-532.
Roelofs P.F.M.M., Binnendijk G.P., 2000. Respiratory health effectsof dust in pig houses
and the effect of an adapted ventilation system. Praktijkonderzoek Varkenshouderij,
Rosmalen, juni 2000. 47.
Schets C., During M., Heijnen L., 2004. Escherichia coli in drinkwater uit zelfstandige
eigen winningen. Wageningen. April, 2004.
Sleurink D., (2005). Gedrag varkens vertelt veel over klimaat. Varkens 4. 20/04/2005,
20-21
Smits M.C.J., van Duinkerken G., Monteny G.J., 2002. Mogelijkheden van ammoniak
emissie beperkende voermaatregelen in de melkveehouderij. Praktijkonderzoek
veehouderij, wageningen, juni 2002.
Stark K. D.C., 2000. Epidemiological investigation of the influence of environmental risk
factors on respiratory diseases in swine. The Veterinary Journal 2000. 159, 37-56.
Stark K.D.C. (1999) The role of infectious aerosols in disease transmission in pigs. The
veterinary Journal, 158. 164-181
Suls L., Groepsgewijs management systemen in de varkenshouderij. Janssen Animal
Health.1-35
Swiergiel A.H., Ingram D.L., 1984. Effect of diet and temperature acclimation on
thermoregulatory behaviour in piglets. Physiology and Beavior, Babraham, Cambridge,
nov. 1984.
Thelosen J., (2005). Lucht ondergronds binnenhalen is de trend. Varkens 4. 30-31
Turner S.P., Farnworth M.J., White I.M.S., (2006). The accumulation of skin lesions and
their use as a predictor of individual aggressiveness in pigs. Animal Behaviour Science.
96. 245-259.
Pieter Peeraer 88
Welzijn en gezondheid bij varkens
Turner, S.P. , Allcroft, D.J., Edwards S.A.(2002). Housing pigs in large social groups a
review of implications for performance and other economic traits. Livestock Productions
Science, 82: 39-51.
Van den Houte W.(2005). Porcode, Groepshuisvesting voor dragende zeugen. Limko
Van der Gaag,M.A., Mul M.F., Bokma-baaker M.H., 2003. Checklists to control
salmonella at finishing pig farms. Animal Sciences Group,Wageningen UR, juni 2003.
Van der Lende T., de Jager D., (1991). Death risk and preweaning growth rate of
piglets in relation to the within-litter weight distribution at birth. Livestoch production
Science, 28. 73-84
Van Gansbeke S., Vettenburg N., Tylleman S., (2002). Groepshuisvesting van zeugen.
Vlaamse Overheid. 151.
Van Gansebeke S., 2007. Mestgedrag van varkens sturen? Ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap, afdeling Landbouwvoorlichting.
Van Horen M., (2007). Klimaatregeling in varkensstallen. Dierengezonheidszorg.
16/07/2007, 1-4
Van Horen M., 2002. Klimaatregeling in varkensstallen. Dierengezondheidszorg
Vlaanderen.
Van Wagenberg A.V., Metz J.H.M., Den Hartog L.A., 2005. Methods for evaluation of
the thermal environment in the animal occupied zone for weaned piglets. Transaction of
the asae, dec 2005. Vol 48. 2323-2332.
Van Wagenberg V., 2001. Microklimaatmetingen geven inzicht in prestaties
klimaatsysteem. Praktijkonderzoek Veehouderij, februari 2001.
Vandenbosch A.,(2005). Steeds het juiste klimaat nastreven. Landbouw&Techniek 12,
24/06/2005, 4-6
Verstegen M. W. A. , 1970. Influence of environmental Temperature on energy
metabolism of growning pigs housed individually and in groups. Departement of animal
husbandry, wageningen. 1970.
Verstegen M.W.A. (1971). Influence of environmental temperature on energy
metabolism of growing pigs housed individually and in groups. Department of animal
husbandry, state agricultural university wageningen, 71-2. 4-96
Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw (2006). Landbouwrapport 2006.
Von Borell E., Van den Weghe S. (1998). Criteria for the assessment of pig housing. Pig
News and information vol. 19 nr 4. 93N-96N.
Wellock I.J., Emmans G.C., Kyriazakis I. (2004). Modeling the effects of stressors on
the performance of populations of pigs. American Society of Animal Science, 82. 2442?
2450.
Pieter Peeraer 89
Welzijn en gezondheid bij varkens
Wolter B.F., Ellis M., Corrigan B.P., Dedecker J.M., (2002). The effect of birth weight
and feeding of supplemental milk replacer to piglets during lactation on preweaning and
postweaning growth performance and carcass characteristics. Department of Animal
Sciences, University of Illinois, 80. 301-308.
Peeraer, Pieter 2008
33 KHK_ETD PDF Opvoeding van moederloze pups en kittens
degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  Of het nu wegwerpjongen of andere moederloze jongen zijn, hen opvoeden blijft even moeilijk.

Het opvoeden van wegwerpjongen of moederloze jongen door mensen is een moeilijke opgave. Daarom dient er een goede overweging aan vooraf te gaa ...
n.
Naast voldoende tijd en inzet is er ook veel geduld voor nodig. De eigenaar moet zich ook bewust zijn van de financiële zijde van het verhaal. En ondanks al de mogelijke input bestaat altijd het risico dat het slecht afloopt.

Na het bepalen van ras, geslacht, leeftijd en gezondheid (uiterlijk en innerlijk) van het jong of de jongen begint het eigenlijke werk pas. Dat wil zeggen op zoek gaan naar een goede huisvesting, de dieren voederen (dag en nacht), hun gewicht controleren, hen socialiseren en bij de dierenarts langsgaan voor de nodige inentingen en dergelijke.
En zeker niet te vergeten zijn de extra hygiënische maatregelen die de eigenaar moet treffen.
Sammels, Veerle 2006
34 KHK_ETD PDF Alpaca's : Het alternatieve huisdier
degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  Steeds meer mensen tonen interesse in het houden van alpaca's als huisdier. Deze dieren worden dan vergeleken met klassiekere huisdieren zoals schapen, herten,...

Veel mensen die op zoek zijn naar informatie over alpaca's, stuiten op een ...
probleem. Er is namelijk zeer weinig Nederlandstalige informatie te vinden over alpaca's. Met dit eindwerk wil ik daar verandering in brengen. Mensen die van plan zijn alpaca's te gaan houden, maar ook mensen die al met alpaca's werken, probeer ik zo goed mogelijk te informeren over deze dieren.

Hiervoor heb ik zoveel mogelijk informatie uit Engelstalige boeken verzameld en samengebracht.

In dit eindwerk worden essentiële dingen besproken zoals het gedrag, de huisvesting en de verzorging van alpaca's.

"Hoe zie ik hoe mijn alpaca zich voelt? Wat geef ik mijn alpaca te eten?" zijn vragen die in dit eindwerk beantwoord worden. Het leren begrijpen van het gedrag van alpaca's is van groot belang voor het welzijn van deze dieren.

Hoe men alpaca's best kan vasthouden om ze te verzorgen of wanneer de dierenarts moet komen voor de dieren, komt aan bod in dit eindwerk.

Als men dacht dat alpaca's moeilijk te huisvesten zijn, dan wordt er in dit eindwerk het tegendeel bewezen.

Ook ontworming en vaccinatie worden besproken. Men wist misschien nog niet dat alpaca's ook ontwormd en gevaccineerd moeten worden?

Waarom nu juist de alpaca een alternatief huisdier kan zijn wordt besproken in dit eindwerk.

References
Boeken:
Hoffman, E. (2006). The Complete Alpaca Book. Californië: Bonny Doon Press.
Fowler, M. E (1998). Medicine and Surgery of South American Camelids. Iowa:
Blackwell Publishing.
McGee Bennet, M. (2006). The Camelid Companion: Handling and Training Your
Alpacas & Llamas. Oregon: Raccoon Press.
Klaver, P.S.J. (2006). Zakwoordenboek van de Diergeneeskunde. Doetinchem: Elsevier.
Handleiding:
Sheets, T. (2006). Alpacas: A Getting Started Guide.
Gevonden op 17 oktober 2007 op het internet:
http://www.ourheritagefarm.com/GettingStarted.html
Websites:
Gevonden op 17 oktober 2007 op het internet:
http://www.alpaca-international.com/
Gevonden op 17 oktober 2007 op het internet:
http://www.alpaca-ranch.nl/
Gevonden op 25 maart 2008 op het internet:
http://www.garvo.nl/
Gevonden op 25 maart 2008 op het internet:
http://www.suavealpaca.be/
Dierenarts:
Dr. Theo Martens
Kamperbaan 98
3940 Hechtel-Eksel
Vandermaesen, Nicky 2008
35 KHK_ETD PDF Dierenwelzijn in de varkenshouderij : Toepassing op een zeugenbedrijf : Toepassing op een zeugenbedrijf Mertens, Dolf 2003
36 KHK_ETD PDF Socialisatie van honden in laboratoria : De schuwe hond in het bijzonder
degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  In dit eindwerk wordt er bekeken of de huidige socialisatie van de honden bij Janssen Pharmaceutica, meer specifiek de schuwe types, verbeterd kan worden. Naast het bespreken van allerlei mogelijke alternatieven/bijdragen, wordt er ook gezo ...
cht naar een goede manier om dit allemaal te evalueren. In de loop van het eindwerk zal elk aspect apart besproken worden.

References
Appleby, D., Bradshaw, J.W.S., Pluijmakers, J. (2005). Does exposing puppies to video
images increase behavioural organisationand decrease the potential for the
development of fear and inappropiate avoidance behavoir? Onuitgegeven notulen van
de 11de jaarlijkse vergadering van de European Society of Veterinary Clinical Ethology,
Marseille.
Bohnenkamp, G., Dunbar, I. (1985). Behaviour Booklets: Socialisation. Oakland: James
& Kenneth
Cynopédie Chiens De Race (2006). Test d?Aptitude Naturelle (TAN)
Gevonden op 11 augustus 2006 op het internet :
http://www.chiensderace.com/doc/manifestations/tan.html
Deag, J.M. (1980). The Institute of Biology?s Studies in Biology no. 118 : Social
Behaviour of Animals. Londen: Edward Arnold (Publishers) Limited
Dejong, M., Sannen, E. (2004). Van clicker tot gehoorzame hond (3
dr.). Warffum:
Welzo Media Productions.
Dierckx, P. (2002). Karakterbeoordeling van honden en regels voor het omgaan met
honden. Onuitgegeven interne werkprocedures, Janssen Pharmaceutica Beerse
Dierckx, P. (2004). Omgevingsverrijking, socialisatie/verzorging en trainingsprogramma
voor honden. Onuitgegeven interne werkprocedures, Janssen Pharmaceutica Beerse
Donaldson, J. (2005). Hondencultuur: Een revolutionair nieuw inzicht in de relatie mens
? hond. Amersfoort: Bloemendal Uitgevers bv.
Fogle, B. (2003). Hondenvraagbak. Abcoude: Fontaine Uitgevers bv.
Fuller, J. L., Scott, J.P. (1965). Dog Behaviour : The Genetic Basis. Chicago: The
university of chicago.
Giffroy, J.M. Cursus ethologie. Onuitgegeven cursus voor de 3de kandidatuur in
veterinaire geneeskunde, Universitaire faculteiten Notre-Dame de la
Paix Namen.
Grandjean, D. (2001). Encyclopedie van de hond. Parijs: Aniwa Publishing.
Lambrichts, V. (2005). De taal van je hond.
Gevonden op 10 oktober 2005 op het internet:
http://www.lambrichts.be/08_1VisueleTaal.htm
Planta, D. J. U. (2000a). Gedragstest voor honden, mogelijkheden en beperkingen.
Gevonden op 11 augustus 2006 op het internet:
http://www.leonberger.nl/FSKevaluatie/artikelen/SympBelgischeDierengeneeskunde.PD
Planta, D. J. U. (2000b). Wat is de MAG test?
Gevonden op 11 augustus 2006 op het internet:
http://www.mncn.nl/uitleg%20magtest.htm
Sannen, E. (2004). Uw hond opvoeden zonder training (5
dr.). Warffum: Welzo Media
Productions.
Tielemans, S. (2006). Proefdierkunde. Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor het
derde jaar van de opleiding Dierenzorg-Dierenartsassistentie, Katholieke Hogeschool
Kempen, Departement Industrieel Ingenieur en Biotechnologie Geel.
VDWEa. ZINA.
Gevonden op 6 augustus 2006 op het internet:
http://www.vdwe.info/Tektsen/Zina.htm
VDWEb. Twee honden.
Gevonden op 6 augustus 2006 op het internet:
http://www.vdwe.info/Tektsen/FAQs.htm
Van Thielen, J. (2004). Huisdieren: Gedragsontwikkeling pups. Onuitgegeven nota?s bij
een cursus voor het eerste jaar van de opleiding Dierenzorg-Dierenartsassistentie,
Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Industrieel Ingenieur en Biotechnologie
Geel.
Dierckx, Lieve 2006
37 KHK_ETD PDF Onderzoek aan het lichaam
degree Bachelor - Bachelor in het bedrijfsmanagement

  Alles begint met een misdrijf. Bij een misdrijf worden er altijd sporen nagelaten. Zowel op het slachtoffer, de dader als op de plaats waar het misdrijf zich heeft voorgedaan, ook wel de "plaats delict" genoemd.
In mijn thesis beperk ik m ...
ij tot het onderzoek aan het lichaam in ruime zin, en derhalve beperk ik mij tot deze delicten waar er opzettelijk lichamelijke schade werd berokkend. (Doodslag, verkrachting,...).
Een onderzoek aan het lichaam wordt gebruikt om referentiestalen te nemen; waarmee men de gevonden stalen of biologische sporen kan vergelijken, dit om meer uitsluitsel te geven. (Het soort van onderzoek dat men doorvoert is belangrijk om te weten welke procedureregels gelden.)
In deze thesis behandel ik onderzoek aan het lichaam in ruime zin. Hieronder valt het onderzoek aan het lichaam in strikte zin (hoofdstuk 1), DNA (hoofdstuk 2), Lijkschouwing of autopsie (hoofdstuk 3), Vingerafdrukken (hoofdstuk 4) en de medische analyse (hoofdstuk 5).
Tenslotte behandel ik een aantal grondrechten (hoofdstuk6) en eindig ik met een praktisch voorbeeld (hoofdstuk 7).

References
? Artikel 44ter en 90undecies SW.
? Europees verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse
rechtshulp in strafzaken(BS 23 oktober 1975).
? Interne nota?s van het parket in Turnhout, politie van Brussel en nota?s
van het NICC gericht aan het parket.
? Resolutie van 9 juni 1997, Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen C193 van 9 juni 1997, 2p.
? Resolutie van 25juni 2001, Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen C187 van 25 juni 2001, 1p.
? VERDRAG van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden. Belgisch Staatsblad, 19 augustus
1955.
? WET van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-
analyse in strafzaken. Belgisch Staatsblad, 20 mei 1999.
? BROEDERS, APA, 2005, Ontwikkeling in criminalistiek: van vingerspoor
tot DNA-profiel, van zekerheid naar waarschijnlijkheid, Boom, Juridische
uitgevers, (P).
? BURG, E., DNA-onderzoek in strafzaken en het recht op
onaantastbaarheid van het lichaam. Delikt en Delinkwent, 1993, 343 p.
? CASSIMAN, J., Mogelijkheden en beperkingen van het DNA-onderzoek in
het gerechtelijk onderzoek. niet gepubliceerde cursus, Leuven, KU
Leuven Centrum voor Menselijke Erfelijkheid, 2002, 17 p.
? DE SMET,B., Vergelijkend DNA-onderzoek in strafzaken. Niet
gepubliceerde documentatiemap, Antwerpen, CBR, 2003, 40 p.
? DE SMET,B. en RIMANQUE, K., Het recht op behoorlijke rechtsbedeling.
Antwerpen, Maklu, 2000, 111 p.
? GOOSSENS,F., Politiebevoegdheden en mensenrechten, Rechtsleer, p
? HOLTSLAG,H., Sporen onderzocht , Handboek recherchetechniek,
Koninklijke vermande B.V. uitgevers Lelystad, 1986
? LAMMERTS VAN BUEREN, E., En toen was er DNA? Wat moeten we
ermee?. Zeist, Indigo, 1998, 236 p.
? Moonen,K., DNA in het gerechtelijk onderzoek. Onuitgegeven
verhandeling, Katholieke Hogeschool Kempen, Handelswetenschappen en
Bedrijfskunde Geel, 2005
? MUL, S., De huidige en toekomstige regeling van DNA-onderzoek in
strafzaken. Delikt en Delinkwent 1999, 204 p.
? VAN ASCH, L. en VAN WIJK, H., Verplichtingen van verdachten ten
aanzien van onderzoek aan het lichaam, Tijdschrift voor strafrecht,1935
? VAN DE VOORDE, W., GOETHALS, J. en NIEUWDORP, M., Multidisciplinair
forensisch onderzoek juridische en wetenschappelijke aspecten (deel 1).
Brussel, Politeia, 2003, 544 p.
? VAN PRAET. K., KUL.Faculteit rechtsgeleerdheid.Afdeling strafrecht,
strafvordering en criminologie. Instituut voor strafrecht/ DNA-toepassing
in het gerechtelijk onderzoek,niet gepubliceerd eindwerk, 1999, 126p.
? VERSTRAETEN. R., handboek strafvordering, 3
bijgewerkte druk, Maklu
Antwerpen-Apeldoorn, 2001, 894p.
? http://nl.wikipedia.org/wiki/Autopsie.
? http://www.vingerafdrukken.nl/
Friet, Jill 2009
38 KHK_ETD PDF Acute lymfatische leukemie : Verpleegkundige benadering en psychosociale begeleiding
degree Bachelor - Bachelor in de verpleegkunde: ziekenhuisverpleegkunde

  Acute leukemie houdt in dat er grote hoeveelheden abnormale witte bloedcellen worden geproduceerd.
Het is dus een ziekte waarbij de aanmaak, rijping en afgifte van de witte bloedcellen sterk verstoord zijn.
Daardoor functioneren de witte ...
bloedcellen niet meer zo goed en de aanmaak van de andere bloedcellen wordt verhinderd.
Er zijn verschillende vormen van leukemie die kort worden besproken in dit werk, maar ik beperk me tot de uitwerking van acute lymfatische leukemie.
Deze ziekte vereist een zeer intensieve behandeling met vooral chemotherapie.
Daarom is het belangrijk voor ons als verpleegkundigen om te weten hoe we patiënten met acute leukemie moeten benaderen. Welke adviezen geven we aan de patiënt om complicaties te voorkomen of om goed te kunnen omgaan met de verscheidene nevenwerkingen die chemotherapie met zich meebrengt?
Het praktische deel van dit werk handelt over de psychosociale begeleiding van een patiënt met acute lymfatische leukemie. We moeten niet enkel interventies kunnen uitvoeren op verpleegtechnisch vlak, maar we moeten de patiënt psychisch en sociaal ondersteuning kunnen bieden, daar de ziekte een hele wending aan het leven van de patiënt geeft.
Het heeft een invloed op de emoties van de patiënt, op de levensvisie van de patiënt en op het sociale leven van de patiënt. Ook wordt er in dit deel kort uitgeweid over de impact die de ziekte kan hebben op mensen uit de directe omgeving van de patiënt.
Het praktisch deel is eigenlijk een uitwerking van informatie die ik in literatuur gevonden heb en informatie die ik van een psychologe van het UZ te Leuven gekregen heb. Zij heeft enorm veel ervaring op het gebied van psychosociale begeleiding aan mensen met acute leukemie en daarom heb ik samen met haar dit hoofdstuk uitgewerkt.

References
Boeken
De Haes, J.C.J.M.; e.a. (2001). Psychologische patiëntenzorg in de oncologie:
Handboek voor de professional. Assen: Koninklijke van Gorcum.
Grundy, M., & Oliver, G. (2000). Nursing in Haematological Oncology. London:
Baillière Tindall.
Hagens, H.; e.a. (1997). Over kanker. Amsterdam: Contact.
Hoffmann, J.J.M.L.; e.a. (1998). Hematologie. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van
Loghum.
Kübler-Ross, E. (1969) Lessen voor levenden: gesprekken met stervenden.
Bilthoven: Ambo
Schrameijer, F., & Brunenberg, W. (1992). Psychosociale zorg bij kanker. Utrecht:
NcGv.
Snykers, M. (1997) Overleven met chemotherapie. Antwerpen: Hadewijch.
Toth. Van de Berg, J. (2001). De kankerpatiënt. Houten/Diegem: Bohn Stafleu van
Loghum.
Voûte, P.A., de Kraker, J., Caron, H.N. (1997). Kinderoncologie. Houten/Diegem:
Bohn Stafleu Van Loghum.
Artikels
Altobello, C., & Ruymen, G. (1998). Het waarom van een multidisciplinaire
samenwerking. Oncologisch tijdschrift, 15 (3), 17-19.
Berterö, C. (1998). Transition to become a leukemia patiënt: or putting up barrier
which increase patient isolation. European Journal of Cancer Care, (7), 40-46.
Berterö, C. (1993). Quality of life. Journal of advanced nursing, 18, 1346-1353.
Boogaerts M.A. (1999) Milieu en Leukemie. Tijdschrift voor Geneeskunde, 55 (3),
206-211.
Denton, S. & Seunke, W. (1992). Kanker en veranderd lichaamsbeeld. Tijdschrift
voor ziekenhuisverpleegkunde, (7), 240-243.
Fackson, T. (1997). Leukemia: the role of the nurse. Nursing times, 93 (8), 5-8.
Heijting- van de Meulengroof, J. (1990). Laat de kankerpatiënt niet in de kou staan.
Tijdschrift voor ziekenhuisverpleegkunde, (3), 77-80.
Hilgers, A. (1999). Psychosociale problemen bij hematologie patiënten met BMT.
Tijdschrift voor ziekenhuisverpleegkunde, (2), 56-59.
Maertens, J. en Boogaerts, M.A. (2000) Protectieve isolatie in het nieuwe
millennium: zijn er nog indicaties voor de hematoloog. Tijdschrift voor
Geneeskunde, 56 (7), 533-536.
Persson, L. (1997) Survivers of acute leukaemia and highly malignant
lymphomaretrospective views of daily life problems during treatment and when in
remission. Journal of advanced nursing, 25, 68-78.
Poelaert, D. (1990). De stamcel: Leukemie. Dossier, 5-18.
Samwel, H. & Staps, T. (1991). Op zoek naar een nieuw perspectief. Tijdschrift
voor ziekenhuisverpleegkunde, (14), 490-495.
Selleslag, D. (1997) Allogene beenmergtransplantaties en hun plaats bij de
behandeling van leukemieën. Oncologisch tijdschrift, 14 (4), 10-19.
Verhoef, G., et al. (1994). Het milieu en leukemie. Tijdschrift voor Geneeskunde, 50
(10), 828-832.
White, P. (1999). Changing from person to cancer patiënt. Nursing Times, 95 (6),
61-62.
Internetbronnen
Andrew, C. National Cancer institute (2009) What you need to know about
Leukemia.
Gevonden op 28 februari 2009 op het internet:
http://www.cancer.gov/cancerinfo/types/leukemia
Andrew, C. National Cancer institute (2009). Types of treatment.
Gevonden op 28 februari op het internet:
http://www.cancer.gov/cancerinfo/types/leukemia
Andrew, C. National Cancer institute (2009). Coping with cancer.
Gevonden op 5 maart 2009 op het internet:
http://www.cancer.gov/cancerinfo/types/leukemia
Van Damme, P., et al. Gezondheidswebsite (2009) Wat is leukemie:
behandelingsmethoden.
Gevonden op 16 januari 2009 op het internet: http://www.gezondheid.be
Andere bronnen
Paesschierssens, I. (2007). Gezondheidspsychologie. Onuitgegeven nota?s bij een
cursus voor het derde jaar van de opleiding Verpleegkunde, Katholieke Hogeschool
Kempen, Departement Gezondheidszorg Lier.
Sels, K. (2006). Pediatrische basiszorg. Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor
het tweede jaar van de opleiding Verpleegkunde, Katholieke Hogeschool Kempen,
Departement Gezondheidszorg Lier.
Van Lany, Gwenn 2009
39 KHK_ETD DOC De houvastdoos op een kinderpsychiatrische dienst : Een ergotherapeutisch middel
degree Bachelor - Gegradueerde in Ergotherapie

  Dit eindwerk beschrijft een specifiek concept dat in de kinderpsychiatrie kan toegepast worden, namelijk de "houvastdoos". Ik wilde bekijken hoe een houvastdoos in de kinder- en adolescentenpsychiatrie kan gehanteerd worden als therapeutisc ...
h middel.
De houvastdoos is een gewone kartonnen doos die de jongere zelf uitkiest. Het is een individuele activiteit die kadert binnen de aanpak van de ergotherapie. Hij/zij gaat de binnenkant en de buitenkant een persoonlijk tintje geven, a.d.h.v. kleuren, teksten, gedichten. Dan zal hij/zij op zoek gaan naar positieve krachten, herinneringen uit zijn/haar leven.
Op de één of andere manier gaat hij/zij deze voorwerpen verzamelen in de doos bewaren. Voorwerpen die te groot zijn kunnen door andere voorwerpen die deze herinneringen vertegenwoordigen vervangen worden. De jongere krijgt de verantwoordelijkheid om voor de doos te zorgen. Hij/zij geeft de doos een plaats en hij/zij bepaalt wat er in de doos komt en wie de toestemming heeft om in de doos te kijken.

Deze methodiek levert een bijdrage aan het werken aan het zelfbeeld en zelfwaardegevoel van de jongere. Hij/zij leert inzicht krijgen in de eigen denk-, voel-, en ervaringswereld.

Aangezien mijn praktische uitwerking beperkt bleef bij twee jongeren, kan ik geen verdragende conclusies trekken. Toch kan ik enkele ervaringen meedelen. Ik kan besluiten dat werken met een houvastdoos een goed middel is om de vertrouwensrelatie tussen therapeut en cliënt te verbeteren. Ik leerde de jongere beter kennen, maar vooral op een andere manier. In groep gedraagt men zich anders dan dat men individueel werkt.

Ik heb ondervonden dat ook de jongere leert om naar zichzelf te kijken. De doos is een middel waarbij de jongere leert om op een positieve manier naar zichzelf te kijken. Dat is een mooie start om aan het zelfbeeld van de jongere te werken, zeker bij jongeren die hierin erg gekwetst zijn.

References

BROECKMANS, C., 2000-2001. Ontwikkelingspsychologie, 2e jaar Sociaal Werk. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen Geel, 155 p.
BROOS, D., VAN DUN, K., 1997. Hou me (niet) vast: hulpverlening en hechtingsstoornis, Leuven, Garant, 142 p.
CONRADI, M., juli-aug. 2003. De Psycholoog, p. 375.
CUYVERS, G., 2001. Psychopathologie, Wolters Plantyn, 372 p.
DE BOT, LIESBETH, 2000. Algemene psychologie, 1e jaar Ergotherapie. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen Geel.
DE BOT, LIESBETH, 2002. Ontwikkelingspsychologie, 2e jaar Ergotherapie. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen, Geel, 171 p.
DE FEVER, F., COPPENS M., Kinderen met een depressie. Een orthopedagogische aanpak. Leuven, Acco, 1997.
DEWITTE, I., TEN BRINK, S., aug. 2003. Help, ik wil liever dood?Doodswens bij kinderen? Psychopraxis, p.161-164.
HEYNS, E., 1985. Automutilatie. Handboek kinderen en adolescenten, 1-12.
http://gedragsstoornis.startkabel.nl
http://jeugdzorg.startkabel.nl
http://kinderpsychiatrie.startkabel.nl
http://psychiatrie.startkabel.nl
KEIRSE, MANU, 2002. Helpen bij verlies en verdriet. Een gids voor het gezin en de hulpverlener, 280 p.
KOPPEN, TV1, sept. 2003. Alcoholisme jongeren
KWESTIES, canvas, jan. 2003. Jongeren in psychiatrie; gestoord en ontspoord
KWESTIES, canvas, febr. 2003. ADHD
NELIS, EMMANUEL, VANDEVELDE, MARTINE, 2002. Houvastdoos en Bouwstenenschrift. Acta ergotherapeutica belgica, p.33-36.
NFGV: folder ADHD bij kinderen en volwassenen: als chaos het leven beheerst.
NFGV: folder Posttraumatische stress-stoornis: de klap die pijn blijft doen.
NFGV: folder Dwangstoornissen: als kiezen niet meer lukt.
NFGV: folder Manisch-depressieve stoornis: als stemmingen uit de hand lopen.
NFGV: folder Schizofrenie: storing in de hersenen.
NFGV: folder Angststoornissen: als angst en paniek het leven beheersen.
OUDSHOORN, D.N., BRANS, H.C.M., DUYX, J.H.M., EUSSEN, M.L.J.M. 2002. Kinder- en adolescentenpsychiatrie. Een praktisch leerboek. Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, 403 p.
PEETERS, J. 1995. Moeilijke adolescenten. Apeldoorn/ Leuven: Garant.
PZ Sancta Maria, 1999, Infofolder Dienst kinder- en jeugdpsychiatrie, 5p.
SCHOOFS, LIEVE, 2002. Ergotherapie psychiatrie, 2e jaar Ergotherapie. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen Geel.
SMETS, ILSE, stagiaire kinderpsychologie, april 1997. Verslag seminarie, automutilatie, 17p.
STEENSELS, MARK, 2000. Algemene ergotherapie, 1e jaar Ergotherapie. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen Geel.
STEENSELS, MARK, 2000. Ergotherapie psychiatrie, 1e jaar Ergotherapie. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen Geel.
SWETS EN ZEITINGER, DSM-IV, 2000.
VAN DETH, R., aug. 2003. Waar vind ik goede informatie over psychische stoornissen? Psychopraxis, p.170-174.
VAN DETH, R., febr. 2003. Rouw. Psychopraxis, p.23-27.
VAN DROOGENBROEK, FRANKLIN, 2002. Pathologie Ontwikkeling, 2e jaar Ergotherapie. Niet-gepubliceerde cursus KH Kempen Geel.
www.centrum45.nl/articles/hulpvr09.htm
www.jeugdenhulpverlening.nl
www.metlegehanden.be
www.opvoedadvies.nl
www.psychiatrie.be
www.psychopraxis.bsl.nl
www.pzsmaria.be
www.sabn.nl
www.schizofrenieplein.nl/hulp/abc.htm
www.uitvaart.nl/regenboog/
ZIT STIL, 2003. ADHD, informatieavond, Turnhout
 De eerste zes weken dat een jongere opgenomen is gaat men evalueren in een observatiebespreking
 Een jongere die aangemeld wordt voor een periode van maximum 14 dagen die het op een bepaald moment niet meer aankon om normaal in de maatschappij te functioneren.
 Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg
 Attention Deficit Disorder: een aandachtstekortstoornis
 Opvoedingscentrum leerlingenbegeleiding, pedagogische dienst KUL
 Secundair Onderwijs
 Obsessive-compulsive disorder, is obsessieve-compulsieve stoornis, bestaat voornamelijk uit dwangstoornissen (zie bijlagen)
 Deel van de behandeling dat zowel de patiënt als de omgeving kan steunen bij het leren omgaan met de ziekte. Voor sommigen staat psycho-educatie gelijk aan voorlichting over de ziekte en de werking en bijwerking van medicijnen. Anderen menen dat psycho-educatie veel méér moet inhouden en pas geslaagd is als mensen de controle over zichzelf weer terug hebben.
 Er bestaan een aantal vragenlijsten om de ernst en frequentie van dissociatieve symptomen bij een patiënt vast te stellen. Ze zijn bedoeld als hulpmiddel voor een professionele hulpverlener en duidelijk niet bedoeld als een diagnostisch instrument. Betrouwbare dissociatievragenlijst met 63 items. Meet dissociatie aan de hand van vier subschalen: Identiteitsverwarring en -fragmentering, Controleverlies, Amnesie, Verhoogde concentratie/absorptie.
 Anhedonie= nergens nog zin in hebben, nergens plezier in ervaren.
 Een psychiatrische stoornis gaat gepaard met andere kenmerken, zoals lage zelfwaardering, stemmingslabiliteit, lage frustratietolerantie, vloeken, vroegtijdig gebruik van alcohol, tabak en drugs.
 Het ontbreken van gedrag dat normaal wel aanwezig is. Bijvoorbeeld: weinig spreken, teruggetrokken gedrag, weinig initiatief tonen, weinig gebaren maken of een vlakke gezichtsuitdrukking hebben.
 Collocatie = een gedwongen opname. De jongere verliest hierbij zijn rechten en staat onder toezicht van een jeugdrechter.
 Een psychose uitlokken
 een programma waar de jongere letterlijk een afstand van 1,5 m bij een begeleider of hulpverlener moet blijven, zodat deze steeds in zicht blijft. Het programma wordt gebruikt bij jongeren met wegloopgedrag, jongeren met seksueel overschrijdend gedrag, promiscue meisjes (= meisjes die zich snel ?bloot? geven)
 hallo= elke morgen wordt de dag overlopen en kunnen de jongeren hun mening geven. Vb. maandag kunnen ze vertellen wat ze in het weekend gedaan hebben.
 groei= vergadering waarin de jongeren hun werkpunten opsommen en vertellen hoe ze de afgelopen week hieraan gewerkt hebben. Hier wordt dan feedback op gegeven door de aanwezige therapeuten en leefgroepbegeleiding en eventueel worden werkpunten weggelaten, aangepast of toegevoegd.
 Anhedonie= nergens nog zin in hebben, nergens plezier in ervaren.
 Een psychiatrische stoornis gaat gepaard met andere kenmerken, zoals lage zelfwaardering, stemmingslabiliteit, lage frustratietolerantie, vloeken, vroegtijdig gebruik van alcohol, tabak en drugs.
 Het ontbreken van gedrag dat normaal wel aanwezig is. Bijvoorbeeld: weinig spreken, teruggetrokken gedrag, weinig initiatief tonen, weinig gebaren maken of een vlakke gezichtsuitdrukking hebben.
 Borderline-persoonlijkheidsstoornis
 Suïcidepoging ondernemen zonder de intentie te hebben om te doden
 Externaliserend gedrag = agressief en delinquent gedrag - Internaliserend gedrag = verlegen/teruggetrokken, moedeloos, angstig gedrag.
 uit-of afreageren van intrapersoonlijke spanningen of conflicten. Dit kan vorm aannemen van volgende grensoverschrijdende gedragingen: alcohol- of medicatie-intoxicatie, agressie: fysiek of verbaal, automutilatie tot zelfdodingspoging
2 ( Eindwerksjabloon
Michiels, Leen 2004
40 KHK_ETD PDF Mijn verhaal : Een levensboek als hulpmiddel bij de communicatie tussen matig dementerende ouderen en hun familieleden
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  Onderzoeksvraag
Contact met (matig) dementerende ouderen wordt door verschillende auteurs uitgebreid beschreven. Is deze informatie enkel toegankelijk voor hulpverleners of kan het ook nuttig zijn voor naaste familie van de dementerende ou ...
dere? Zijn familieleden geholpen met deze informatie in hun contact met hun dementerend familielid? Hebben zij niet meer nood aan iets concreet om mee te werken, in hun contact met de dementerende oudere? Kunnen we de familie helpen om mee te stappen 'in de wereld / het leven' van de dementerende oudere?
Aan de hand van deze vragen kwam ik tot een grotere onderzoeksvraag: "Is het mogelijk om, met behulp van levensboeken, het contact te veranderen (misschien verbeteren) tussen matig dementerende ouderen en hun familie?"
Tijdens mijn stageperiode in WZC Zusterhof Campus Hadschot ging ik op zoek naar een antwoord op deze vraag.
In de onderzoeksvraag zitten drie grote onderdelen: communicatie met matig dementerende ouderen, reminiscentie en levensboeken. Per onderdeel ben ik op zoek gegaan naar bruikbare informatie.

Communicatie met matig dementerende ouderen
Communicatie met (matig) dementerende ouderen wordt beschreven door verschillende auteurs. In mijn onderzoek koos ik voor de benaderingswijze van Verdult. Deze vond ik (persoonlijk) het meest interessant en wordt ook gevolgd in WZC Zusterhof Campus Hadschot.
Verdult (1993) spreekt vooral over het hanteren van vier verschillende actiepunten:
1. Het behoud van positieve aspecten (door activiteiten gelinkt aan vroeger of een stimulerende omgeving)
2. Psychosociale begeleiding (door een goede vertrouwensrelatie met de dementerende oudere)
3. Ondersteunen van zaken waarin de oudere tekort schiet (het bieden van comfort)
4. Een goede communicatie (communicatie analyseren).
Naast de benaderingswijze van Verdult kan men ook gebruik maken van zowel verbale als non ? verbale communicatie. Belangrijk hierbij is te zien wanneer taal precies zijn betekenis verliest voor de dementerende oudere en te weten wanneer men best overschakelt op de non verbale technieken.

Reminiscentie
Om het levensverhaal van de dementerende ouderen te leren kennen, zou reminiscentie de beste methode zijn.
Barendsen en Boonstra (2005), Buijssen (1997) en Doucet (2000) gaven de duidelijkste informatie weer rond reminiscentie.
Reminiscentie is letterlijk "terugdenken of zich herinneren". Samen met de oudere gaat men op zoek in het geheel van herinneringen en probeert men op die manier een beeld te krijgen van de belevingswereld.
De bedoeling was om echt iets te doen met de verkregen informatie. Daarom moest het aan de hand van een doordachte en gestructureerde aanpak.

Levensboek
Ook het opstellen van een levensboek is niet iets waar men "zomaar" aan begint. Bloemendal (1997) geeft hiervoor een prima handleiding in zijn boek "Levensboeken, een handleiding voor hulpverleners in de ouderenzorg". Zowel doelstellingen, het samenstellen als aandachtspunten komen er in voor.

Praktijkstudie
Voor het uitwerken van de praktijkstudie koos ik voor twee bewoners uit het WZC Zusterhof Campus Hadschot. Deze bewoners waren beiden matig dementerend en hadden een duidelijk probleem in communicatie. De aard van het communicatieprobleem was verschillend (vb. verwarring omwille van dementie, spraak ? en gehoorprobleem ten gevolge van CVA, moeilijk te begrijpen door verstoorde motoriek, enz.)
Beide bewoners waren erg gehecht aan oude foto's van belangrijke gebeurtenissen, familieleden, enz. Ze koesterden 'hun verleden'. Aan de hand hiervan konden ze zaken die voor hen belangrijk waren, 'hun verleden', duidelijk maken.
Deze foto's en bijhorende verhalen werden gebundeld in een handig (levens)boek. Op die manier kon ook de familie op een andere manier communiceren met hun dementerend familielid.
In sommige gevallen schrok de familie van het succes van oude foto's. Vaak hadden zij in de loop der jaren wel 'een manier' gevonden om te communiceren met de dementerende oudere, maar door het gebruik van foto's ging er weer een nieuwe wereld (manier van communiceren) open.
Toch was het niet altijd even evident. Het probleem in communicatie bleef 'een obstakel' om mee om te werken. Belangrijk was daar een goede omgangsvorm in te vinden. Dit leek in theorie altijd mooi omschreven, maar bleek in praktijk toch individueel bepaald te zijn. Iedere (dementerende) bewoner vraagt namelijk een individuele benaderingswijze.

Besluit
"Is het mogelijk om, met behulp van levensboeken, het contact te veranderen (misschien verbeteren) tussen matig dementerende ouderen en hun familie?"
Ja, voor deze mensen kan het levensboek (mede) een hulpmiddel zijn in het contact met hun familie. Maar er moet wel voldaan worden aan enkele voorwaarden.
Een eerste belangrijke voorwaarde is dat de mensen, zowel dementerende oudere als hun (naaste) familie, interesse hebben in het project.
Dit is, ten eerste, noodzakelijk voor een goede samenwerking. Maar daarnaast ook om te weten te komen of de dementerende oudere wel behoefte heeft aan een levensboek. Vb. Wat als de dementerende oudere helemaal geen prettige geschiedenis heeft. Wil hij er dan wel aan herinnerd worden? Indien dit toch het geval is, wat is dan de doelstelling van het levensboek?
Deze vragen moeten vooraf duidelijk zijn, want een levensboek is per definitie geen oplossing voor iedere (matig) dementerende oudere. De (dementerende) oudere moet altijd nog benaderd worden vanuit een individuele benaderingswijze.
Een tweede voorwaarde die voldaan moet zijn, alvorens te starten met het levensboek, is een duidelijk beeld schetsen van het communicatieprobleem. In hoeverre is de communicatie verstoord, kan deze bewoner nog op een bepaald niveau communiceren, kan hij nog inhoud / boodschap geven aan zijn communicatie?
Ook dat zijn belangrijke vragen die beantwoord moeten worden alvorens te starten met het project.
Familieleden lieten me weten dat het levensboek een goed hulpmiddel kan zijn om oa. onduidelijkheden (vb. geboorte achterkleinkind aan de hand van een stamboom) voor de dementerende oudere te verduidelijken. De dementerende oudere kan ook vertellen over de verschillende foto's. Ze kunnen zaken aanduiden en op die manier weet de familie zeker over wat men het heeft.
Op deze manier kan het levensboek een handig hulpmiddel zijn in de communicatie tussen familieleden en de dementerende oudere.
Vermeiren, Gitte 2009
41 KHK_ETD PDF Rouwbegeleiding op de NIC : Een gids voor verpleegkundigen
degree Bachelor - Bachelor in de pediatrische gezondheidszorg

  Als gediplomeerde vroedvrouw en student voor verpleegkunde wist ik erg weinig over rouwbegeleiding. Vanuit onze opleiding wordt er weinig aandacht aan besteed, ook hoe we zelf met bepaalde gevoelens geconfronteerd worden. We kunnen het best ...
iemand begeleiden als we weten hoe we het moeten aanpakken. Ook wat de noden zijn van de patiënt. Hoe kunnen we ouders in rouw het best begeleiden? Hoe betrekken we andere kinderen erbij? Wat zijn de aandachtspunten bij een verlies binnen een andere cultuur? Welke gevoelens hebben we zelf als verpleegkundige bij een verlies op dienst?

Ik begon heel concreet te zoeken naar rouwbegeleiding in het algemeen, maar ook gericht naar ouders toe. Wat moet ik weten om de rouw te begrijpen? Dat was mijn uitgangspunt. Wie komt er nog allemaal bij een verlies kijken? Zo kwam ik bij andere kinderen en ook jezelf als verpleegkundigen. Ik sprak een aantal mensen aan om informatie te vergaren en dit bracht me een heel eind op weg.

Mijn opzoekingen hebben me vooral gedrukt op het feit dat mensen niet alleen door een rouwproces kunnen. Ouders hebben elkaar nodig, maar zeker ook naasten en familie. De kleinste dingen kunnen het voor de ouders écht maken: fysische herinneringen aan hun overleden baby. De praktische aanpak bij een eerste opvang na een overlijden tot en met het ontslag van het kind en moeder, gaf me meer inzicht. Echt alles wat aan hun kind doet herinneren is belangrijk voor de ouders.
Verpleegkundigen kunnen door hun band met de patiënt (kind + de ouders) erg geraakt zijn door het verlies, waardoor hun functioneren beperkt kan worden. Hoe kan je je collega helpen die met zijn/haar eigen gevoelens worstelt? Welke rol kan de leidinggevende spelen? Ik vond het daarom belangrijk om ook dit te bespreken.

References

Artikels
Engler, A.J., Cusson, R.M., Brockett, R.T., Cannon-Heinrich, C., Goldberg, M.A.,
Gorzkowski, M. & Petow, W. (2004). Neonatal Staff and advanced practise nurses?
perceptions of bereavement/end-of-life care of families of critically ill and/or dying
infants. American Journal of Critical Care, 13 (6), 489 ? 498.
Seecharan, G.A., Andresen, E.M., Norris, K. & Toce, S.S. (2004). Parents?
assessment of quality of care and grief following a child?s death. Archives of
Pediatrics & Adolescent Medicine, 158 , 515 ? 520.
Badger, J.M. (2005). Factors that enable or complicate end-of-life transitions in
critical care. American Journal of Critical Care, 14 (6), 513 ? 521.
Macdonald, M.E., Liben, S., Carnevale, F.A., Rennick, J.E., Wolf, S.L., Meloche, D. &
Cohen R. (2005). Parental perspectives on hospital staff members? acts of kindness
and commemoration after a child?s death. Pediatrics, 116 (4), 884 ? 890.
Sheldon, T. (2005). Killing or caring? British Medical Journal, 330, 560.
Beckstrand, R.L. & Kirchhoff, K.T. (2005). Providing end-of-life care to patients:
critical care nurses? perceived obstacles and supportive behaviours. American
Journal of Critical Care, 14 (5), 395 ? 403.
Fowlie, P.W. & McHaffie, H. (2004). Supporting parents in the neonatal unit. British
Medical Journal, 329, 1336 ? 1338.
Beckstrand, R.L., Callister, L.C. & Kirchhoff, K.T. (2006). Providing a ?good death?:
critical care nurses? suggestions for improving end-of-life care. American Journal of
Critical Care, 15 (1), 38 ? 45.
Yaguchi, A., Truog, R.D., Curtis, R., Luce, J.M., Levy, M.M., Mélot, C. & Vincent, J.-L.
(2005). International differences in end-of-life attitudes in the intensive care unit:
results of a survey. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 165, 1970 ? 1975.
Pierucci, R.L., Kirby, R.S. & Leuthner, S.R. (2001). End-of-life care for neonates and
infants: the experience and effects of a palliative care cons. Pediatrics, 108 (3), 653 ?
Ahrens, T., Yancey, V. & Kollef, M. (2003). Improving family communications at the
end of life: Implications for length of stay in the intensive care unit and resource use.
American Journal of Critical Care, 12 (4), 317 ? 324.
Patrick, D.L., Curtis, J.R., Engelberg, R.A., Nielsen, E. & McCown, E. (2003).
Measuring and improving the quality of dying and death. Annals of Internal Medicine,
139 (5, part 2), 410 ? 416.
Rouwbegeleiding op een NIC 49
Kopelman, A.E. (2006). Understanding, avoiding and resolving end-of-life conflicts in
the NICU. The Mount Sinai Journal of Medicine, 73 (3), 580 ? 586.
Rebagliato, M., Cuttini, M., Broggin, L., Berbik, I., de Vonderweid, U., Hansen, G,
Kaminski, M., Kollée, L.A.A., Kucinskas, A., Lenoir, S., Levin, A., Persson, J., Reid,
M. & Saracci, R. (2000). Neonatal end-of-life decision making. The Journal of the
American Medical Association, 284 (19), 2451 ? 2459.
Boeken
Keirse, M. (1995). Helpen bij verlies en verdriet: een gids voor het gezin en de
hulpverlener. Tielt: Lannoo.
Van den Berg, M. (2006). Verdriet dat niet verdwijnt: door-leven na de dood van een
kind, broer of zus. GA Kampen: Ten Have.
Spee, I., Roos, D., Fiddelaers ? Jaspers, R. (2000). Veelkleurig verdriet: afscheid
nemen in verschillende culturen. ?s ? Hertogenbosch: KPC Groep.
Carpenito, L.J. (2002). Zakboek verpleegkundige diagnosen. Groningen/Houten:
Wolters ? Noordhoff B.V.
Cuisinier, M. & Hoogduin, K. (1994) De psychosociale zorg rond miskraam en
perinatale sterfte. Houten/Zaventem ? Bohn Stafleu Van Loghum.
Van den Bout, J, Boelen, P.A. & de Keijser, J. (1998). Behandelingsstrategieën bij
gecompliceerde rouw en verliesverwerking. Houten/Diegem 1998 ? Bohn Stafleu Van
Loghum.
Elektronische publicaties
http://www.gmc-
uk.org/guidance/current/library/witholding_lifeprolonging_guidance.asp
http://www.aacn.nche.edu/Publications/deathfin.htm
Onuitgegeven materiaal
Mangelschots, A. (2007). Palliatieve zorgen aan pasgeborenen. Onuitgegeven nota?s
bij een cursus voor de BanaBa pediatrische gezondheidszorg, Katholieke
Hogeschool Kempen, Departement Gezondheidszorg Lier.
Peeters, S. (2008). Palliatieve hulpverlening voor kinderen. Onuitgegeven nota?s bij
een cursus voor de BanaBa pediatrische gezondheidszorg, Katholieke Hogeschool
Kempen, Departement Gezondheidszorg Lier.
Rouwbegeleiding op een NIC 50
Overige
Gedicht in de inleiding
http://www.gedachten-gedichten.nl/overlijden_kind_2.htm
Rouwbegeleiding op een NIC 51
Overlaet, Katleen 2008
42 KHK_ETD PDF Onderzoek naar de noodzaak aan een selectieorgaan voor hondeneigenaars
degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  In de samenleving komen gedragsproblemen bij honden maar al te vaak in het nieuws omdat er alweer een kind gebeten is of er verwaarloosde honden gevonden zijn, ... Om deze problemen te voorkomen en de hond weer 's mens beste én betrouwbare ...
vriend te maken is het nodig om de hond niet enkel te begrijpen, maar ook te doorgronden. Voorkomen is beter dan genezen, en hier draait het in dit eindwerk dan ook om.

Gedurende het afgelopen jaar heb ik onderzoek gevoerd naar een aantal veel voorkomende situaties en de tegenstrijdige informatie die hier, veelal op het internet, over wordt verschaft. Het centrale principe in dit eindwerk is dat de hond in zijn eigen waarde blijft en er ook naar behandeld wordt.
Uiteindelijk wordt er een antwoord gegeven op de vraag of er nood is aan een selectieorgaan voor hondeneigenaars.

Dit antwoord is positief: er is een orgaan nodig, maar deze moet zich niet zozeer richten op de evaluatie van potentiële eigenaars, maar wel op het verschaffen van eenduidige en begrijpbare informatie die ondersteund wordt door de gedragstherapeuten, hondenscholen, ...
Dit zal een groot en tijdrovend project zijn, maar als het in de praktijk verder uitgewerkt zou worden, zal het op de lange termijn zijn vruchten afwerpen.

References
Amnesty International Vlaanderen (s.a.). Universele verklaring van de rechten van de
mens: volledige versie.
Gevonden op 13 november 2009 op het internet:
http://www.aivl.be/subthema/universele-verklaring-van-de-rechten-van-de-mens-
volledige-versie/842
ASPCA (s.a.). Reading canine body postures.
Gevonden op het internet op 14 maart 2010:
http://www.aspca.org/assets/images/behavior-images/canine-body-language/image-
09.jpg
ASPCA (s.a.). Virtual pet behaviorist: canine body language.
Gevonden op het internet op 14 maart 2010:
http://www.aspcabehavior.org/articles/50/Canine-Body-Language.aspx
Belgische wetgeving. Wet betreffende het welzijn en bescherming der dieren.
Gevonden op het internet op 20 februari 2010:
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1986081
434&table_name=wet
Callaway, E., (2009). Pet dogs rival humans for emotional satisfaction. NewScientist,
Life, 14 januari 2009.
Gevonden op het internet: http://www.newscientist.com/article/dn16412-pet-dogs-
rival-humans-for-emotional-satisfaction.html
Calleyne, R. (2009). Owning a dog is a similar emotional experience to having children,
say scientists.
Gevonden op 12 april 2010: http://www.telegraph.co.uk/news/4241224/Owning-a-
dog-is-a-similar-emotional-experience-to-having-children-claim-scientists.html
Davis, K. D. (2004). The canine behavior series: eye contact.
Gevonden op het internet op 10 maart 2010:
http://www.veterinarypartner.com/Content.plx?P=A&A=1649&S=1&SourceID=47
De hondeluisteraar (s.a.). Aanschaf: volwassen honden.
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://members.chello.nl/~fam.dekok/
De Voorzorg provincie Vlaams-Brabant (s.a.). Huisdieren: de baby en de hond; la belle
et la bète?
Gevonden op het internet op 1 maart 2010: http://www.reddie- http://www.reddie-
teddy.be/in-de-kijker/Pages/Debabyendehond.aspx
De Voorzorg provincie Vlaams-Brabant (s.a.). Huisdieren: wat met mijn huisdier als de
baby komt?
Gevonden op het internet op 1 maart 2010: http://www.reddie- http://www.reddie-
teddy.be/opvoeding/baby/huisdieren/Pages/Watmetmijnhuisdieralsdebabykomt.aspx
Dibevo-Vakblad (2009). Hond zoekt jasje.
Gevonden op het internet op 4 februari 2010:
http://www.express.be/money/nl/lifestyle/hond-zoekt-jasje/102595.htm
Dierenartsenpraktijk Ter rivieren (2008). Hoe kies en koop ik het best mijn nieuwe
hond?
Gevonden op het internet op 28 februari 2010:
http://www.animaldoctor.be/dierenarts_aankoop_hond.htm
Dodman, N. (s.a.). What does your body language say to your dog?
Gevonden op het internet op 10 maart 2010: http://www.petplace.com/dogs/what-
does-your-body-language-say-to-your-dog/page1.aspx
FAVV (2002). K.B. tot regeling van de samenstelling en de werking van de Raad voor
Dierenwelzijn.
Gevonden op het internet op 5 april 2010: http://www.favv.be/sp/pa-sa/doc/leg-
vet/2002-10-07_DV_KB.pdf
Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en
Leefmilieu (2010). Raad voor Dierenwelzijn.
Gevonden op het internet op 5 april 2010:
https://portal.health.fgov.be/portal/page?_pageid=56,16364556&_dad=portal&_schem
a=PORTAL
FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ? Dienst
Dierenwelzijn en CITES (s.a.). Dierenasielen: statistieken 2008.
Gevonden op het internet op 16 februari 2010:
http://www.dierenrecht.be/euthanasie.htm
Grobbelaar, C. (s.a.). Dogsense behaviour and training: the fall-outs of using positive
punishment.
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://www.dogsense.co.za/
Honden zonder toekomst (s.a.). Hondengedrag tips & trucs: voorbereiding en aanschaf.
Gevonden op het internet op 28 februari 2010:
http://www.hondenzondertoekomst.nl/nl/hondengedrag-tips-a-trucs/voorbereiding-a-
aanschaf
Hondenbescherming (s.a.). Hondeninformatie: kind en hond.
Gevonden op het internet op 1 maart 2010:
http://www.hondenbescherming.nl/pdf/kind-en-hond.pdf
Jackson, J. (2005). Clever Hans: a horse?s tale.
Gevonden op het internet op 12 april 2010:
http://www.skeptics.org.uk/article.php?dir=articles&article=clever_hans.php
Kane, D.B. (2004). Rico?s remarkable ?vocabulary? raises new questions about
language learning in animals.
Gevonden op het internet op 12 april 2010:
http://rp.www.aaas.org/news/releases/2004/0610rico.shtml
Koningin Sophia-Vereeniging tot bescherming van dieren (s.a.). Geschiedenis
dierenbescherming.
Gevonden op het internet op 20 februari 2010: http://www.sophia-
vereeniging.nl/nl/pages/sophia-vereeniging/geschiedenis.html
Koningin Sophia-vereeniging tot bescherming van dieren (s.a.). Hondenschool.
Gevonden op het internet op 2 april 2010: http://www.sophia-
vereeniging.nl/nl/pages/huisdier-en-welzijn/honden/hondenschool.html
Koninklijke Maatschappij voor Dierenbescherming vzw (s.a.). Adoptieprocedure.
Gevonden op het internet op 20 maart 2010:
http://www.dierenasielgent.be/info.asp?language=nl&pagina=adoptieprocedure
Lindsay, S. R. (2004). Handbook of applied dog behavior and training: Adaptation and
learning (Vol. 2). Iowa: Blackwell Publishing.
LiveScience Staff (2009). ?Guillty dog? look is a myth.
Gevonden op het internet op 3 februari 2010:
http://www.livescience.com/animals/090611-guilty-dogs.html
Martin Gaus dierentehuis Flevoland (s.a.). Procedure adoptiehond.
Gevonden op het internet op18 maart 2010:
http://www.martingausdierenasiel.nl/hondenasiel/procedureadoptiehond.html
Matola, K. (s.a.). the ABCs of puppy socialization: how to help your puppy grow into a
people-friendly dog.
Gevonden op het internet op 12 april 2010:
http://www.dogchannel.com/puppies/social/article_12688.aspx
Hondengedrag.be (2009). Hoe leert een hond, beloning en straf.
Gevonden op het internet op 12 april 2010:
http://www.hondengedrag.be/index.php?section=8&page=46
Hondenplaza (s.a.). Wat heeft u nodig voordat uw hond komt?
Gevonden op het internet op 12 april 2010:
http://www.hondenplaza.nl/page/benodigdheden_hond.php
Hurkmans, S. (s.a.). Hoe leert een hond? Straf, een nuttig middel met veel valkuilen.
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://www.kc-delft.nl/artikel/straf.html
Miller, C. (s.a.). The history of dog clothes: how did your dog came to wear clothes?
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://ezinearticles.com/?The-History-of-
Dog-Clothes---How-Did-Your-Dog-Came-to-Wear-Clothes?&id=1599010
Morrison, M. (s.a.). Do dogs comprehend the English language?
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://www.helium.com/items/1543046-
do-dogs-understand-english
Nussbaum, M., (2006). Een waardig bestaan, over dierenrechten. Wommelgem: Veen
Bosch & Keuning uitgevers n.v.
Peterson, M. (s.a.). Dog clothes.
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://ezinearticles.com/?Dog-
Clothes&id=222240
Quaranta A., Siniscalchi M. & Vallortigara G. (2007). Asymmetric tail-wagging
responses by dogs to different emotive stimuli. Current Biology, 17 (6), p.199?201.
Gevonden op het internet op 11 maart 2010: http://download.cell.com/current-
biology/pdf/PIIS0960982207009499.pdf?intermediate=true
Renckens, E. (2009). ?Wil je mij even vlooien??: waarom apen niet kunnen spreken.
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://www.kennislink.nl/publicaties/wil-je-
mij-even-vlooien
Rugaas, T. (s.a.). Calming signals: the art of survival.
Gevonden op het internet op 10 maart 2010:
http://www.canis.no/rugaas/onearticle.php?artid=1
ScienceDaily (2009). What really prompts the dog?s ?guilty look?.
Gevonden op het internet op 12 april, 2010:
http://www.sciencedaily.com/releases/2009/06/090611065839.htm
Scott, J.P., Fuller, J.L. (1965). Genetics and the social behavior of the dog. Chicago:
University of Chicago Press.
SPA (s.a.) Magda verkozen tot diervriendelijkste schepen.
Gevonden op het internet op 25 april 2010:
http://www.magdaraemaekers.be/Dieren.htm
Sylmar Dogwear (s.a.). Avoid, reduce or eliminate dog health problems and vet bills!
Gevonden op het internet op 12 april 2010: http://www.sylmardogwear.com/index.htm
Trachet D. (s.a.) Dit beestje blijft mijn kind! Primo tv-gids, 19 (1006), 120-121.
Van Burken, P. (s.a.). Zijn de basisemoties universeel?
Gevonden op het internet op 12 april:
http://www.psychfysio.nl/Excerpts/Ekman1971.asp
Verschueren groot geïllustreerd woordenboek (1991). (volume 1, p. 238). Antwerpen:
Standaard Uitgeverij nv.
Verschuren B. (s.a.). Wat is communicatie?
Gevonden op het internet op 30 november 2009:
http://www.leerkracht.nl/show?id=7634#_7637_
Vlaamse Vereniging voor Dierenbescherming (s.a.). Je kan een hond op proef
adopteren of een optie nemen op een dier.
Gevonden op het internet op 20 maart 2010:
http://home.scarlet.be/~ds964938/wees%20actief/asiel/proefperiode%20en%20optie.
html
vzw Animal Trust (s.a.). Één van onze honden adopteren.
Gevonden op het internet op 18 maart 2010: http://www.animaltrust.be/
vzw De blauwe hond (s.a.). Communicatie tussen hond en baasje: mythes en
misverstanden.
Gevonden op het internet op 30 november 2009:
http://www.blauwehond.be/mythe.pdf
vzw GAIA (2008). Aantal honden en katten nog steeds dramatisch hoog: GAIA en
Animeaux en péril eisen actieplan van minister Onkelinx.
Gevonden op het internet op 16 februari 2010:
http://www.gaia.be/ned/control.php?&topgroupname=&groupname=pb145
vzw GAIA (2006). Antwoorden van de partijvoorzitters 2006.
Gevonden op het internet op 25 april 2010:
http://www.gaia.be/ned/control.php?&topgroupname=&groupname=antw_partijvoorzit
ters_2006
vzw GAIA (2009). In ongeveer kwart van door GAIA bezochte dierenwinkels
overtredingen nieuwe wet honden- en kattenverkoop vastgesteld.
Gevonden op het internet op 20 februari 2010:
http://www.gaia.be/ned/control.php?&topgroupname=&groupname=pb207
vzw GAIA (2006). Verkiezingen 2006.
Gevonden op het internet op 25 april 2010:
http://www.gaia.be/ned/control.php?&topgroupname=&groupname=verkiezingen_200
Wijffels, H. J. C (s.a.). Gevoelsmatige communicatie tussen mens en dier?
Gevonden op 27 november 2009 op het internet:
http://74.125.77.132/search?q=cache:B4Mv5y_1jXUJ:www.ua.ac.be/download.aspx%
3Fc%3Dhenk.wijffels%26n%3D51457%26ct%3D51071%26e%3D126330+gevoelsmati
ge+communicatie&cd=1&hl=nl&ct=clnk&gl=be&client=firefox-a
Wynne, C. (2004). Does your dog understand you? Strong selective pressure has made
Fido seem smarter. The Scientist, 18 (24), 18.
Gevonden op het internet op 3 februari 2010:
http://www.vetscite.org/publish/items/002027/index.html
Heyman, Naomi 2010
43 KHK_ETD PDF Het houden en verzorgen van papegaaien
keywords Ecology Systematic zoology, taxonomy, zoogeography Biomedical sciences Animal ecology Animal anatomy, animal morphology Zoology

degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  Veel mensen die een papegaai aanschaffen weten niet waaraan ze beginnen. Met dit eindwerk wil ik mensen die van plan zijn deze bijzondere vogel in huis te halen, of mensen die al eigenaar zijn van een papegaai, zo goed mogelijk informeren o ...
ver deze dieren.

Hiervoor heb ik zoveel mogelijk informatie van dierenartsen, professoren, eigenaars van papegaaien enzovoort, verzameld en samengebracht.

In dit eindwerk worden essentiële dingen besproken zoals de aanschaf, de huisvesting en soorten papegaaien.

"Hoe moet ik mijn papegaai tam maken en leren praten?" zijn vragen die in dit werk beantwoordt zullen worden.
Het leren begrijpen van het gedrag van papegaaien kan van levensbelang zijn.

Als men dacht dat het verstrekken van uitsluitend zaden aan deze bijzondere vogels voldoende zou zijn, wordt in dit eindwerk het tegendeel bewezen. Meer nog, papegaaien kunnen allerlei levensbedreigende ziekten krijgen indien er enkel zaden als voeding verstrekt worden.

Verder worden er dan ook enkele belangrijke pathologische aandoeningen besproken. Wanneer de papegaai naar de dierenarts moet, weet men best op voorhand waaraan men zich kan verwachten. Men wist misschien nog niet dat een papegaai ook ontwormd moet worden?
Er zijn nog veel meer dingen die de papegaai nodig heeft om in zijn behoeften te kunnen voldoen.

References

Altman clubb Dorrestein Quesenberry. (1997). Avian medicine and surgery. United States
of America: Saunders Company.
André, J.P. (2005). Guide pratique des maladies des oiseaux de cages et de volières. Parijs:
Med?com.
Belgisch Staatsblad. (2001). Koninklijk besluit betreffende de toegestane ingrepen bij
gewervelde dieren, met het oog op bet nutsgebruik van de dieren of op de beperking van de
voortplanting van de diersoort. Gevonden op 15 april 2007 op het internet:
http://www.aviornis.be/documenten/leewieken.pdf
Boons, V. (2007). Meest voorkomende ziekten. Gevonden op 10 februari 2007 op het
internet: http://users.telenet.be/dimphna.hens1/wormziekten.htm
Breijs, F.K. (2006). Gezondheid en ziekte. Gevonden op 10 februari 2007 op het internet:
http://www.koppiekrauw.com/Papa-kennis/pape-zieke_gaai/papez-parasieten.htm
Breijs, F.K. (2006). Informatie soorten papegaaiachtigen. Gevonden op 10 februari 2007 op
het internet: http://www.koppiekrauw.com/Soorten/soorten-soorten.htm
De Cremer, G. (2001). Biologie. Gevonden op 31 maart 2007 op het internet:
http://student.kuleuven.be/~m0217206/Biologie.html
De Herdt, P. (1999). Psittaciformen. Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor de opleiding
diergeneeskunde, universiteit Utrecht.
De Schrijver, K. (2006). Psittacose, nog steeds een diagnostische en epidemiologische
uitdaging. Gevonden op 02 april 2007 op het internet:
http://www.wvc.vlaanderen.be/epibul/45/psittacose.htm
Devos, A. (1971). Pluimveeziekten. Gent: Story ? Scientia PVBA.
Dierenkliniek De Toren. (2007). Ziekten. Gevonden op 02 april 2007 op het internet:
http://www.dierenkliniek-de-toren.nl/Ziekte_info/Vogelkliniek/Wormen/wormen.html
Doest, O. (1999). Welzijnsproblematiek bij papegaaien in relatie tot hun gedrag en
intelligentie. Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor de opleiding diergeneeskunde,
Universiteit Utrecht.
Grandjean, D. (2003). Alles over de voedingsstoffen die uw hond en kat voeden, beschermen
en genezen. Aniwa.
Innemee, G. (2006). Verenplukken. Gevonden op 24 februari 2007 op het internet:
http://www.papegaai.org/content.php?taal=NEDERLANDS&paginanr=411
Kramer, E., Rogers, C.H. (1985). Papegaaien: volièrehandboek. Lisse: Zuid boekprodukties
Lantermann, W en S. (1987). Amazonepapegaaien. Baarn: Tirion Bv.
Het houden en verzorgen van papegaaien 64
Pakara. (2005). Koopovereenkomst. Gevonden op 04 december 2006 op het internet:
http://www.pakara.nl/KKP.aspx
Pinter, H. (1988). Onze kaketoe: aanschaf, verzorging, juiste voeding, voorkoming van
ziekten, vriendschap sluiten. Zutphen: Thieme.
Rijberk, A., de Vries, H.W. (1990). Anamnese en lichamelijk onderzoek bij
gezelschapsdieren. Utrecht: Bohn, Scheltema en Holkema.
Snelder, Bouman, N. (2002). De papegaaien: aanschaffen, houden en verzorgen van
papegaaien. Warffum: Welzo Media Productions.
Stichting N.O.P. (2006). Over papegaaien. Gevonden op 04 december 2006 op het internet:
http://www.papegaai.org
Stichting N.O.P. (2006). Parasitaire infecties . Gevonden op 04 december 2006 op het
internet: http://www.papegaai.org
Universiteit Utrecht. (1999). Informatie over voeding van papegaaien en parkieten.
Onuitgegeven nota?s bij een cursus voor de opleiding diergeneeskunde, afdeling vogels en
bijzondere dieren, Universiteitskliniek voor gezelschapsdieren, Utrecht.
Van Der Wielen, A. (2006). Voeding voor tragopanen. Gevonden op 03 februari 2007 op
het internet: http://www.tragopan.nl/voeding2.htm
Van Hassel, F. (2005). Kortwieken, algemene informatie. Gevonden op 06 februari 2007 op
het internet: http://www.grijzeroodsite.nl/kortw.html
Van Hassel, F. (2005). Verzorging. Gevonden op 06 februari 2007 op het internet:
http://www.grijzeroodsite.nl/verzorg.html
Verelst, A. (2007). Papegaaiachtigen (Psittaciformes). Onuitgegeven nota?s bij een cursus
voor het derde jaar van de opleiding dierenartsassistent, Katholieke Hogeschool Kempen,
Geel.
Verhoef, Verhallen, E. (2003). Kooi- en volièrevogels: encyclopedie. Lisse: Rebo
Productions Bv.
Versele-Laga. (2004). Waardoor onderscheiden Nutribird pellets zich van de klassieke
zadenmengelingen? Algemene brochure Versele-Laga.
Vriends, T. (1989). Papegaaien en parkieten: voeding, verzorging, huisvesting. Lisse: Zuid
boekprodukties Bv.
Vriends, T. (2002). De encyclopedie van grote papegaaien: alles over de meest gehouden
papegaaiensoorten, hun huisvesting en voeding. Warffum: Welzo Media Productions.
Vriends, T. (2002). Voeding voor kooi- en volièrevogels: elementen van de voeding,
essentiële diëten en voedingsziekten voor zaadetende vogels. Warffum: Welzo Media
Productions.
Het houden en verzorgen van papegaaien 65
Walraven, Chr. (1974). Onze papegaai: handleiding voor verzorging, voeding, leren
spreken e.d. van papegaaien, parkieten, lori?s en agaporniden. Amsterdam: De Regenboog.
Wikipedia. (2007). Papegaaien. Gevonden op 09 februari 2007 op het internet:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Papegaai
Wikipedia. (2007). Grijze Roodstaart. Gevonden op 09 februari 2007 op het internet:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Grijze_roodstaart
Het houden en verzorgen van papegaaien 66
Moors, Evy 2007
44 KHK_ETD PDF Verbeteren van lichamelijk contact via bewegingspedagogiek van Sherborne bij kinderen met gedragsproblemen
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  Bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne bij kinderen met een gedragsproblematiek.
"Children need to be able tot form relationships. And children need tot feel at home in their own body so to gain body mastery." (Sherborne, V., 1990) ...

Kunnen contacten tussen kinderen met een gedragsproblematiek verbeteren? En hoe zou dit dan kunnen verwezenlijkt worden? Zou bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne hiervoor een goede methode kunnen zijn?
Contacten tussen kinderen onderling en zich goed voelen in het eigen lichaam zijn uiterst belangrijk voor kinderen. Bij kinderen, waarbij het vermogen tot positieve contactvorming geheel of gedeeltelijk afwezig is, kan dit verregaande gevolgen hebben voor de sociale vaardigheden. Men heeft mij de kans gegeven om in mijn praktijkstage het nut van deze door Veronica Sherborne uitgewerkte bewegingspedagogiek in het bijzonder onderwijs te kunnen testen. Deze stage ging door in een klein schooltje voor kinderen met een type-3 en type-1 attest. Door middel van een mini onderzoek hebben we getracht te achterhalen of de bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne een meerwaarde kan betekenen als positieve stimulus op het maken van lichamelijk contact bij kinderen met gedrags- of emotionele stoornissen. Binnen een bewegingssessie werd er voornamelijk gewerkt aan de relatievorming. Hierbij is het van groot belang dat tijdens deze sessies de kinderen onderling lichamelijk contact maken. Wekelijks werd de aard en frequentie van lichamelijk contact tussen de kinderen opgevolgd door gebruik te maken van een observatielijst die het vermogen tot positief lichamelijk contact tussen de kinderen vastlegt. De resultaten zijn tot nu toe erg bemoedigend, het lichamelijk contact tussen de kinderen onderling is tijdens de sessies verbeterd. Als het aantal sessies nog uitgebreid had kunnen worden, was er allicht nog meer vooruitgang geboekt.
Tijdens het tweede jaar van mijn studie ergotherapie, kwam ik in aanraking met de bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne. Deze methodiek interesseerde me onmiddellijk. Vrijwilligerswerk in Lentekind te Vlimmeren en een eindwerk dat ik geschreven heb rond de doelgroep maakte dat ik geïnteresseerd geraakte in de doelgroep, kinderen met een type-3 attest. Ik wou deze beiden dan ook combineren binnen mijn eindwerk. In het begin wou ik me richten op het gedrag van deze kinderen, en het eventuele effect dat de bewegingspedagogiek hierop zou hebben. Dit bleek veel te ruim, ik heb me dan ook beperkt op een deelaspect, namelijk lichamelijk contact. Ik merkte al heel snel dat het voor deze kinderen heel moeilijk was om op een goede manier contacten te leggen.
Bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne
Deze bewegingspedagogiek werkt rond een aantal belangrijke doelstellingen. Het is erop gericht om de deelnemers op een creatieve manier te leren bewegen zodat ze zich bewust worden van het eigen lichaam en de externe wereld. Hierbij worden ze zich tevens bewust van de ander en de ruimte. (Sherborne, 2001)

Toepassing van de methodiek bij kinderen met een gedrags- en emotionele stoornis
Over het gebruik van de bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne (verder Sherborne-sessies of Sherborne genoemd), bij kinderen met een gedrags- en emotionele stoornis, is weinig te vinden in de wetenschappelijke literatuur. Een belangrijk aandachtspunt binnen de vakliteratuur voor de toepassing van deze methodiek, was de noodzaak om een vaste structuur aan te bieden binnen de sessies. Er zijn een aantal artikels gepubliceerd over het gebruik van Sherborne bij pleeg- en adoptiekinderen om samen met hun pleeg- of adoptie ouders de "hechting" bij deze kinderen op gang te brengen. In deze artikels werd benadrukt dat het heel belangrijk is om bij de eerste stap in de ontwikkeling van hechting te beginnen, namelijk basisveiligheid en basisvertrouwen. Van daaruit kan men dan verder werken. Dit hebben we meegenomen naar het opstarten van de eigen sessies. Zo werd pas begonnen met het zelf participeren nadat men merkte dat de kinderen meer vertrouwen hadden in de sessieleider.
Binnen de sessies werd er voornamelijk geëxperimenteerd met de verschillende vormen van relaties, dus bewust worden van de ander. Binnen de school werd er begonnen met de vier leerlingen van klasgroep 1. Vanaf week vier is er ook gestart met de zes leerlingen van klasgroep 2. De sessies vonden één keer per week plaats en duurden in totaal 50 minuten waarvan 40 minuten effectief sessie. Met groep 2 werden er uiteindelijk maar 4 sessies doorlopen, waardoor men hier weinig evolutie kon meten. Bij deze kinderen was er al duidelijk veel gewerkt rond gedrag, dus ook rond lichamelijk contact.
De kinderen hadden reeds kennis gemaakt met de bewegingspedagogiek volgens Veronica Sherborne, maar dan vanuit een andere invalshoek. Zoals reeds vermeld was de aandacht voornamelijk gericht op de relaties. Meer bepaald de relaties onderling in functie van het lichamelijk contact, waardoor men ook werkte rond het zelfbeeld en het gevoel van eigenwaarde. Tijdens de eerste sessie werd het al snel duidelijk dat de kinderen het heel moeilijk hadden met het maken van juiste contacten met andere kinderen. Ze misten het zachte, tedere in hun aanraking. Dit kan men verklaren vanuit de literatuur. Kinderen die onveilig gehecht zijn, missen het empathische vermogen. Ze kunnen in sommige situaties zelfs heel agressief of afwijzend reageren. De definitie van veilige gehechtheid is een relatief positieve, duurzame en affectieve relatie met één of meer specifieke personen, met wie het kind regelmatig contact heeft. Volgens Can den Brink,G., Van Rooijen, A.P.N., Simons, R. & Uffink, Th.J.A. (2005) is hechting een proces dat bestaat/ontstaat uit de communicatie tussen de ouders/opvoeders en het kind. Hechting is vaak gebaseerd op de verwachtingen die de ouders/opvoeders hebben naar het kind toe en de responsieve manier van reageren op het kind door ouders/opvoeders. (van der Ploeg, J.D., 2005; Van Delft, F., 2001; Feldman, R.S., 2005).
Na enkele weken gewerkt te hebben met de kinderen werd het duidelijk dat ze heel vatbaar zijn voor externe factoren zoals, nieuwe stagiairs of belangrijke gebeurtenissen (carnaval, Sinterklaas, etc.). De indruk was er dat de kinderen drukker waren als er belangrijke gebeurtenissen gingen plaats vinden. Ook de invloed van medicatie was soms erg duidelijk merkbaar. Één van de kinderen was bijvoorbeeld in de eerste weken heel erg druk. Toen er gestart werd met medicatie werd het positieve effect hiervan op het kind al snel duidelijk.
Binnen de sessies werd er getracht de noodzakelijke structuur in te bouwen door bijvoorbeeld telkens met een oefening op de grond te beginnen en te eindigen met steeds dezelfde oefening. Na dit concept een aantal malen te hebben uitgevoerd was er een beter lichamelijk contact merkbaar.

Observatielijst in functie van lichamelijk contact
Om het lichamelijk contact van de kinderen zo objectief mogelijk te kunnen meten werd er gebruik gemaakt van een observatiefiche die hiervoor speciaal werd uitgewerkt. Oorspronkelijk zou de TRF-test gebruikt worden maar deze bleek voor de doelstellingen minder bruikbaar te zijn; hij is niet echt gericht op het inschatten van lichamelijk contact tussen de kinderen. Delen van deze observatielijst zijn echter wel gebaseerd op de TRF-test. De observatielijst bestaat uit 9 items waarvoor telkens een score van 1 tot 5 mogelijk is. Hierbij staat score 3 voor neutraal gedrag. Voor elke toegekende score heeft men de kenmerken hiervoor per geobserveerde kind mee opgenomen. Door wekelijks de individuele observatiefiches in te vullen kreeg men een goed en duidelijk beeld van de kinderen.
Conclusies
Het is vanzelfsprekend dat tien weken een te korte periode is om tot echte grote veranderingen te komen. Er zijn lichte verbeteringen merkbaar op gebied van lichamelijk contact en zelfvertrouwen. Dit zelfvertrouwen is een onderdeel van het zelfbeeld. Het zelfbeeld bij de meeste van de kinderen zat niet goed net zoals het vertrouwen in zichzelf en in de ander. Rond het vertrouwen in zichzelf hebben we binnen de sessies zoveel mogelijk trachten te werken. Na de acht sessies merkten we dat hier verbetering in kwam en dat er stilaan overgegaan kon worden naar het creëren van vertrouwen in de ander. Als de periode langer zou geweest zijn, had men mogelijk nog veel meer evolutie kunnen meten. De veranderingen waren echter enkel observeerbaar bij groep één. Groep twee werd enkel vier weken gevolgd. Hier was dan ook weinig evolutie meetbaar maar de kinderen met een type-1 attest maakten reeds op een goede manier lichamelijk contact.
Deze conclusies moeten echter nog wel genuanceerd worden doordat het gedrag soms nog fel beïnvloed kon worden door externe factoren, en dit zowel in positieve zin als in negatieve zin. Maar een positieve evolutie, tengevolge van de Sherborne sessies valt niet te ontkennen.
Relaties met anderen zijn zeer belangrijk voor ontwikkeling en ontdekking van onze eigen identiteit. Hierdoor kan men stellen dat men groeit dankzij de ander. Door het spelen van eenvoudige bewegingsspelletjes met anderen kan langzaam aan het vertrouwen in de ander opgebouwd worden en kan er geëxperimenteerd worden met verschillende vormen van interactie.



References
Boeken
Blondis, T.A. (1999). Motor disorder and attention-defficit / hyperactivity disorder.
Pedriatic clinics of North America, 46(5), 899-913. Gevonden op 03/08/2007 in Science
Direct.
Can den Brink, G., Van Rooijen, A.P.N., Simons, R. & Uffink, Th.J.A. (2005). Leerboek
intensive-care verpleegkundigen: Kinderen. Elsevier: Gezondheidszorg.
De Lange, G. (1991). Hechtingsstoornissen: orthopedische behandelstrategieën. Assen:
Dekker & van de Vegt.
Delfos, M.F.(2000). Kinderen en gedragsproblemen: angst, agressie, depressie en
ADHD. Een biopsychologisch model met richtlijnen voor diagnostiek en behandeling.
Lisse: Swets & Zeitlinger.
Delfos, M.F. & Visscher, N. (2001). (Pleeg)kinderen en vreemd gedrag: in 13 thema?s:
Pleegangst, adoptie, loyaliteit, afstammingsonrust, gehechtheid, rouwen, seksueel
misbruik, ADHD, borderline, depressie, pesten, autisme, sociale onhandigheid.
Amsterdam: SWP.
Grietens, H., Vanderfaeillie, J., Hellinckx, W. & Ruijssenaars, W. (2005). Handboek
orthopedagogische hulpverlening: 1. Een orthopedisch perspectief op kinderen en
jongeren met problemen. Leuven/Voorburg: Acco
Prinzie, P.(2004). Waarom doet mijn kind zo moeilijk: moeilijk gedrag begrijpen,
efficiënt straffen en belonen. Tielt: Lannoo.
Sherborne, V. (2001). Developmental movement for children: mainstream, special
needs and pre-school. Londen: Worth publishing Ltd.
Sluijter, M. (2005). Aanraken: een levensbehoefte: Tactiele contacten in de opvang en
op school. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Temmink, A.H.& Merkelbach, L.C.H.M.(2000). Kinderen met leer- en
gedragsstoornissen. Raamsdonksver: Verse hoeven.
Thoomes-Vreugdenhil, A. (1999). Relationeel gestoorde jongeren: Een onderscheid in
verwaarlozingproblematiek en een behandelingsvoorstel. Houten/Diegem: Bohn Stafleu
Van Loghum.
Timmerman, K. (2002). Kinderen met aandachts- en werkhoudingsproblemen.
Leuven/Leusden: ACCO.
Van der Ploeg, J.D.(2000). Gedragsproblemen: ontwikkelingen en risico?s. Rotterdam:
Lemniscaat.
Van der Ploeg, J.D.(2005). Behandeling van gedragsproblemen: initiatieven en
inzichten. Rotterdam: Lemniscaat.
Van Delft, F. (2001). Bijzonder gedrag en begeleiden. Soest: Uitgeverij H. Nelissen.
Van Dun, K., & Broos, D.(1997). Hou me (niet) vast: hulpverlening en
hechtingsstoornis. Leuven, Apeldoorn: Garant.
Van Gilst, J.C., Kugel, J., Van der Straten, KG. (1999). Speciale bewegingsopvoeding.
Baarn: Uitgeverij Intro.
Van Lieshout,, T. (2002). Pedagogische adviezen voor speciale kinderen: een praktisch
handboek voor professionele opvoeders, begeleiders en leerkrachten. Houtem/Diegem:
Bohn Stafleu Van Loghum.
Artikels
Achenbach, T.A. (1991-2001). Child behavior check list. Gevonden op 04/09/2007 in
aseba.
Autisme journaal (2007). ODD (0ppositional defiant disorder) Syndroom. Gevonden op
12-01-2008 op het internet: http://autisme.nedbel.be/odd-rett-syndroom/
Depuydt, A., Declerck, J., Deboutte, G. (2002) 'Re-ligare' een antwoord op 'de-link-
wentie'?: Verbondenheid bij de aanpak en de preventie van jeugddelinquentie. Antenne
2002 juni, 02, 42-47
Haverman, A. (2007). Workshop Hechting en VIB: landelijke studiedag AIT. Gevonden
op 12-01-2008 op het internet: http://www.aitnl.org/adoptie.rtf
Taeymans, R.(1982), Beschrijving van de bewegingsopvoeding met mentaal
gehandicapte en emotioneel gestoorde kinderen volgens de Veronica Sherborne
methode.
Van de Gruiter, E.(2000). At home in your body: Developmental movement for
children, bewegingspedagogiek en ?therapie volgens Veronica Sherborne. Nieuwsbrief
Sherborne Ledenvereniging, VI(3),7-11
Botinck,I.(2000). Vloernieuws: deze rubriek bevat drie ?Sherborne? verhalen van
mensen in het werkveld. Nieuwsbrief Sherborne Ledenvereniging, V(4),5-13
Opvoeden (2007-2008).Invloeden vanuit de culturen bij opvoeden. http://mens-en-
samenleving.infonu.nl/pedagogiek/10374-invloeden-vanuit-de-cultuur-bij-
opvoeden.html. Gevonden op het internet op 10-01-2008 in Pedagogiek (Mens en
samenleving)
Feldman, R.S. (2005). Ontwikkelingspsychologie. Benelux:Pearson Education.
Van der Heyden, Z. (2006). Hechting, hoe doe je dat, en waarom. Gevonden op 10-01-
2008 op het internet: http://www.vvoc.be/hechting.htm
Sherborne met ouder en kind: Verkenning en herstel van hechting en afstemming
tussen ouder en kind
Sherborne association UK (2004). Basic principes. Gevonden op 30/08/2007 op het
internet: http://homepage.ntlworld.com/esbester/Sherborne/page2.html
Vancraeynest, L. en Willaert, S. (2003). Het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen.
Gevonden op 04/07/2007 op het internet: http://www.anders-naar-de-
bib.be/html/tips/buitengewoon.htm
Yu, C. (28-09-1998). Snips and snails and behaviour disorers. Alberta Report /
Newsmagazine.
Ruppert, F. (2007). Hoe betrouwbaar is het werken met opstellingen? Uit een lezing op
16 november 2007. Gevonden op 10-01-2008 op het internet:
http://www.interaktiel.nl/it_object_upload//att/c9864be6f2d936fc4b4f4a6d97a430c9_L
ezing%20november%202007%20Groesbeek%20%5BCompatibiliteitsmodus%5D.pdf
Vlaams ministerie van onderwijs
(http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/buo/default.htm
Vlaamse regering (2008). Decreet basisonderwijs: Structuur van het onderwijs.
Gevonden op 15-03-2008 op het internet:
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=1225
4#135455
van Dun, Ine 2008
45 KHK_ETD PDF Familiale aanwezigheid bij reanimatie
degree Bachelor - Bachelor in de intensieve zorgen en de spoedgevallenzorg

  Inleiding: Jaarlijks worden gemiddeld 10.000 burgers in België het slachtoffer van een plotse hartstilstand buiten het ziekenhuis. Hoewel er geen concrete cijfers in ons land beschikbaar zijn, kunnen we stellen dat familie en naaste verwant ...
en hiervan frequent getuige zijn. Tot op heden beschikt het merendeel van de zorgverleners nog niet over richtlijnen omtrent de omgang met familie gedurende deze crisissituatie. Voor hun verwerking is dat nochtans essentieel. Een methode om tegemoet te komen aan de basisbehoeften van verwanten, is hen de optie te bieden tot aanwezigheid gedurende de reanimatie van hun dierbare. Met deze thesis wil ik dan ook nagaan hoe Belgische hulpverleners, werkzaam in de pré ? hospitaalzorg en op Spoedgevallen, tegenover familiale aanwezigheid bij reanimatie staan. Welke voor- en nadelen zien zij? Welke argumenten primeren om verwanten wel of niet toe te laten? Is het een thema dat leeft onder onze hulpverleners?

Methode: De gegevens werden verzameld door een online enquête te plaatsen op het Hulpdienstenforum van Vlaanderen en het Professioneel Hulpdienstenforum van Antwerpen. De vragenlijst bevatte een beroepsprofiel, 14 ja / nee ? vragen en 11 meerkeuzevragen. Tweeënzeventig respondenten vulden de vragenlijst in, zevenenzestig werden geselecteerd (93%). Inclusiecriteria: hulpverleners werkzaam bij een medische hulpdienst, minstens één jaar ervaring in de pré ? hospitaalzorg of op Spoedgevallen. De respondenten moeten een duidelijk ingevuld beroepsprofiel hebben en alle vragen beantwoord hebben. Hun mening en ervaring met dit gegeven wordt met deze thesis in kaart gebracht.

Resultaten: De respondenten zien vooral voordelen voor verwanten; ze zien dat al het mogelijke werd gedaan en zien de ernst van de situatie beter in. Het kan ertoe bijdragen dat hun rouwproces makkelijker verloopt. Hinder bij de taakuitvoering, plaatsgebrek, agressie tegen hulpverleners en zinloos blijven reanimeren, zijn de voornaamste argumenten om familieleden de toegang te weigeren. Pas daarna komt het traumatiserende effect op verwanten, gevolgd door negatieve reacties van familieleden. Verder verwachten de respondenten dat minder ervaren hulpverleners minder kansen krijgen om te leren reanimeren. Voorlopig zijn deze stellingen echter nog niet bevestigd door literatuur.

Het merendeel van de zorgverleners wil zelf toegelaten worden bij de reanimatie van hun dierbare. Zij die niet aanwezig wensen te zijn, willen op zijn minst het aanbod krijgen. Verwanten geven regelmatig aan erbij te willen zijn. Ongeacht hun verzoek, blijft dit recht voorbehouden aan de patiënt, hoewel zijn wil in dit verhaal niet gekend is.

Zorgverleners zijn wel geneigd verwanten te accepteren als de patiënt daar vragende partij voor is. Hulpverleners die vertrouwd zijn met familiale aanwezigheid, in de privé-sfeer of tijdens hun taakuitvoering, zien daarenboven geen redenen tot verlies van privacy en waardigheid. Deze subgroepen staan ook het meest positief tegenover dit thema. Tot op heden is het Belgisch medisch personeel echter nog weinig vertrouwd met dit gegeven.

Conclusie: Het is nog te vroeg voor een directe invoering in ons land. Ambulanciers zijn goed vertegenwoordigd in deze enquête. De resultaten vormen bijgevolg een mooie aanvulling op
eerder gevoerd Belgisch onderzoek. De onderzochte groep is echter te klein om definitief uitspraken te doen. Deze resultaten vertonen dezelfde trend als eerder gevoerd onderzoek.

Van de Sompel, Elke 2009
46 KHK_ETD PDF Wiegendood : Rouwbegeleiding
degree Bachelor - Bachelor in de verpleegkunde: kinderverpleegkunde

  Het onderwerp van het afstudeerproject is rouwbegeleiding bij wiegendood. De keuze van het onderwerp is gemaakt aangezien er weinig informatie beschikbaar is over het thema. In dit werk worden de verpleegkundige taken bij de rouwbegeleiding ...
besproken.

Overlijden van een kind aan wiegendood is een complex gebeuren vanwege het plotselinge en onverklaarbare van het overlijden. Dit resulteert in vele vragen en schuldgevoelens bij de ouders. Bij de opvang van deze ouders is het belangrijk dat men aandacht geeft aan de gevoelens van de ouders. Het is niet noodzakelijk om op elke vraag een antwoord te bieden, het kan al volstaan dat men bereid is om naar de ouders te luisteren. Er moet wel duidelijk aan de ouders vermeld worden dat ze niet verantwoordelijk zijn voor het overlijden.

Bij rouwbegeleiding van de ouders ligt het belang voornamelijk op de eerste opvang, deze moet adequaat gebeuren. Hier ligt een grote verantwoordelijkheid bij de verpleegkundige, aangezien een goede eerste opvang veel leed kan voorkomen bij de ouders. De belangrijkste taken van de verpleegkundige zijn: in een begrijpbare taal informeren, ondersteunen van de ouders bij de confrontatie met hun kind en de ouders nodige tijd geven met hun kind. Gedurende het hele gebeuren is het belangrijk dat je er bent voor de ouders.

In het afstudeerproject worden er ook nog een aantal verpleegkundige diagnoses besproken die relevant zijn in de omgang met de ouders. Hier ligt het belang voornamelijk in het tijdig erkennen van de diagnoses en deze op een aangepaste manier aanpakken.


References

Boeken
? Boelen, P., Huiskes, C. & Kienhorst, I. (1999). Rouw en rouwbegeleiding. Utrecht:
NIZW uitgeverij.
? Carpenito, L.J. (2002). Zakboek verpleegkundige diagnosen. Groningen/Houten:
Wolters-Noordhoff.
? De Jonge, G.A., L?Hoir, M.P., Ruys, J.H. & Semmekrot, B.A. (2002). Wiegendood:
Ervaringen en inzichten. Den Haag: Pasmans.
? De Pauw, G. (1996). Een kind sterft: Op weg met rouwende ouders. Leuven:
Davidsfonds.
? Jochems, A.A.F. & Joosten, F.W.M.G. (2003). Coëlho: Zakwoordenboek der
Geneeskunde. Doetinchem: Elsevier Gezondheidszorg.
? Keirse, M. (2003). Helpen bij verlies en verdriet: Een gids voor het gezin en de
hulpverlener. Tielt: Lannoo.
? Keirse, M. (2005). Vingerafdruk van verdriet. Tielt: Lannoo.
? Kübler-Ross, E. & Kessler, D. (2006). Over rouw: De zin van de vijf stadia van
rouwverwerking; Wommelgem: Veen Bosh & Keuning.
? Maes, J. (2007). Leven met gemis: Handboek over rouw, rouwbegeleiding en
rouwtherapie. Wetteren: Erasmus nv.
? Van Deth, R. & Vandereycken, W. (2004). Psychiatrie: Van diagnose tot
behandeling. Houtem: Bohn Stafleu Van Loghum.
? Van Gils, A., Joris, P., Van Nimmen, D., Wijnen, K., Decamps, C., Phillips, L. &
Vandenberghe, C. (1994). Nooit meer ontwaken: Ervaringen omtrent wiegendood.
(plaats niet meegedeeld): Komkom.
Artikels
? Coombes, R. (2001). Sudden infant death syndrome: Preparation is everything.
Nursing times, 97 (29), 11.
? Devlieger, H. & Zimmermann, A. (2000). Gezondheidszorg: actuele standpunten:
Plotse dood van een zuigeling. Tijdschrift voor Geneeskunde, 56 (7), 465-472.
? Diaz, M. R. (1995). When a baby dies: How you can comfort and support grieving
parent. American journal of nursing, 95 (11), 54-56.
? Egan, K.A. & Arnold, R.L. (2005). Rouwbegeleiding. Verpleegkundig perspectief,
21 (1), 63-76.
? Foote, J. (1997). Time to grieve. Nursing times, 93 (49), 32-33.
? Koning, C. (1997). Psychotherapie in praktijk: een shockerend verlies. Specifieke
kenmerken van rouwverwerking bij wiegendood. Tijdschrift voor psychotherapie, 23
(5), 346-365.
? L?Hoir, M.P. (2003). Wiegendood, een traumatische gebeurtenis. Tijdschrift voor
orthopedagogiek, kinderpsychiatrie & klinische kinderpsychologie, 28, 98-108.
? Phillips, B.M. (1996). Supporting relatives following a cot death. Postgraduate
medical journal, 72 (853), 648-652.
? Venneman, M.M.T., Rentsch, C. & Bajanowski, T. (2006). Are autopsies of help to
the parents of SIDS victims?: A follow-up on SIDS families. International journal of
legal medicine, 120 (6), 352-354.
Internet
? Kind en Gezin
o Komt wiegendood vaak voor?
Gevonden op 18 april 2008 op het internet: http://www.kindengezin.be
/KG/Ouders/Geboorte/Veiligheid/Wiegendood/wiegendood_aantal.jsp
o Hoe evolueerde wiegendood na de verschillende preventiecampagnes in
Vlaanderen?
Gevonden op 5 mei 2008 op het internet: http://www.kindengezin.be
/KG/Themas/Veiligheid/Wiegendood/verschillende_preventiecampagnes.jsp
o Hoe voorkom ik wiegendood bij mijn baby?
Gevonden op 5 mei 2008 op het internet: http://www.kindengezin.be
/KG/Ouders/Geboorte/Veiligheid/Wiegendood/Hoe_voorkom_ik_wiegendoo
d.jsp
? Ouders van een overleden kind (OVOK)
Gevonden op 24 april 2008 op het internet: www.ovok.be
? Trefpunt zelfhulp
Gevonden op 2 mei 2008 op het internet:http://www.zelfhulp.be
/zoek/probleem_WIEGENDOOD.html
? Vlaams agentschap zorg en gezondheid: Doodsoorzaken foeto-infantiele sterfte.
Gevonden op 18 april 2008 op het internet: www.zorg-en-gezondheid.be
Verstrepen, Karen 2008
47 KHK_ETD PDF Ergotherapie in de bijzondere jeugdbijstand : Muziekactiviteiten tijdens de lesuren
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  Als stagiaire ergotherapeut heb ik gedurende twaalf weken mijn steentje bijgedragen binnen het onderwijsteam van de gemeenschapsinstelling "De Markt" in Mol. Gelijk met de aanvang van mijn stage is er ook een nieuwe klas opgestart, de zogen ...
aamde "ergoklas". In deze klas zitten stuk voor stuk jongeren die binnen een "gewone" instellingsomgeving niet kunnen functioneren en regelmatig ernstig psychiatrisch probleemgedrag vertonen. Er werd gekozen om de werking van de klas volledig vanuit een ergotherapeutische visie te kaderen om deze jongens onderwijs en zorg op maat te kunnen bieden. Aangezien niemand van de tewerkgestelde leerkrachten over een diploma van ergotherapeut beschikt heb ik als derdejaars studente de verantwoordelijkheid mee op mij genomen om de werking van deze klas in goede banen te leiden. Hieruit is dan ook mijn onderzoeksvraag ontstaan: "Wat is het effect van het aanbieden van muziekactiviteiten aan jongens binnen de ergoklas van "de Markt"?"

Muziek is sinds een 6¬tal jaren, na de aankoop van mijn eerste gitaar, een ware passie geworden voor mij. Tijdens een stage in geronto¬psychiatrie heb ik een paar muzieksessies bijgewoond en heb daar duidelijk de positieve invloed van deze therapievorm opgemerkt. Op dat moment wist ik, dat mijn eindwerk die richting uit zou gaan. De doelgroep zelf heeft mij altijd heel sterk aangesproken. Verscheidene mensen binnen mijn vriendenkring hebben tijdens hun jeugd zelf ook in instellingen verbleven. Het is dankzij de verhalen en ervaringen van deze mensen, zowel positieve als negatieve, dat ik besloten heb mijn steentje te willen bijdragen voor deze doelgroep.

Muziekactiviteiten als ergotherapeutisch medium

Muziek is een zeer dankbaar medium. Je kan een zeer groot en gevarieerd assortiment van activiteiten aanbieden. Op voorhand had ik een lijst uitgeschreven van sessies die ik zou kunnen doen, zodat ik ze tijdens mijn stage op maat van de wensen en noden van de jongens kon aanbieden. De voornaamste activiteiten waren het gebruik van ritme en zang, en het verwerken van muziekactiviteiten in een beloningssysteem. Daarnaast heb ik relaxatie op muziek aangeboden, muziekteksten besproken, gequizzed, muziekinstrumenten gemaakt en af en toe mochten ze zich eens laten gaan op het keyboard. Muziek stimuleert socialisatie, zelfexpressie, communicatie en de motorische vaardigheden. Het belangrijkste doel van de activiteiten was voor mij om de ontwikkeling en ontplooiing van de jongens, zowel op cognitief, fysiek en sociaal functioneren zo veel mogelijk te bevorderen. (AMTA, 2006)


Een correcte basishouding aannemen

Probleemjongeren, het is geen eenvoudige doelgroep om mee te werken en onze maatschappij is doorweven met vooroordelen over deze jongens. Een groot deel van mijn literatuurstudie is dan ook uitgegaan naar lezen over de doelgroep en problematieken, en naar verschillende visies over het omgaan met deze jongeren, zodat ik mij kon ontdoen van eventuele vooroordelen en een correcte basishouding kon aannemen. Vanuit de instelling wordt gewerkt volgens het model van Patterson, het ervaringsleren en contextgericht werken. Patterson, wijst alle ouders, leerkrachten en opvoeders op het belang van vijf opvoedkundige vaardigheden. De 2 sturende functies moeten ongewenst gedrag voorkomen, verminderen of beheersbaar maken en noemt men ook de neen¬functies: overzicht houden en discipline aanleren. De 3 steunende functies staan in voor het stimuleren van sociaal gewenst gedrag, ook de ja¬functies genoemd: positieve betrokkenheid van de begeleider, positieve bekrachtiging en stimuleren van probleemoplossend denken door het samen oplossen van problemen. (Deckers T., 2007) Zij bewijzen hun deugdzaamheid naar alle jongeren toe maar in het bijzonder naar diegenen die volgehouden probleemgedrag stellen. Door heel bewust in te spelen op de kwaliteiten van deze vijf pedagogische vaardigheden, kunnen heel wat moeilijkheden en conflicten worden voorkomen.

Binnen een contextgerichte werking, wordt niet alleen met de jongere gewerkt maar ook op andere niveaus: het niveau van de instelling, het gezin, de omgeving van de jongere en het netwerk rond de instelling.

Ervaringsleren, als methodiek, beoogt een specifieke situatie te creëren of binnen de gewone situaties een specifieke invalshoek aan te brengen, die jongeren in staat stelt concrete ervaringen op te doen op grond waarvan zij gemotiveerd en in staat gesteld worden opnieuw te leren. Daarom ligt de nadruk onder andere op het uitlokkende en activerende aspect van de activiteit; de jongere wordt uitgenodigd om deel te nemen aan een activiteit met een uitdagend maar ook dwingend karakter. Hij is genoodzaakt initiatief en verantwoordelijkheid te nemen, zich vragen te stellen, creatief naar oplossingen te zoeken en keuzes te maken. (Deckers T., 2007)

Naast literatuur over het omgaan met gedragsproblemen heb ik mij verdiept in deze drie methodes. Met dit alles in het achterhoofd heb ik geprobeerd een correcte basishouding aan te nemen ten opzichte van de jongens.

De ergoklasjongeren

De jongens waarmee ik heb gewerkt, K.V., K.N. en B., zijn stuk voor stuk jongeren die in hun korte leven al heel wat hebben meegemaakt. K.V. was een zeer rustige jongen, die geplaatst was omwille van seksueel misbruik. Hij is daarnaast ook gediagnosticeerd met A.S.S. maar vertoont binnen de instelling geen probleemgedrag.
B. en K.N. zijn twee jongens waarbij de problematiek overduidelijk is. Er was bij deze twee sprake van een mix van gedragsproblemen, emotionele problemen en een zeer laag zelfbeeld in combinatie met een ernstig minderwaardigheidsgevoel. Daarnaast was er ook sprake van een licht mentale achterstand. Ze liepen voordien onderwijs binnen een BuSO-instelling. Bij B. was er ook sprake van seksueel misbruik. Het is ook vastgesteld dat hij in zijn jongere jaren slachtoffer is geweest. K.N. en B. zijn 2 jongens die heel moeilijk zijn in omgang omdat ze geen gepast sociaal gedrag kunnen stellen. De clown uithangen op de speelplaats, onbeleefd zijn, niet kunnen verwoorden wat ze voelen (en dit uiten aan de hand van agressie) waren problemen die zich bij hun dagelijks voordeden.
Naast al deze negatieve kenmerken wil ik benadrukken dat elke jongen ook heel wat positieve eigenschappen heeft die jammer genoeg vaak overschaduwt worden door al het negatieve gedrag.

Evaluatie

Om het effect van de muziekactiviteiten te meten heb ik na elke sessie voor mezelf een evaluatie gemaakt van de activiteit. Ook met de jongens werd vaak geëvalueerd, zowel tijdens formele als informele situaties. Overleg met mijn stagebegeleider en reacties van andere leerkrachten hebben mij ook heel wat bijgebracht. Op deze manier kreeg ik naar het einde van mijn stage toe een overzicht van mogelijke doelen van het gebruik van muziek, gecombineerd met richtlijnen die je kan gebruiken om optimaal resultaat te bekomen aan de hand van het gebruik van muziekactiviteiten binnen een therapeutisch behandelplan. Na 12 weken stage kan ik stellen dat muziekactiviteiten een heel positieve invloed hebben gehad op de jongeren binnen de ergoklas. Waar eerst sprake was van individuen, ontstond het naar het einde van mijn stage toe een hechte groep. Op vlak van samenwerking en zelfontplooiing hebben alle jongens een zekere vooruitgang geboekt. Welke muziekactiviteit precies voor welk resultaat heeft gezorgd was moeilijker te achterhalen: het was iedere dag opnieuw inschatten hoe de stemming van de jongens en de groep was. Het vraagt als ergotherapeut een heel intensieve begeleiding waarbij je overal aandacht moet voor hebben, maar het loont. Bij B. en K.N. merkte je dat ze bewuster werden van hun eigen handelen. Door hun gedrag in kaart te stellen en bij te sturen, aan de hand van gesprek en eindeloze ervaringen zijn deze jongens open gebloeid en leren ze zichzelf te ontplooien.

Hindernissen?

Tijdens mijn stage ben ik ook op heel wat problemen gestuit: afwezigheid van mijn stagebegeleider wegens ouderschapsverlof en een stroef verlopende communicatie binnen het onderwijsteam hebben het hele proces meermaals bemoeilijkt. Ook mentaal was deze stage niet te onderschatten. Ik heb ondervonden dat het heel belangrijk is om je bevindingen te kunnen ventileren met collega's, zodat je niet al je problemen mee naar huis neemt. Anders stapelt dit zich allemaal op, wat kan escaleren en een nefaste invloed kan hebben op het therapeutisch proces. De samenstelling van de klasgroep was vrij stabiel: ik had steeds 3 vaste jongens maar tijdens mijn laatste stageweken zijn er nog twee andere jongens bijgekomen. Hierdoor verminderde de veiligheid in de groep even. Ik heb de nieuwe jongens eerst mee geïntegreerd in de groep, vooraleer intensief verder te werken. Oorspronkelijk was het de bedoeling om mijn sessiesmet muziek ook in andere klasgroepen uit te voeren. Wegens tijdsgebrek is dit er jammer genoeg niet van gekomen.

Om af te ronden...

Door de complexe problematieken en de hindernissen onderweg, is het niet mogelijk om al te spreken van een echte vooruitgang en verloopt het therapeutisch proces vrij traag. Toch kan je zeggen dat de jongens sterker in hun schoenen staan, ze hebben zichzelf al iets beter leren kennen en hebben geleerd om in groep met elkaar om te gaan.
Ze hebben, naast al het negatieve dat ze in hun leven al hebben meegemaakt, heel wat positieve ervaringen opgedaan in een stimulerende, muzikale, omgeving. Op deze manier zijn er toch tal van mogelijkheden gecreëerd waarmee in de toekomst kan aan de slag gegaan worden, zodat er voor deze jongeren, binnen enkele weken, maanden of misschien zelfs jaren, een nieuwe, betere weg kan ingeslagen worden. Ik hoop dat ik als student ergotherapie aan mijn collega's in Mol heb bewezen wat het nut kan zijn van ergotherapie, van het gebruik van muziek, van een aanpak op maat en vooral van de uren geduld en respect voor de jongens die je voor je krijgt.

References

American Music Therapy Association, Inc. (2005) Music therapy for persons in
correctional and forensic settings.
American Music Therapy Association, Inc. (2005) Music therapy and mental health.
American Music Therapy Association, Inc. (2005) Music therapy in response to crisis
and trauma.
Australian Institute of Criminology; Charles K., Few J., (2001) What can occupational
therapy offer the youth justice service? A review of a pilot placement of occupational
therapy students at the youth justice service.
Bolckmans I., (2007). Muziek als ergotherapeutisch medium bij ouderen.
Celis S., (2006). Sociale vaardigheden bij jongeren met complexe problemen.
Deckers, T. (2007) GBJ De Kempen: Kwaliteitshandboek De Markt: open werking. Mol.
Keen AW., (2004). Using music as a therapy tool to motivate troubled adolescents. Soc
Work Health Care;39(3-4):361-73
Mateman M., (2001). Hechtingsproblematiek: Effectieve hulpverlening voor
hechtingsproblemen bij biologische kinderen van 0-12 jaar.
Opleiding JGZ (2007). Gedragsproblemen bij kinderen en jongeren: een
orthopedagogisch perspectief.
Gevonden op 20 april 2009 op het internet: http://www.opleiding-
jgz.be/bestanden/JGZ0607_GP.ppt
Sensoa, Vlaams service- en expertisecentum voor seksuele gezondheid en hiv. (2009)
Praat over seks: Basics: Seksueel misbruik bij kinderen.
Gevonden op 20 april 2009 op het internet:
http://www.sensoa.be/pdf/praat_over_seks/misbruik_kinderen.pdf
Steensels M., (2008-2009) Cursus Psychiatrie 3 ergo: Muziek: een ergotherapeutisch
materiaal.
Tant A., (2007). Activiteiten met dieren in een gemeenschapsinstelling.
VLOR; Koning Boudewijnstichting (2006). Leer-Kracht Veer-Kracht: een reflectieboek.
Stapstenen voor het begeleiden van jongeren met gedragsproblemen. Die Keure,
VZW Ondersteuning Bijzondere Jeugdzorg, (2008). Discussietekst Moeilijk Begeleidbare
Jongeren.
Wyndaele A., (2009) Verslag van de vergadering: Opstart van de J-klas.
De Vliegher, Annelies 2009
48 KHK_ETD PDF De deur op slot? : Praktijkvoorbeelden
keywords Organizational science Social structures Social changes, theory of social work Social problems and welfare, national insurance Sociology Social Sciences Economics, econometrics, economic theory, economic systems, economic policy

degree Bachelor - Bachelor in het sociaal werk

  In artikel 10, 11 en 11 bis van de Belgische grondwet staat beschreven dat er geen onderscheid van standen gemaakt mag worden, dat mannen en vrouwen gelijk zijn voor de wet en dat er niet gediscrimineerd mag worden. In onze huidige samenlev ...
ing kan er echter allesbehalve sprake zijn van gelijkheid. Integendeel, de ongelijkheid lijkt, sinds het welvaartsoptimisme een zware slag kreeg toegediend, in de jaren '80 alleen maar toe te nemen.
Met dit seminarie willen we op zoek gaan naar structurele mogelijkheden tot verandering die het sociaal werk kan bieden aan mensen die ontevreden zijn over hun positie in de buitenbaan. Hoe wij als maatschappelijk assistent de toegankelijkheid van onze dienst kunnen bevorderen op micro-, meso-, en macroniveau. Ieder van ons zal in de eigen sector op zoek gaan naar mechanismen die achterstelling in de hand werken. Van daaruit willen we impulsen geven tot verandering op alle niveaus van de samenleving.
Op het microniveau werd vooral duidelijk dat toegankelijkheid begint bij onszelf. Onze eigen houding is dan ook een belangrijk aandachtspunt. Anderzijds speelt de beleving van maatschappelijk kwetsbaren een essentiële rol.
Op mesoniveau hadden we het over de invloed van de organisatie op de toegankelijkheid van die voorziening. Hieronder verstaan we de organisatiecultuur, organisatiestructuur en de samenwerkingsverbanden tussen organisaties.
Op macroniveau vestigden we vooral de aandacht op hoe we het beleid kunnen beïnvloeden als maatschappelijk assistent, als maatschappelijk assistent in een organisatie en vooral hoe we dit doen met de buitenbaanlopers. We haalden ook enkele initiatieven aan die participatie kunnen bevorderen in Vlaanderen.
We merkten bij het schrijven van dit seminarie dat de verschillende niveaus elkaar sterk beïnvloeden. Ze overlappen elkaar constant. Voorbeelden: Wanneer we werken aan de toegankelijkheid op microniveau heeft dit invloed op de toegankelijkheid van de dienst (mesoniveau). Wanneer we een tekort in het beleid signaleren naar de overheid heeft dit gevolgen voor het kader waarin het micro- en mesoniveau werkt.
Uiteindelijk hebben we ons de vraag gesteld, hoe we als maatschappelijk assistenten de toegankelijkheid van welzijnsvoorzieningen kunnen bevorderen. Vanuit die vraagstelling zijn we gekomen tot een viertal methodieken, die ervoor kunnen zorgen dat organisaties zowel op micro, meso- als macroniveau toegankelijker worden.

References
GESCHREVEN BRONNEN
Boeken
PEETERS, M., Alledaagse ongelijkheid, Sekse- en klassenverschillen in de hulpverlening.
Leuven/Apeldoorn, Garant, 1993.
PUT, J., en VAN DER SANDE, I., Welzijnsrecht. Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge, die keure,
2005.
Rapporten, cursussen, eindwerken, jaarverslagen, brochures, interne nota?s
Justitiehuis Antwerpen, Draaiboek Probatie. Antwerpen 19 juni 2006 p. 19. (interne nota)
MINISTERIE VAN JUSTITIE, Alternatieve straffen. Wat is probatieopschorting en wat is probatie-uitstel?
Brussel, Ministerie van Justitie, Steundienst alternatieve maatregelen, z.j. (brochure)
MINISTERIE VAN JUSTITIE, Jaarverslag justitiehuis Antwerpen 2005. Brussel, Ministerie van
Justitie, Dienst Justitiehuizen, 2005, p. 11-12. (jaarverslag)
REDANT, N., De beroepsrelatie in de verplichte begeleiding. z.p., Dienst Justitiehuizen,
Opleiding & Selectie, 1999. (interne vormingsmap)
VERCAMMEN, T., Vragenlijst. Opiniepeiling. Antwerpen, 2007. (niet-gepubliceerde vragenlijst)
VERCAMMEN, T., Vragenlijst. Samenwerking Justitiehuis Antwerpen, dienst probatie. Antwerpen, 2007.
(niet-gepubliceerde vragenlijst)
VERRETH, S., Eigen keuze? Motiveren van cliënten in de beginfase van de probatiebegeleiding. Antwerpen,
Karel de Grote-Hogeschool, Departement Sociaal-agogisch Werk, 2002, p 7-8. (niet
gepubliceerde eindverhandeling)
Tijdschriftartikels
BEYENS, K., Bespreking jaarverslag dienst justitiehuizen 1999, Panopticon, jrg. 23, nr.1, 2002, p.
69-74.
BEYENS, K., op. cit., p. 69
DE CLERCK, S., ?Justitie dichterbij ? in het justitiehuis? Toespraak van minister van Justitie
Stefaan De Clerck tijdens een studiedag van de Koning Boudewijnstichting op 23 juni 1997?, De
orde van de dag. Criminaliteit en samenleving, 1998, p. 51-60.
DE VALCK, S., Naar een meer humane, toegankelijke en efficiënte justitie, ? De uitdaging van
de justitiehuizen. Panopticon, jrg. 20, nr. 6, 1999, p. 586-588.
De deur op slot? ?101
HOUGH, M., en ROBERTS, J., (red.), Changing Attitudes to Punischment. Public Opinion,
Crime and Justice Cullompton, Willian Publishing, 2002, p. 223.
HUYSE, L., en VERDOODT, A., ?Naar nieuwe vormen van intermediatie tussen burgers en
justitie?, in VANDONINCK, B., VAN DAELE, L., en NAJI, A., (red.), Het recht op het rechte
pad?, Antwerpen, Maklu, 1999, p. 157-206.
MARTEIN, R., Alternatieve gerechtelijke maatregelen en straffen. Evaluatie na elf jaar werking
van Dader in-Zicht, Slachtoffer in Beeld en Leerprojecten voor daders van Seksueel Geweld,
Panopticon, jrg. 28, nr. 2, 2007 p 60-65.
NIJS, K., Interview met Dirk De Bruyn. Unie Vrijzinnige Verenigingen vzw, jrg. 24, nr. 1, januari ?
februari 2007, p. 34-35.
SCHOUTETENS, C., Een nieuw directoraat-generaal voor de FOD Justitie. Just News, nr. 24,
oktober 2006, p 7.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, Justitie en Media. Justitiële verkenning, jrg.
28, juli - augustus 2002, p. 4.
WYSEUR, L., e.a., Justitie onder de loep: de publieke opinie ten aanzien van justitie. Rechtskundig
weekblad. - Antwerpen - Vol. 68, 2004/2005, nr. 22, p. 841-851.
Artikel krant
JDW, Justitie breekpunt voor CD&V, 15OO extra cellen of niet in regering. Gazet Van Antwerpen,
21 en 22 april 2007, p. 10.
Audiovisuele bronnen en elektronische publicaties
Informatie via netwerk
Federale Overheidsdienst Justitie. Internet, 14 april 2007.
(http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/api2.pl?lg=nl&pd=1999-06-29&numac=1999009718)
Gazet Van Antwerpen. Internet, 15 april 2007.
(http://www.gva.be/vindzoek/archief/resultaten.asp)
Vlaanderen. Internet. 9 mei 2007.
(http://www.wvc.vlaanderen.be/welzijnenjustitie/beleid/protocolakkoord.htm)
De deur op slot? ?102
E-mail
VERCAMMEN, T. (s5043901@edu.khk.be), Vraag eindwerk: centraal intaketeam. E-mail aan
KLERKX, J., (jan.klerkx@vagga.be), 17 mei 2007.
Mondelinge bronnen
BOSCHMANS, A., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 25 april 2007. (Time-Outproject)
BROUWERS, W., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, februari-mei 2007.
GOOSEN, T., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 15 mei 2007.
MARIEN, M., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 8 mei 2007. (Andante)
NAESSENS, I., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 15 mei 2007.
PIRON, G., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 3 mei 2007.
SUJEW, K., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, februari-mei 2007.
VAN BAVEL, D., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 23 april 2007. (VAGGA Altox)
VAN DUYSE, P., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 14 mei 2007.
De deur op slot? ?103
2.1 Boeken
Dienst Justitiehuizen. Wetteksten. Editie maart 2006. Brussel, Federale overheiddienst Justitie, 2006.
2.2 Dienstorder, nota, omzendbrieven en wetteksten
DIENSTORDER ter verduidelijking van de deontologische principes van de justitieassistent ?
belangrijkste deontologische principes en bepaalde methodologische aspecten. (Interne
dienstorder dienst justitiehuizen), z.u., 28 juli 2003, p. 64-73.
NOTA ter attentie van de Interministeriële Conferentie ?Integratie in de maatschappij?, z.u., 8
februari 2006, p. 1-69.
OMZENDBRIEF nr. col 3/2006 van het college van procureur-generaal bij de hoven van
beroep, z.u., 1 maart 2006, p. 1-12.
OMZENDBRIEF nr. col 4/2006 van het college van procureur-generaal bij de hoven van
beroep, z.u., 1 maart 2006, p. 1-26.
MINISTERIEEL BESLUIT tot vaststelling van de functiebeschrijvingen voor het personeel van
de buitendiensten van de dienst justitiehuizen van het ministerie van justitie. z.u., 29 juni 1999, p.
44-58.
MINISTERIEEL BESLUIT tot vaststelling van de basisinstructies voor de justitiehuizen. z.u., 29
juni 1999, p. 32-40.
2.3 Tijdschriftartikels
HAMAEKERS,B., e.a., Blauw van jou? Deel 1: Nieuwe Omzendbrieven over intrafamiliaal
geweld. z.p., Politiejournaal-politieofficier , nr. 5, mei 2006, p. 13-15.
HAMAEKERS,B., e.a., Blauw van jou? Deel 2: Concrete antwoorden op intrafamiliaal geweld.
z.p., Politiejournaal-politieofficier , nr. 6, juni 2006, p. 13-17.
De deur op slot? ?133
2.4 Mondelinge bronnen
AERTS, P., Mondelinge mededeling. Telefoongesprek, 16 mei 2007.
FIEUWS, E., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 4 mei 2007.
DE CEUSTER, C., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 7 mei 2007.
DE CEUSTER, C., DE VRIENDT, V., Uitleg over de werking van de politie en het parket. Overleg, 7
mei 2007.
DUYTSCHAEVER, M., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 24 april 2007.
DUYTSCHAEVER, M., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 16 mei 2007.
FRANCK, P., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 21 mei 2007.
FRANCK, P., Subgroep hulpverlening intrafamiliaal geweld Mechelen. Overleg, 21 mei 2007.
FIEUWS, E., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 4 mei 2007.
JACOBS, B., Mondelinge Mededeling. Overleg, 21 mei 2007.
JACOBS, E., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 13 april 2007.
VAN HOOGENBEMT, D., Overleg tussen het justitiehuis en het Team IFG van het CAW Het
welzijnshuis. Overleg, 9 maart 2007.
2.5 Mails
FRANCK, P., (pascale.franck@pandora.be), Teksten. E-mail aan VONK, E.,
(evivonk@hotmail.com), 22 mei 2007.
MERTENS, P., (pieter.mertens@mechelen.be), RE: eindwerk stagiaire justitiehuis Mechelen. E-
mail aan VONK, E., (evivonk@edu.khk.be), 22 mei 2007.
VANDEPLAS,E., (ellen.vandenplas@steunpunt.be), thesis. E-mail aan VONK, E.,
(evivonk@edu.khk.be), 8 maart 2007.
De deur op slot? ?134
2.6 Anderen
Aanvraag uitbreiding project in het kader van het Globaal Plan. Omgaan met agressie groep/ individueel. Sociale
vaardigheden. Mechelen, z.u., 2007. (interne nota)
Evaluatierapport Stad Mechelen ? vormingsproject. Mechelen, z.u., 2007. (interne nota)
FRANCK, P., Verslag subgroep hulpverlening IFG Mechelen. Mechelen, z.u., 31 januari 2006.
(vergaderverslag)
MEEUS, A., e.a. Visietekst intrafamiliaal geweld. Hulpverlening provincie Antwerpen. Antwerpen,
Provincie Antwerpen, februari 2006. (visietekst)
Team Intrafamiliaal Geweld IFG. Willebroek, CAW Het Welzijnshuis, 2007. (brochure)
VONK, E., Vragenlijst. Samenwerking met externe diensten binnen de stad Mechelen. Mechelen,
Justitiehuis Mechelen, 2007. (niet-gepubliceerde vragenlijst)
DUYRSCHAEVER, M., Voorstelling leerprojecten arrondissement Mechelen 3 oktober 2006. Mechelen,
Justitiehuis Mechelen, 2006.
De deur op slot? ?135
De deur op slot?
Een warm onthaal
Jeugdhuis De Bogaard, Geel
Door Jef Wellens
De deur op slot? ?136
SAMENVATTING
Het deel dat valt onder het warm onthaal is in principe een plan of enkele hupstukken om de
werking mogelijk uit te breiden of te zorgen dat mensen zich er welkom voelen. Na veel
contacten met andere jeugdhuizen en enkele andere organisaties ben ik enkele theoretische kaders
op het spoor gekomen die er specifiek voor een jeugdhuis kunnen zorgen dat deze toegankelijker
en vooral aantrekkelijker wordt voor mensen die nog niet in het jeugdhuis komen. Het was de
bedoeling om dit specifiek te doen voor personen tussen 14 en 16 jaar oud, maar is uiteindelijk
meer doorgetrokken naar de ganse doelgroep van het jeugdhuis namelijk de personen van 14 tot
25 jaar oud. Dit omdat er niet zoveel verschil is tussen deze groepen, buiten dan enkele punten
waar er meer rekening mee gehouden moet worden.
Deze hindernissen voor de personen onder de 16 jaar zijn dan ook in een apart hoofdstukje
aangegeven. Omdat dit iets is dat belangrijk is als je eenmaal aan het werk gaat. Daarna gaat het
direct over tot de eigenlijke kwestie van het ganse eindwerk, namelijk de ledenwerving. Deze
ledenwerving heeft enorm veel deelaspecten. En het eerste van deze aspecten dat aangehaald
wordt is de lidkaart. Daarna gaat het een beetje ruimer met de succesfactoren, dit zijn punten
waar ten aller tijde belang moet aan gehecht worden wanneer je aan ledenwerving doet. Deze
informatie komt van Formaat, de federatie van jeugdhuizen. Daarna gaan we kijken wie de
doelgroep is, wie we dus specifiek willen gaan bereiken. En dit wordt dan weer opgevolgd door
een korte inhoud van een vormingscursus die ik gevolgd heb namelijk JH zkt m/v met talent
georganiseerd door Formaat.
Hierna komt het belangrijkste deel, één van de oplossingen die ik gevonden heb in mijn
zoektocht en ook één die ik aan het installeren ben. Dit is namelijk het onthaalbeleid. Een idee
van jeugdhuis Lodejo uit Lochristi, maar dan meer aangepast aan de theoriën die er rond staan.
En hier gaat het ten eerste over een eigen motivatie om naar een jeugdhuis te komen, gevolgd
door het belang van communinicatie. Deze twee worden dan gecombineerd in het motiveren van
mensen om naar het jeugdhuis te komen. Met enkele manieren die in jeugdhuizen gebruikt
worden om deze mensen naar het jeugdhuis te krijgen of gewoonweg om ze uit te nodigen.
De oprichting van de werkgroep is hierin heel belangrijk. Dit zijn de mensen die ik
bijeengebracht heb om dit alles te gaan doen. En hebben ook een grote inbreng gehad in alles wat
hier staat. Zij hebben ideeën goed- en afgekeurd. En zorgen ervoor dat hier enige continuïteit in
De laatste twee hoofdstukken zijn de Interne cultuur en het Imago. Deze twee hoofdstukken
worden zeer kort aangehaald omdat ze ook een zeer belangrijke rol spelen in het zoeken en
vinden van leden. Dit zijn dus zaken waar nog steeds volop aan gewerkt wordt. Maar die zeker
even belangrijk zijn om een hoofdstuk te krijgen. Deze twee hoofdstukken zijn beschrijvende
hoofdstukken van de interne cultuur en het imago van het jeugdhuis en hoe ze er aan willen
werken.
De deur op slot? ?137
INHOUDSOPGAVE
INLEIDING..................................................................................................................... 139
1 DE DOELSTELLINGEN DIE VERWEZENLIJKT MOETEN WORDEN...... 140
1.1 ALGEMENE DOELSTELLINGEN ................................................................................. 140
1.2 SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN ................................................................................. 140
2 HINDERNISSEN WAAR WE MEE TE MAKEN GAAN KRIJGEN. .................141
2.1 HINDERNISSEN VOOR PERSONEN ONDER DE ZESTIEN JAAR. ....................................141
3 LEDENWERVING................................................................................................. 142
3.1 VOORSTELLING ......................................................................................................... 142
3.2 HET BELANG VAN EEN LIDKAART............................................................................. 142
3.3 SUCCESFACTOREN VOOR DE LEDENWERVING .......................................................... 142
3.4 DE LEDENWERVING OP ZICH.................................................................................... 144
3.5 DOELGROEPANALYSE ............................................................................................... 145
3.6 JH ZKT M/V MET TALENT......................................................................................... 145
4 HET ONTHAALBELEID ALS MOGELIJKE OPLOSSING .............................. 147
4.1 MASLOW IN EEN JEUGDHUISCONTEXT ..................................................................... 147
4.2 INFORMATIEOVERDRACHT ....................................................................................... 149
4.3 MENSEN MOTIVEREN............................................................................................... 150
4.4 MENSEN NAAR HET JEUGDHUIS LOKKEN ..................................................................151
4.5 MEGA-EVENT.............................................................................................................151
4.6 EEN WERKGROEP...................................................................................................... 152
4.7 SCHOLENTOUR/SCHOOLBEZOEK ............................................................................. 152
4.8 SAMENWERKING ANDERE LOKALE JEUGDBEWEGINGEN........................................... 153
4.9 BROCHURES / FLYERS / BRIEVEN ........................................................................... 153
5 INTERNE CULTUUR........................................................................................... 154
6 IMAGO .................................................................................................................... 155
De deur op slot? ?138
7 TOT SLOT .............................................................................................................. 156
De deur op slot? ?139
INLEIDING
De seminarietekst handelde over het drempelverlagend werken. En kreeg de titel mee: ?de deur
op slot?. Wel op mijn stageplaats in jeugdhuis de Bogaard in Geel heb ik dus als het ware gewerkt
aan een sleutel om deze deur te openen. Ik had de opdracht gekregen om een gans project op te
starten in verband met ledenwerving. Dit omdat het aantal nieuwe leden op de moment redelijk
klein was. En hier moest een antwoord op gevonden worden. Daarom ging ik gewapend met
mijn kennis van de voorbije twee jaren sociaal werk op zoek naar een goed plan om deze nieuwe
leden te bereiken.
Dit paste uiteraard in perfect in het thema van mijn eindwerk. Aangezien dat wij een praktische
uitwerking moesten maken van ons seminari. En om eerlijk te zijn is me dit niet altijd even goed
gelukt. Het theoretische deel van het seminari was uiteraard theorie, en nu is mijn conclusie dat
de theorie absoluut niet hetzelfde is als de praktijk. De praktijk is veel moeilijker. Je kan immers
honderden boeken lezen over het opbouwen van een gesprek, maar geen enkel gesprek zal lopen
als het in de boeken geschreven staat. Zo gaat het net hetzelfde in de praktijk.
De seminaritekst heeft me wel geholpen om een begin te zoeken. Het heeft me handig op weg
gezet, maar al snel ben ik mijn eigen weg ingeslagen. Alle modellen en methodieken laat ik
achterwege en ga nog een keer voor mezelf op onderzoek. Dit heb ik niet alleen moeten doen. Ik
heb uiteraard ook de hulp gehad van buitenaf en nuttige tips om zoiets aan te pakken. Namelijk
van mijn stagebegeleiders Joeri Lemaire en Lieve van Herck, alsook van Sepp van der Veke van
Samenlevingsopbouw. Maar ook van Stijn Lemaire (permanent verantwoordelijke van jeugdhuis
Lodejo in Lochristi), Steven Martens en Nicolas Vanlerberghe (begeleiders vormingsweekend: JH
zkt M/V met talent), en alle andere jeugdhuizen met wie ik contact heb opgenomen.
Omschrijving van de opdracht.
De verwachtingen van dit project is een nieuwe generatie van leden. Dit is uitermate belangrijk
voor de continuïteit van het jeugdhuis. Leden zijn dus deze waar het jeugdhuis op draait en zal
niet kunnen draaien als er geen leden meer zijn. Het is dus de bedoeling dat er elk jaar nieuwe
leden bijkomen bij het jeugdhuis. De taak bestaat uit een gans draaiboek voor ledenwerving, dat
toepasbaar is voor alle doelgroepen. In het geval van het jeugdhuis zijn dit de jongeren tussen de
14 en de 25 jaar. Daar bovenop komt er een specifieke uitwerking voor 14 tot 16-jarigen. Dit
omdat we een antwoord moeten en willen vinden waarom deze doelgroep nog niet bereikt wordt
door de huidige werking van het jeugdhuis en hoe we ze beter kunnen bereiken.
De deur op slot? ?140
1 DE DOELSTELLINGEN DIE VERWEZENLIJKT MOETEN
WORDEN
1.1 Algemene doelstellingen
Een eerste doelstelling is het aanwerven van nieuwe leden. Nieuwe jongeren moeten toegang
kunnen verwerven tot de instuifruimte en in de ganse jeugdhuiswerking. Concreet is het doel dat
er duidelijk een toename is van het aantal leden. Maar ook is het belangrijk om te gaan kijken naar
actieve leden. Deze moeten we ook zien te vinden.
Het volgende doel is dat de personen op een duidelijke manier vertrouwd geraken met de
werking van het jeugdhuis. Ze moeten goed geïnformeerd worden over de ganse werking van het
jeugdhuis. Daarbij staat dat ze kennismaken met de jeugdhuis methodiek, de mogelijkheden die
ze hebben binnenin en rond het jeugdhuis, de raad van bestuur en het personeel en zeker met de
missie en visie van het jeugdhuis.
1.2 Specifieke doelstellingen
Met het project ledenwerving willen we dus nieuwe leden zoeken en aanspreken om naar
jeugdhuis de Bogaard te komen, dit is direct de eerste stap voor de ledenwerving. Mensen zoeken
en aanspreken om naar het jeugdhuis te komen. Dit is dan ook een heel belangrijke stap. Dit
omdat de activiteiten van het jeugdhuis vrijblijvend zijn, maar toch zullen we net tijdens deze
activiteiten een band moeten proberen te scheppen tussen de bezoekers en het jeugdhuis.
Een tweede is dat de werking van het jeugdhuis bekend gemaakt word. Nieuwe leden of
mogelijke leden moeten weten wat het jeugdhuis is. Het is daarom nodig dat ze de werking
kennen of leren kennen. Dit is te bereiken door middel van een goede informatieoverdracht.
Als er uiteindelijk nieuwe leden zijn is het nodig dat zij zich integreren bij de huidige leden. Het is
dus de bedoeling dat de nieuwe leden zich dan goed voelen bij de andere leden en hun contacten
uitbreiden. Dit kunnen we doen aan de hand van specifieke activiteiten. Maar hier zijn ook
andere dingen van groot belang. Zo is het onthaal van de mensen heel erg belangrijk. Toch moet
er steeds stilgestaan worden bij de eenmaligheid van de activiteiten. Een activiteit op zich is een
eenmalig gebeuren, en nodigt bezoekers niet direct uit om naar het jeugdhuis te komen. Daarom
is er een onthaalbeleid.
De deur op slot? ?141
2 HINDERNISSEN WAAR WE MEE TE MAKEN GAAN
KRIJGEN
2.1 Hindernissen voor personen onder de zestien jaar
Een grote hindernis is het non-alcoholgehalte voor personen onder de 16 jaar. Omdat veel
mensen van het jeugdhuis toch wel enig belang hechten aan hun pintje is het praktisch zeer
moeilijk om ervoor te zorgen dat er geen alcohol geschonken wordt aan -16 jarigen. Dit is echter
wel iets waar we veel rekening mee moeten houden. Hier zijn enkele oplossingen mogelijk. Deze
zijn: geen alcohol voor niemand, +16 en -16 echt onderscheiden en ze apart houden en een
alternatieve activiteit voor de + 16 jarigen. Dit probleem komt echter uitsluitend voor bij
activiteiten waar zowel -16 als + 16 jarigen in de instuif zijn. Toch wordt het gebruik van alcohol
als belangrijk gevonden door de huidige jeugdhuisbezoekers. Het hoort dus bij het jeugdhuis. En
jongeren krijgen in andere zaken en op fuiven ook zeker alcoholische dranken. Dit schept
uiteraard enige dualiteit. Hier moet dus een onderscheid gemaakt worden in een spanningsveld
tussen ouders, jongeren, huidige leden en de andere vrijetijdsbestedingen. Daarom lijkt het voor
een jeugdhuis geschikter om op een verantwoordelijke manier om te gaan met dit alcoholgebruik.
Dit door het niet te verbieden maar wel door het gecontroleerd te laten verlopen. Zo kan het
jeugdhuis naar buiten komen als een plaats waar jongeren op een verantwoorde manier kunnen
uitgaan in het weekend.
Een andere zaak waar we rekening mee moeten houden is het interessegebied van de personen.
Verschillende leeftijden hebben ook verschillende interesses. Deze interesses kunnen misschien
haaks liggen met de interesses van huidige leden.
Een andere hindernis kunnen mogelijk de ouders van de nieuwe leden zijn. Deze moeten ook een
positief beeld hebben van het jeugdhuis en haar werking. Dit laat hen toe om hun kinderen in
hun vrije tijd aan de werking van het jeugdhuis toe te vertrouwen. Daarom is het een goed
gegeven dat het jeugdhuis zich zeker bekend maakt bij de Geelse inwoners. Dit is een vorm van
imagopolitiek. Dit kan gebeuren door regelmatig op een positieve manier in de media te
verschijnen. Door mee te werken aan acties ten voordele van een goed doel en dergelijke.
De deur op slot? ?142
3 LEDENWERVING
3.1 voorstelling
Ledenwerving is een hele klus. Er moet hier enorm veel aandacht aan besteed worden door de
organisatie in kwestie. Daarom is dit dus ook het geval voor een jeugdhuis. Deze dient zich ook
volop in te zetten voor ledenwerving
Uit de bundel over ledenwerving van Formaat haal ik een hele boel informatie. Hiermee schep ik
een theoretische onderbouw voor het uitwerken van een gans onthaalbeleid en mogelijk een
onderbouw voor activiteiten die het ledenaantal kunnen omhoogtrekken. Ik maak ook nog
gebruik van andere bronnen om een theoretisch draagvlak te creëren.
3.2 Het belang van een lidkaart
Een lidkaart is als het ware een materiele binding met het jeugdhuis. Hoewel een lidkaart
misschien vanzelfsprekend lijkt is dit niet altijd zo. Een lidkaart kan voor een jongere een grote
betekenis hebben, een betekenis om ergens bij te horen. Als daar dan nog eens voordelen aan
vasthangen is een lidkaart zelfs nog aantrekkelijk ook, zo krijg je korting op activiteiten van het
jeugdhuis, je krijgt een krantje, je kan in de stuurgroep stappen,... In enkele jeugdhuizen krijg je
ook een verjaardagsgeschenk.
Een lidkaart kan tevens ook een drempel zijn om toe te treden in een jeugdhuis. De lidkaarten
kosten ? 5. Misschien is het mogelijk om de lidkaarten aan nieuwe leden gratis te geven. Dan
hebben ze direct een band met het jeugdhuis en moeten ze al een financiële drempel niet meer
overwinnen.
Er moet duidelijk gemaakt worden wat er allemaal met een lidkaart bereikt kan worden.
Bijvoorbeeld een gratis halve liter op je verjaardag, korting op activiteiten, een verzekering, en
uiteraard een gevoel om ergens bij te horen. Dit moet heel duidelijk zijn en moet de mogelijke
nieuwkomers stimuleren om er een aan te schaffen.
3.3 Succesfactoren voor de ledenwerving
Het eerste waar ik bij stil sta is de eigen werking van het jeugdhuis. De werking op zich kan
mensen aantrekken en mensen afstoten. Het is belangrijk om dus heel bewust met de eigen
werking om te gaan. En als je naar buiten komt met een voorstelling van je werking is het dan
MEERS, j., Kruu Ciaal: themakatern, Ledenwerving, september 2005, VFJ
De deur op slot? ?143
ook belangrijk dat deze voor de jongeren zo positief mogelijk overkomt. Dus je werking en de
vertegenwoordiging van je werking moet iets aantrekkelijk zijn voor jongeren. En je moet
trachten goed te doen voor een zo groot mogelijke doelgroep.
Ontspannende activiteiten zijn volgens het voormalige VFJ ook succesfactoren. Hiermee
bedoelen ze dat het jeugdhuis veel aandacht moet schenken aan haar activiteiten. Deze moeten
aanspreken bij jongeren en mogen niet te zwaar zijn. Er moet dus genoeg ruimte zijn voor
ontspanning, enkele voorbeelden die hier aangehaald worden zijn onder andere: een karaoke,
stadsspel,.. Doch het ook zeer belangrijk is om te zien dat er voor deze activiteiten ook drempels
bestaan. Niet iedereen voelt zich namelijk geroepen om zomaar aan activiteiten mee te doen.
Daarom moet je ook extra veel rekening houden met de drempels van de activiteiten zelf, ook al
zijn ze ontspannend. In jeugdhuis de Bogaard zijn er uiteraard ook vele ontspannende
activiteiten, zoals de gewone instuif, het gezellig pintjes drinken, optredens, spelen, ...
Het voormalige VFJ stelt ook dat ?jongeren? belangrijker zijn dan ?leden?. Hiermee bedoelen ze
dat je niet enkel op de eigen leden moet inspelen bij activiteiten maar dat je ook andere jongeren
gaat proberen te bereiken. Hier speelt communicatie een belangrijke rol. In deze communicatie
staat het medium van communicatieoverdracht centraal. Daarmee wil ik zeggen dat er een zo
groot en zo breed mogelijk medium moet gebruikt worden om jongeren aan te spreken. Dit gaat
van contacten met andere jeugdverenigingen, contacten op scholen en met gemeentelijke
diensten tot het voldoende verspreiden van affiches voor activiteiten. Je moet je werking dus niet
steeds binnenin je jeugdhuis bekendmaken maar je moet ook naar de buitenwereld kenbaar
maken wie je bent en wat je doet. Dit met deze ruime communicatiekanalen. Doch denk ik zelf
dat er steeds ook rekening dient gehouden te worden met de huidige eigen leden. Deze zijn
namelijk ook zeer belangrijk voor het jeugdhuis en mogen in principe niet lijden onder de extra
aandacht naar jongeren.
Er dient ook veel aandacht besteed te worden aan de nieuwe vrijwilliger. Deze vrijwilliger is van
groot belang in de ledenwerving. Hij is degene die mee gaat werken aan de ledenwerving en het is
daarom ook heel belangrijk dat er speciaal aandacht aan hem besteed wordt. Hier moet het
jeugdhuis op inspelen. Voor de nieuwe vrijwilliger is het aanbod van zijn vrijetijdsbesteding heel
erg groot. Daarom is het belangrijk dat je als jeugdhuis heel duidelijk maakt waar je voor staat. Je
moet immers de concurrentie tegen andere organisaties die zich in de vrije tijd situeren kunnen
aangaan. Dit doe je door duidelijk een standpunt in te nemen. Je kiest voor een uitdagende en
concrete werking, met je eigen specifieke activiteiten. Deze moeten inspelen op de noden van de
jongeren. Je moet hen dus de meerwaarde meegeven en ook de visie die je volgt. De nieuwe
vrijwilliger wil dus een organisatie die past in zijn individuele waarden. Daarnaast moet er ook een
beloning zijn voor de vrijwilliger, de belangrijkste beloning die de vrijwilliger eist is plezier.
Daarnaast zijn inspraak, variatie, een vlotte organisatie en het opdoen van ervaring belangrijk.
De gedragenheid is uiteraard een heel belangrijk iets. Jongeren, leden en voornamelijk de
vrijwilligers willen vooral een gedragenheid. Daarmee bedoel ik dat als er een activiteit gebeurt of
als iemand iets organiseert dat dit gedragen wordt door iedereen. Ideeën moeten dus van de jeugd
De deur op slot? ?144
en leden zelf komen. Ze willen enkel meedoen aan dingen die ze zelf kiezen en waar ze zelf
achterstaan. Dit is voornamelijk het gevoel voor de vrijwilliger.
3.4 De ledenwerving op zich.
Het eerste belangrijke dat je moet doen is een doelstelling opmaken. Dan heb je iets om naar toe
te werken. Deze doelstelling dient zo specifiek mogelijk te zijn. Hier moet je in duidelijk maken
wat je gaat doen, in dit geval is dat ledenwerving. Maar dit kan uiteraard veel concreter. Je moet
dus ook zeggen wie je specifiek wil bereiken (bvb 14-16 jarigen), en je mag er uiteraard zelfs een
aantal op plakken. Deze doelstellingen staan in het begin van deze tekst reeds vermeld, daarom
verwijs ik daar dan nu naar.
Bij de doelstelling hoort ook een doelgroep. Dit is een belangrijk gegeven omdat je je
methodieken en activiteiten aan hen moet aanpassen. Daarom is een zo uitgebreid mogelijke
doelgroepomschrijving zeker bruikbaar. Daarbij is de volgende vraag cruciaal: ?Wie zijn de
jongeren die ik wil bereiken?? Deze zoektocht naar de doelgroep wordt verderop in een volgend
hoofdstuk uitgebreid toegelicht.
Als de doelstelling geformuleerd is het mogelijk tijd om iemand aan te stellen die de ledenwerving
allemaal coördineert. Ik verkies hier een werkgroep voor. Zo is er een heel team dat de
ledenwerving coördineert maar word deze ook meer gedragen door de leden van het jeugdhuis.
Deze werkgroep zal dan instaan voor de ledenwerving, zij zijn degene die de activiteiten in elkaar
steken. Ook zorgen ze mee voor de uitvoering en stimuleren ze andere leden om ook aan
ledenwerving te doen. De hulp van ieder lid is namelijk welkom. Mogelijk dient er voor deze
werkgroep ook een doelgroep opgesteld te worden
Een volgende stap is het op zoek gaan naar verschillende communicatieorganen. Deze kunnen
zeer divers zijn, het gaat zoals eerder al gezegd van contacten met scholen en andere
jeugdverenigingen tot het effectief spreiden van affiches. Andere mogelijkheden zijn artikels
schrijven voor in een lokaal krantje of gebruik maken van andere massamedia zoals televisie of
het internet (lokale fora en dergelijke).
Als deze communicatiematerialen gevonden zijn kan je letterlijk over gaan tot de actie. Dit kan je
doen door de verspreiding van informatie over deze kanalen. Let er wel op dat de informatie de
jongeren moet aanspreken en uitnodigen om naar een activiteit van het jeugdhuis te komen. Dit
kan op allerlei verschillende manieren gebeuren, bij de methodieken staan er enkele voorbeelden
die gebruikt kunnen worden om de mensen aan te spreken. Maar eerst moet er al een activiteit op
poten gezet worden om mensen ergens heen te lokken, deze activiteiten worden ook in een apart
hoofdstuk specifiek uitgewerkt. Dan kunnen er nog extra lokkers zijn zoals een gratis vat of een
?happy hour? of zoals reeds gedaan werd, een ?tap je eigen pint?. Er moet hier heel bewust
stilgestaan worden bij de doelgroep. Waarbij je de vraag stelt wie je wil bereiken, en hoe kan je dit
dan het beste doen?
De deur op slot? ?145
In een vorig deel van de tekst werd er kort het belang van een lidkaart uitgelegd. Deze lidkaart
kan een stimulans zijn om mensen naar het jeugdhuis te laten komen. Bij activiteiten voor
personen onder de 16 jaar kan het verkrijgen van een gratis lidkaart een mogelijke stimulans zijn
om naar een bepaalde activiteit te komen. Om deze activiteit nog aantrekkelijker te maken kan
deze het beste gratis zijn. Dit allemaal omdat een prijs soms wel een grote drempel kan zijn.
Iedereen is te vinden voor gratis, het neemt direct de financiële drempel weg. Deze financiële
drempel is één van de vijf B's van toegankelijkheid.
3.5 Doelgroepanalyse
Eerder staat reeds vermeld dat het bekijken van je doelgroep zeer belangrijk is. Daarom maak ik
hier een analyse van de mogelijke doelgroep. Deze bestaat uit personen van 14 tot 16 jaar oud.
Hierover is er een heel onderzoek gedaan door de Vrije Universiteit Brussel. Mijn
doelgroepanalyse vertrekt vanuit dit werk. Omdat het jeugdhuis en zijn werking zich richt op de
vrijetijdsbesteding voor de jeugd lijkt het me belangrijk om zo te gaan kijken waar de jeugd zich
dezer tijden met bezighouden.
Over het algemeen is een jeugdhuis niet echt populair bij de jeugd. Maar liefst 61% komt nooit in
een jeugdhuis. Dit is wel voor een groep jongeren die tussen de 14 en 18 jaar oud zijn. Daar kan
je de opmerking bij maken dat er rekening met gehouden moet worden dat vele jeugdhuizen zich
enkel richten voor de jeugd vanaf 16 jaar. En er zitten ook geen personen tussen die ouder zijn
dan 18. Dat maakt dat deze studie daarom voor de jeugdhuizen niet helemaal van toepassing zijn.
Ze kan echter wel een goede richtlijn vormen voor de ledenwerving van personen van 14 tot 18
jaar. Maar niet direct voor meerderjarigen.
Dit voor het jeugdhuisbezoek bij jongeren. Doch wat iedereen of toch bijna iedereen interesseert
is muziek. Ongeveer 65% is dagelijks met muziek bezig en er is maar 0,6% dat nooit met muziek
bezig is. Hier kan je uit afleiden dat voor de jeugd muziek heel erg belangrijk is. Dit wordt
bevestigd doordat 95% van alle jongeren tussen de 14 en 18 jaar graag met muziek bezig is. Voor
het jeugdhuis betekent dit dat hier zeker op ingespeeld kan worden. Maar dan blijft er nog een
grote vraag en dat is de muziekgenres.
3.6 JH zkt m/v met talent
In het kader van dit project ben ik op vorming geweest. Deze had de titel: JH zkt m/v met talent.
Hier gaan ze ervan uit dat er medewerkers moeten gezocht worden. Het is dus niet gewoon de
zoektocht naar leden, maar naar vrijwilligers. Deze zoektocht is niet zomaar een naar de leden die
zich willen inzetten voor het jeugdhuis, maar over mensen die nog geen lid zijn. In principe zijn
dit twee vliegen in een klap. Ten eerste zoek je nieuwe leden, en ten tweede zoek je ook nieuwe
vrijwilligers. De vorming ging er dus ook van uit dat de vrijwilliger net de leden zijn die komen en
blijven komen. Deze leden en zeker vrijwilligers zijn zeer belangrijk voor het voortbestaan van de
De deur op slot? ?146
jeugdhuizen. De jeugdhuizen draaien op de vrijwilligers. Het jeugdhuis gaat uit van het principe
door en voor jongeren, en daarom is het dus cruciaal dat er jongeren in het jeugdhuis komen.
Dan is het ook nog nodig om hen te motiveren en zich laten engageren in het jeugdhuis. Dit
engagement kan heel erg divers zijn. Dit kan gaan van een keertje te tappen, het behoren van een
werkgroep tot zelfs het deel uitmaken van de raad van bestuur.
Een eerste punt is wanneer er aan werving gedaan moet worden. Het antwoord is hier zeer
duidelijk en ook eenvoudig: ALTIJD. De gedachte hierachter is dat dit steeds een aandachtspunt
moet zijn binnen de werking van het jeugdhuis. Toch moet ik hier de opmerking maken dat dit
niet altijd is. Zo is er ook één voorwaarde wanneer je net niet aan ledenwerving moet doen. En
dat is wanneer het jeugdhuis echt slecht draait. Dan zijn er ook andere zaken waar je vooreerst
komaf met moet maken. In andere jeugdhuizen is er hier dan ook een vast punt over in de raad
van bestuur en het dagelijks bestuur en heeft dit de naam onthaalbeleid (Lodejo in Lochristi).
Ook hier in het jeugdhuis kan er mogelijk een onthaalbeleid opgestart worden. Dit is de eerste
stap om mensen aan te spreken en te betrekken in het jeugdhuis. Er wordt namelijk van uit
gegaan dat als mensen zich direct thuis voelen en geaccepteerd worden door de leden dat er
direct een heel hoge drempel weggenomen wordt. Dit gebeurt al in andere jeugdhuizen doorheen
het Vlaamse landschap, soms onder een andere naam, maar steeds met concrete acties en
schunnige plannen. Dit onthaalbeleid moet nog tot in de puntjes uitgekiend worden, en daar
komen we later nog op terug.
Het tweede punt is dat de mensen duidelijk weten waar het over gaat. In geval van een jeugdhuis
is dit dat de ganse werking duidelijk wordt. Dit begint met een goede omschrijving van de
werking, de mogelijkheden, de voordelen en zeker de dingen die een persoon kan motiveren.
Communicatie is het sleutelwoord, zowel de manier waarop is belangrijk als ook de inhoud.
Deze twee punten kunnen we verder uitwerken en zo plaatsen in een onthaalbeleid.
De deur op slot? ?147
4 HET ONTHAALBELEID ALS MOGELIJKE OPLOSSING
Vanuit de vorming van Formaat, namelijk ?JH zkt M/V met talent? ben ik een onthaalbeleid op
het spoor gekomen. De eerste aanraking dat ik er mee gehad heb komt van jeugdhuis Lodejo in
Lochristi. In dit jeugdhuis hebben ze een echt specifiek onthaalbeleid. Ook in andere jeugdhuizen
is er een zekere vorm van een onthaalbeleid. Echter wordt er in Lodejo er een naam op geplakt
en daardoor krijgt het onthaal van potentiële nieuwe leden een vaste waarde.
Ook in jeugdhuis de Bogaard is er een onthaalbeleid mogelijk. Er is er in zekere zin al een. Maar
dit wordt niet expliciet gemaakt. Iedereen doet hier aan mee, maar het staat nog nergens
geschreven. Eens dit op papier staat en aan de leden bekend wordt gemaakt kan dit echt effectief
werken. Daarom moet heel het onthaalbeleid concreet uitgeschreven worden. Dit uitschrijven zal
een richtlijn vormen die de leden kunnen gebruiken om mensen aan te spreken. Mogelijk kan het
onthaalbeleid een vast puntje worden op enkele vergaderingen. Ik denk dan aan werkgroep
Tappers, Stuurgroep, Toekomst en misschien ook het werkoverleg. Maar eerst moet er concreet
gesteld worden wat dit onthaalbeleid inhoudt.
Het onthaalbeleid is dus een soort methodiek om mensen aan te spreken en aan te sporen om
naar het jeugdhuis te komen of te blijven komen. Een sleutelbegrip in dit beleid is motivatie. Als
je mensen kan motiveren dan heb je kansen om ze te houden. Maar dit schept weer de vraag:
?hoe kunnen we mensen motiveren om naar het jeugdhuis te komen?? Daarbij kunnen we gaan
kijken wat mensen kan motiveren om naar het jeugdhuis te komen. En hoe kunnen we deze
factoren gebruiken in een soort onthaalbeleid.
4.1 Maslow in een jeugdhuiscontext
Voor de motivatie kan de behoeftetheorie van Maslov aangesproken worden. Daarbij worden de
behoeften opgedeeld in fysiologische behoeften, de behoefte aan veiligheid, de behoefte aan
sociaal contact, de behoefte aan erkenning en uiteindelijk aan het topje van de piramide de
behoefte aan zelfontplooiing. De functies die het jeugdhuis kan hebben zijn ook redelijk vaak te
plaatsen op deze piramide.
Kwartee 4: JH zkt M/V Met Talent
De deur op slot? ?148
De theorie is als volgt. Aan de basis van de piramide staan over het algemeen de basisbehoeften.
Dit is eten, drinken en vooral overleven (ter nagedachtenis van de evolutietheorie van Darwin
staat ook de behoefte van het voortplanten hier bij de basis opgenomen). Aan deze basis moet
voldaan worden alvorens je echt naar de volgende delen van de piramide kan gaan. En hoe hoger
je op de piramide bent des te groter is de meerwaarde voor een persoon.
GESCHREVEN BRONNEN
Boeken
BARNHARD, M.C., e.a, Evaluatie ambulante hulpverlening in de zorg voor mensen met een verstandelijke
handicap: deel 1 samenvatting. Utrecht, NZi, 1998.
BARNHARD, M.C., e.a, Evaluatie ambulante hulpverlening in de zorg voor mensen met een verstandelijke
handicap: deel 2 inventarisatie en onderzoek van het hulpaanbod. Utrecht, NZI, 1998.
BARNHARD, M.C., e.a, Evaluatie ambulante hulpverlening in de zorg voor mensen met een verstandelijk
handicap: deel 3 ervaringen van cliënten met ambulante hulp. Utrecht. NZi, 1998.
VAN HOVE, V., Naar recht op eigenheid in een bedding van verbondenheid. Ideeën voor begeleiders van
mensen met beperkingen. Sint-Amandsberg.
HAESAERT, L., Over de drempel. Toegankelijke communicatie voor doelgroepen met een handicap. Brugge,
Vanden Broele, 2006.
N, N., Een zoektocht naar gelijkwaardigheid. Ervaringen en methoden. Feniks, Avelgem, 1998.
MONDELINGE BRONNEN
DE RIDDER, T., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 21 maart 2007.
DE RIDDER, T., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 5 april 2007.
DE RIDDER, T., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 8 mei 2007.
De deur op slot? ?179
Vonk, Evi Vercammen, Tinne Brodala, Marijke Wellens, Jef Sterckx, Nele Leenaerts, An 2007
49 KHK_ETD PDF Het gedrag van de grote mensapen
degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

award Prijs Bayer Animal Health

  Wanneer mensen het woord apen horen, denken ze meteen aan lieve, schattige dieren die naar hen lachen als ze de dieren in dierentuinen zien. Apen worden meer als alle andere dieren vermenselijkt en gezichtsuitdrukkingen worden daardoor verk ...
eerd opgevat. Ook het andere gedrag wordt door de meeste mensen niet begrepen. Het is daarom nuttig dat dit verder uitgewerkt wordt.
Er leven ongeveer 400 verschillende soorten apen op de wereld. Omdat een eindwerk over het gedrag van apen veel te uitgebreid zou worden, is er hier gekozen voor het gedrag van de grote mensapen.

Het is de bedoeling om verzorgers van mensapen en bezoekers van dierentuinen meer informatie te verschaffen. Ook is het in dit eindwerk mogelijk om de verschillende mensapen met elkaar te vergelijken.
De orang-oetan, gorilla, chimpansee en bonobo zijn de 4 groepen van grote mensapen die momenteel op aarde leven. Ik ben op zoek gegaan naar literatuur over het gedrag van deze dieren om die dan te vergelijken met het gedrag van de grote mensapen in gevangenschap in België. Ik heb hiervoor een bezoek gebracht aan de zoo van Antwerpen, Planckendael, de Olmense Zoo en het Nederlandse Apenheul.

Er moet natuurlijk opgemerkt worden dat het interpreteren van gedrag een subjectief iets blijft. Tijdens nog lopende of met nieuwe onderzoeken kunnen er steeds nieuwe gedragspatronen en gezichtsuitdrukkingen gevonden worden, die dan een heel andere betekenis aan gekend gedrag kunnen geven. Daarom is het belangrijk dat deze informatie steeds opgevolgd en aangepast wordt.

References

Adang, O. (s.a.). Sociaal gedrag bij chimpansees
Gevonden op 15/01/2008 op internet:
http://chimpansee.homestead.com/groepstherapie.html
Apenheul (2008)
Gevonden op 10/02/2008 op internet: http://www.apenheul.nl/
Bloom, S. (1999). Apen: Een hommage. Groningen: Textcase
Bright, M. (2001). Gorilla?s: de grootste apen. Baarn: Uitgeverij Bosch & Keuning
Calvin, W. (2006). Bonobo: Pan paniscus
Gevonden op 28/12/2007 op internet: http://williamcalvin.com/teaching/bonobo.htm
Chimpansees: Pan. (s.a.)
Gevonden op 01/04/2008 op internet:
http://www.bertsgeschiedenissite.nl/geschiedenis%20aarde/chimpansee.htm
Compost, A. (2007). Orang-oetan
Gevonden op 20/11/2007 op internet:
http://www.wnf.nl/nl/bibliotheek/index.cfm?act=dierenbieb.detail&dierid=393&zoekstring=
orang-oetan&tab=3&startrow=1
Constable, T. (2001). Chimpansees: sociale woudbewoners. Baarn: Uitgeverij Bosch &
Keuning
De gorilla: Gorilla gorilla (2008)
Gevonden op 10/04/2008 op internet: http://www.de-natuur.be/pages/gorilla.html
De Waal, F. (1997). Bonobo?s: De vergeten mensaap. Utrecht/Antwerpen: KOSMOS-z&k
Uitgevers
Derksen, M. (2007). De mens is de mens een aap: Empathie en moraal bij apen en mensen
Gevonden op 28/12/2007 op internet:
http://www.academischeboekengids.nl/abg/do.php?a=show_visitor_artikel&id=593
Diergaarde Blijdorp (s.a.). Borneo orang utan
Gevonden op 20/03/2008 op internet:
http://www.natuurinformatie.nl/ndb.blijdorp/natuurdatabase.nl/i000103.html
Diergaarde Blijdorp Rotterdam (2007) Ontsnapping gorilla Bokito
Gevonden op 12/09/2007 op internet: http://www.rotterdamzoo.nl/p3.php?DocID=3512
Discovery Communications, LLC (2008). Wat is een primaat
Gevonden op 03/03/2008 op het internet:
http://www.animalplanet.nl/primaten/wat_is_een_primaat/index.shtml
Discovery Communications, LLC (2008). Sociaal leven
Gevonden op 03/03/2008 op het internet:
http://www.animalplanet.nl/primaten/sociaal_leven/waar_leven_ze/index.shtml
Dunbar, R., & Barrett, L. (2001). Apen: onze verwanten. Baarn: Uitgeverij Bosch &
Keuning
Evolutie van de mens (s.a.).
Gevonden op 26/02/2008 op internet:
http://wetenschappen.gemeenschapsonderwijs.net/dag%20wiswet/biologie/B3%20Afstamm
ing%20van%20de%20mens.pdf
Fossey, D. (1984). Gorilla?s in de mist. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij L.J. Veen B.V.
Frattini, S. (2006). Chimpansees: Speels en slim. Leidschendam: Biblion Uitgeverij
Freeman, D. (1979). Aapjes kijken. Baarn: Market Books B.v.
Godwin, S. (1998). Gorilla?s. Lisse: Rebo Productions
Great Ape Trust of Iowa (2007). Insights trough collaborations with apes
Gevonden op 06/01/2008 op internet: http://greatapetrust.org/index.php
Habari Travel (2005). De berggorilla: Voortplanting
Gevonden op 23/12/2007 op internet:
http://www.habaritravel.nl/?id=231&PHPSESSID=ea517b8f67cff4e50baae4ac180a1fc0
IFAW (2007). Toekomst in vrijheid voor bedreigde gibbons
Gevonden op 15/02/2008 op internet:
http://www.ifaw.org/ifaw/general/default.aspx?oid=225017
Jango-Cohen, J. (2005). Gorilla?s. Etten-Leur: Ars Scribendi bv
Jupiterimages France (2008).
Gevonden op 10/04/2008 op internet:
http://images.jupiterimages.com/common/detail/57/30/23463057.jpg
Kendell, P. (2004). Orang-oetans: Dieren in het wild. Harmelen: Corona
Kendell, P. (2005). Gorilla?s. Etten-Leur: Ars Scribendi bv
Meike (s.a.). Orang utan: De bosmens
Gevonden op 15/01/2008 op internet: http://orangutan.flevoland.to/begin.html
Mimiek van de chimpansee (s.a.)
Gevonden op 13/10/2007 op internet: http://www.ethologie.nl/voorbeelden/chimp.htm
Naturalis (s.a.). Houding van de gorilla
Gevonden op 06/03/2008 op internet op:
http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i002840.html
Naturalis (s.a.). Slingeraars
Gevonden op 06/03/2008 op internet op:
http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i001889.html
Nederlandse vereniging van dierentuinen (2007). Bonobo?s
Gevonden op 03/02/2008 op internet:
http://www.nvdzoos.nl/educatie/frameset_educatie.html?page=bonobo
Nederlandse vereniging van dierentuinen (2007). Chimpansees
Gevonden op 03/02/08 op internet:
http://www.nvdzoos.nl/educatie/frameset_educatie.html?page=chimpansee
Nederlandse verenging van dierentuinen (2007). Orang oetan
Gevonden op 03/02/2008 op internet:
http://www.nvdzoos.nl/educatie/frameset_educatie.html?page=orangoetan
Neylander, G. (s.a.). Liefde op het eerste gezicht en nog veel meer
Gevonden op 20/03/2008 op internet: http://www.borstvoeding.nl/pdffiles/love.pdf
Olmense zoo (2007)
Gevonden op 24/09/2007 op internet: http://www.olmensezoo.be/nl/Frameset/Welkom.htm
Op zoek naar Eden (s.a.). Bonobo
Gevonden op 12/10/2007 op internet: http://www.sesha.net/edEN/bonobo.asp
Op zoek naar Eden (s.a.). Chimpansee
Gevonden op 12/10/2007 op internet: http://www.sesha.net/edEN/chimpansee.asp
Op zoek naar Eden (s.a.). Gorilla
Gevonden op 12/10/2007 op internet: http://www.sesha.net/edEN/gorilla.asp
Op zoek naar Eden (s.a.). Orang-oetan
Gevonden op 12/10/2007 op internet: http://www.sesha.net/edEN/orang-oetan.asp
Orangutan: Pongo pygmaeus (2003)
Gevonden op 07/04/2008 op internet:
http://spot.colorado.edu/~humphrey/fact%20sheets/orangutan/orangutan.htm
Paradisio (s.a.). Wetenschappelijk schrift: Madidi en Nosy Komba, de eilanden van de
primaten. Brugelette: s.n.
Petersen, J., (s.a.). Gibbons
Gevonden op 16/02/2008 op internet:
http://www.brookfieldzoo.org/pgpages/pagegen.260.aspx
Planckendael (2007)
Gevonden op 24/09/2007 op internet: http://www.planckendael.be/
Platt, R. (2002). Apen en andere harige primaten. Antwerpen: Standaard Uitgeverij
Pongo Foundation (2006). Orang-oetans
Gevonden op 30/03/2008 op internet:
http://www.orangutan.nl/orangutan_behaviour_dutch.htm
Ponginae - Pongini - Orang Oetans (Pongo). (2004)
Gevonden op 26/11/2007 op internet:
http://www.bertsgeschiedenissite.nl/geschiedenis%20aarde/orang_oetan.htm
Redmond, I. (2002). Gorilla?s: De fascinerende wereld van gorilla?s en andere apen.
Antwerpen: Standaard Uitgeverij nv
Rijksen, H., & Rijksen, A. (1988). Orang-oetans: De laatste bosmensen? Brussel: Natuur &
Techniek
Stichting Bos (2007). Orang oetans
Gevonden op 02/12/2007 op internet:
http://www.stichtingbos.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=13&Itemid=29
Stonehouse, B. (2001). Apen en mensapen. Den Haag: Biblion Uitgeverij
Taylor, B. (2004). Apen en Mensapen. Haarlem: Uitgeverij J.H. Gottmer
The gorilla foundation (2000). Basic gorilla life
Gevonden op 15/01/2008 op internet: http://www.koko.org/about/basic.html
Unep (s.a.). CITES
Gevonden op 04/10/2008 op internet: http://www.cites.org/
Vaandrager, F., & Roebers, G. (2007). Infoblad WWF: Mensapen. Zeist: Wereld Natuur
Fonds
Van Veen, P. (2007). Help mijn baas is een aap: Een biologische kijk op sociaal gedrag in
organisaties. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact
Van Veen, P. met stichting Apenheul. (2007). Dierbare Collega?s: Apenstreken op de
werkvloer. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact
Veerman, E. (2006). De sprong van de bonobo: Apenspieren zijn superieur aan de onze
Gevonden op 26/03/2008 op internet: http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/28750735/
Woodward, J. (2002). Chimpansees. Harmelen: Ars Scribendi bv
WorldExplorer (2006). Orde van de halfapen
Gevonden op 27/12/2007 op het internet: http://www.worldexplorer.be/halfapen.htm
WorldExplorer (2006). Orde van de primaten
Gevonden op 27/12/2007 op het internet: http://www.worldexplorer.be/primaten.htm
Zodiac Animals (s.a.). Fokprogramma EEP
Gevonden op 04/01/2008 op internet:
http://www.zodiacanimals.nl/pages/content.aspx?type=content&id=5
Zoo Antwerpen (2007)
Gevonden op 24/09/2007 op internet: http://www.zooantwerpen.be
Bries, Gitte 2008
50 KHK_ETD PDF Geboortebeperking bij de hond
keywords Ecology Biomedical sciences Animal ecology

degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  Geboortebeperking bij de hond omvat de mogelijkheden bij de teef en de reu. De oestrische cyclus bij de teef bestaat uit 4 fasen, namelijk de pro-oestrus, de oestrus, de metoestrus en de anoestrus. Tijdens deze fasen treden er bij de teef h ...
ormonale veranderingen op die van belang zijn. De eenvoudigste manier om een geboortebeperking te realiseren is de teef en de reu gescheiden te houden. Andere mogelijkheden zijn een chirurgische of een medicamenteuze geboortebeperking. De belangrijkste manieren om een chirurgische geboortebeperking te verkrijgen bij de teef zijn ovariëctomie of ovariohysterectomie. Aan deze chirurgische ingrepen zijn een aantal voor- en nadelen verbonden. Postoperatief kunnen er ook een aantal complicaties optreden. Complicaties kunnen ook ontstaan na een niet correct uitgevoerde sterilisatie. Naast een ovariëctomie/ovariohysterectomie kunnen ook andere chirurgische methoden worden toegepast. Salpingemphraxis is hier een voorbeeld van. Bij de medicamenteuze geboortebeperking worden meestal hormoonpreparaten gebruikt. Hierbij kan men progestagenen, androgenen en GnRH-agonisten of ?antagonisten toedienen aan de teef. Naast deze hormoonpreparaten zijn er nog andere manieren om een medicamenteuze geboortebeperking bij de teef te realiseren. Op deze methoden wordt er nog veel onderzoek verricht. Bij de immunologische methoden onderscheidt men immunisatie met FSH en LH, met GnRH en met porciene zona pellucida. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan met uteriene, vaginale en subcutane implantaten. Een intra-ovariële injectie kan ook zorgen voor infertiliteit bij de teef. Als laatste kan men ook gebruik maken van straling.

Als de teef dan toch ongewenst drachtig is, kan een abortus worden overwogen. Abortusinductie kan op een chirurgische of een medicamenteuze manier gebeuren. Bij de chirurgische wijze wordt er een ovariohysterectomie uitgevoerd. De medicamenteuze therapie zal meestal hormonaal zijn, maar er kunnen ook niet-hormonale preparaten worden toegediend. Indien een abortus wordt uitgevoerd tijdens een ver gevorderde dracht is het belangrijk ook stil te staan bij het ethisch aspect.

De spermatogenese bij de reu is geen cyclisch proces zoals er bij de teef een oestrische cyclus is. Als de spermatogenese op gang komt, wordt de reu vruchtbaar. De belangrijkste manier om aan geboortebeperking te doen bij de reu is de chirurgische manier door middel van een castratie. De wetenschappelijke benaming hiervan is orchidectomie. Ook hieraan zijn een aantal voor- en nadelen verbonden. Een andere manier om een reu infertiel te maken is vasectomie. Als men het heeft over chemische castratie van de reu, bedoelt men de medicamenteuze geboortebeperking. Dit is echter geen betrouwbare methode.

Naast deze literatuurstudie is er een onderzoek in de praktijk uitgevoerd. Dit werd uitgevoerd aan de hand van enquêtes. De resultaten van deze enquêtes werden verwerkt en besproken. Op basis van de resultaten werd duidelijk welke informatie er aan de klant verstrekt moet worden. Het belang van duidelijke informatie naar de klant toe, mag niet worden onderschat. De juiste informatie moet op een verstaanbare wijze aan de klant worden meegegeven.



References

Bassert, J.M., McCurnin, D.M. (2002). Clinical textbook for veterinary technicians
(fifth edition). St.-Louis, United States of America: Elsevier Science.
Beerendonk, E., Goegebeur, D., Vermander, N., Vervloet, K. (2004). Casus
verloskunde. Onuitgegeven nota?s bij opleiding tot dierenarts, Universiteit Gent,
Faculteit diergeneeskunde.
Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie. (2005).
Gecommentarieerd geneesmiddelenrepertorium voor diergeneeskundig gebruik.
Gent: Snoeck-Ducaju.
Buytaert, K., Cuvelier, G., Tausic, B. (2004). Casus verloskunde. Onuitgegeven
nota?s bij opleiding tot dierenarts, Universiteit Gent, Faculteit diergeneeskunde.
Coomans, A., Vandecan, C. (2005). Mondelinge mededeling: Chirurgische
geboortebeperking bij de reu: Castratie: Inleiding.
De Bosschere, H. (s.a.). Cysteuze endometrium hyperplasie ? pyometra complex
bij de teef. Onuitgegeven cursus bij het Postuniversitair Onderwijs diergeneeskunde
Kleine Huisdieren, Universiteit Gent.
De Groote, K., Leën, B., ?t Hooft, E., Van den Bogaert, M. (2004). Case bespreking
verloskunde. Onuitgegeven nota?s bij opleiding tot dierenarts, Universiteit Gent,
Faculteit diergeneeskunde.
De Kruif. (1990). Voortplantingsstoornissen bij kat: Ongewenste dekking bij de hond
en de kat. Onuitgegeven cursus bij het Postuniversitair Onderwijs diergeneeskunde
Kleine Huisdieren, Antwerpen.
De Roeck, I. (2001-2002). Oestruspreventie bij de teef. Onuitgegeven scriptie tot
behalen van het diploma van dierenarts, Universiteit Gent, Faculteit
diergeneeskunde.
Dierenartsonline. (s.a.). Dektijdstipbepaling. Gevonden op 20-11-2005 op het
internet:
http://www.dierenartsonline.nl/adviesbrieven/dektijdstipbepaling/body_dektijdstipbe
paling.html.
Dierenkliniek Causus. (2003). De dekking en de problemen rond een dekking.
Gevonden op 13-11-2005 op het internet: http://www.causus.be/vrij.cfm?Id=65.
Dierenkliniek De Beemd. (s.a.) Loopsheid bij de hond. Gevonden op 20-11-2005 op
het internet: http://www.beemd.nl/meest%20vragen%20hond%20loopsheid.htm.
Dierenkliniek De Paltrok. (s.a.). Castratie van de reu. Gevonden op 15-02-2006 op
het internet:
http://www.paltrok.nl/veelgesteldevragen/honden/castratiereu/index.html.
Dierenkliniek Hof. ( s.a.). Castratie bij de reu. Gevonden op 15-02-2006 op het
internet: http://www.dierenkliniekhof.nl/cr.html.
Dupon, A., Vandecan, C. (2006). Mondelinge mededeling: Chirurgische
geboortebeperking bij de reu: Castratie: Tijdstip.
Everaert, D., Mondt, E., Van den Driessche, B. (2004). Casus verloskunde.
Onuitgegeven nota?s bij opleiding tot dierenarts, Universiteit Gent, Faculteit
diergeneeskunde.
Geudens, R. (2003-2004). Voor- en nadelen van ovario(hyster)ectomie bij de teef.
Onuitgegeven scriptie tot behalen van het diploma van dierenarts, Universiteit Gent,
Faculteit diergeneeskunde.
Huisdierenkliniek Hornstra. (2004). Loopsheid bij de hond. Gevonden op 20-11-
2005 op het internet:
http://www.hondenplaza.nl/page/info_hond_loopsheid.php.
Huybrechts, E., Kelchtermans, K., Van Vynckt, D. (2004). Case-report verloskunde.
Onuitgegeven nota?s bij opleiding tot dierenarts, Universiteit Gent, Faculteit
diergeneeskunde.
Janssens, F. (1999-2000). Mammatumoren bij de teef: Overlevingskansen en de rol
van BCL2. Onuitgegeven scriptie tot behalen van het diploma van dierenarts,
Universiteit Gent, Faculteit diergeneeskunde.
Jochems, A.A.F., Joosten, F.W.M.G. (2003). Zakwoordenboek der geneeskunde
(27ste druk). Doetinchem: Elsevier gezondheidszorg.
Petit, S. (2003). Geneesmiddelen catalogus voor dierenartsen: En producten voor
diergezondheid gecommercialiseerd in België (1e uitgave). Paris, France: s.n.
Plumb, D.C. (2001). Veterinary Drug Handbook (4th ed.). Ames, Iowa, United
States of America: Iowa State Press.
Pyometra. Gevonden op 13-11-2005 op het internet:
http://omalmalamutes.com/omal/images/OVHPyometrac.jpg.
Rens, S.L.J. (1997-1998). Subfertiliteit bij de teef. Onuitgegeven scriptie tot behalen
van het diploma van dierenarts, Universiteit Gent, Faculteit diergeneeskunde.
Roelandts, D., Vanhoutte, H. (1989-1990). Therapeutisch formularium. Brussel:
I.C.S.
Schaefers-Okkens, A.C., Kooistra, H.S. (s.a.). De oestrische cyclus bij de teef;
Pseudo-graviditeit bij de teef; Ongewenste dracht bij de teef en de poes;
Ovariëctomie/ovario-hysterectomie. Voortplantingsproblematiek van de Teef en de
Poes: Het niet-gravide dier, 43, (1), p. 2-28.
Tielemans, S. (2005-2006). Farmacologie: Hormonen. Onuitgegeven cursus van
het derde jaar Landbouw en biotechnologie optie Dierenartsassistent, Katholieke
Hogeschool Kempen, Departement Industrieel ingenieur en Biotechniek Geel.
Tielemans, S. (2005-2006). Pathologie: Specifieke parasitologie: Hond.
Onuitgegeven cursus van het derde jaar Landbouw en biotechnologie optie
Dierenartsassistent, Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Industrieel
ingenieur en Biotechniek Geel.
Tielemans, S. (2005-2006). Pathologie: Endocrinologie: Acromegalie.
Onuitgegeven cursus van het derde jaar Landbouw en biotechnologie optie
Dierenartsassistent, Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Industrieel
ingenieur en Biotechniek Geel.
Tracy, D.L. (2002). Small animal surgical nursing (third edition). St.-Louis,
United States of America: Elsevier Science.
Vandecan, C. (2005). EHBO voor honden en katten. Onuitgegevens nota?s bij een
cursus, Vormingscentrum voor Zelfstandigen, Hasselt.
Vandecan, C. (2006). Mondelinge mededeling: Chirurgische geboortebeperking bij
de reu: Castratie: Voordelen: prostaathyperplasie.
Vandecan, C., Van Tichelen, I. (2006). Mondelinge mededeling: Chirurgische
geboortebeperking bij de teef: Voordelen: Cysteuze endometrium hyperplasie
complex: mucometra.
Van den Broeck, W. (1999-2000). De cyclus bij de teef. Onuitgegeven nota?s bij
opleiding tot vakdierenarts kleine huisdieren, Universiteit Gent, Faculteit
diergeneeskunde.
Van Soom, A. (2000). De cyclus bij de hond. Onuitgegeven cursus bij het
Postuniversitair Onderwijs Vakdierenarts Gezelschapsdieren, Universiteit Gent,
Faculteit diergeneeskunde.
Van Tichelen, I. (2004-2005). Assistentie: Pre-operatieve en postoperatieve
assistentie. Onuitgegeven cursus van het tweede jaar Landbouw en biotechnologie
optie Dierenartsassistent, Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Industrieel
ingenieur en Biotechniek Geel.
Van Tichelen, I. (2006). Mondelinge mededeling: Chirurgische geboortebeperking
bij de teef: Post-operatieve complicaties: Intra-abdominale bloeding: mesovarium.
Verbruggen, A. (2004-2005). Sterilisatie van de teef. Onuitgegeven scriptie tot
behalen van het diploma van vakdierenarts kleine huisdieren, Universiteit Gent,
Faculteit diergeneeskunde.
Verelst, A. (2004-2005). Kleine Huisdieren: De voortplanting bij de hond en de kat.
Onuitgegeven cursus van het tweede jaar Landbouw en biotechnologie optie
Dierenartsassistent, Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Industrieel
ingenieur en Biotechniek Geel.
Verstegen, J., Onclin, K., Van den Broeck, W., Saunders, J., Hesta, M., Rijsselaere,
T. (2001-2002). Verloskunde en voortplanting bij de hond en de kat. Onuitgegeven
cursus bij het Post Universitair Onderwijs Diergeneeskunde Kleine Huisdieren,
Merelbeke.
Verstegen, J., Onclin, K. (2002). Abortion induction in the bitch (and cat).
Onuitgegeven cursus bij het Postuniversitair Onderwijs diergeneeskunde Kleine
Huisdieren, Universiteit Luik, Departement Voortplanting Kleine Huisdieren.
Vroege, N. (2002-2003). Abortusinductie bij de teef. Onuitgegeven scriptie tot
behalen van het diploma van dierenarts, Universiteit Gent, Faculteit
diergeneeskunde.
Wagenaar, R.S.C. (s.a.). Geboortebeperking bij de reu. Gevonden op 15-02-2006
op het internet:
http://www.dierenartsabc.nl/geboortenbeperking_reu.htm?http://www.dierenartsabc.
nl/geboortenbeperking_reu_frame.htm.
Whitacre, M.D. (1994). Strategies in managing reprocductive disorders.
Onuitgegeven cursus bij het Postuniversitair Onderwijs. United States of America:
University of North Carolina USA.
Vleeschouwers, Mara 2006
51 KHK_ETD PDF Sterilisatie en castratie bij de hond : Een aanrader?
degree Bachelor - Gegradueerde in Landbouw en Biotechnologie

  Kort en bondig heb ik de anatomie van het geslachtsapparaat beschreven om bepaalde hoofdstukken in mijn werk, zoals bijvoorbeeld de voortplantingscyclus, beter te begrijpen.
De voortplantingscyclus van de teef doorloopt vier stadia, die el ...
k gepaard gaan met een andere activiteit in het voortplantingsstelsel en haar seksuele gedrag. Deze stadia zijn anoestrus, pro-oestrus, oestrus en metoestrus.
Bij de reu wordt vanaf de puberteit continue sperma geproduceerd in de teelballen. Hierdoor is de reu, vanaf deze periode, op elk moment klaar om te paren.

Indien er medische of gedragsproblemen zijn kunnen deze in bepaalde gevallen verholpen worden door te steriliseren of te castreren. Over de leeftijd van opereren, zijn er verschillende opinies. Zo'n operatie uitvoeren, houdt een bepaald risico in namelijk er kunnen bloedingen optreden tijdens of na een operatie.

Het voordeel van deze ingrepen is dat men bepaalde aandoeningen kan voorkomen of 'het risico op' verlagen. Naast deze voordelen zijn er ook nadelen verbonden aan een sterilisatie of castratie. Voorbeelden hiervan zijn overgewicht, urine incontinentie, verandering van de vacht, enz.

Men kan als alternatief de hond hormonaal behandelen. Deze behandeling is eveneens niet zonder gevaar en kan slechts tijdelijk gegeven worden.

References

Blom, I., (2005). Anatomie. Niet-gepubliceerde cursus
Dr. Foggle, B., Van Der Molen, R. (2003). Medisch handboek honden: Het
complete naslagwerk. Baarn: Tirion.
Grandjean, D., (2003). Encyclopedie van de hond. Parijs: Aniwa Publishing
Hill?s Pet Nutrition, (2005). Compendium.
Intervet, (2005). Incurine.
Mckay, J.E., (2002). Toepoels: Hondendokter. Bloemendaal: Becht.
Onbekende schrijver. Canine reproductie. Niet-gepubliceerde cursus, Gent
Royal Canin, (2005). Compendium.
Van Tichelen, I., (2005). Assistentie. Niet-gepubliceerde cursus
Verelst, A., (2005). Hond en kat. Niet-gepubliceerde cursus
Welch Fossum, T., (2002). Small animal surgery. Missouri: Mosby
Belgisch centrum voor farmacotherapeutische informatica
Gevonden op 11 oktober 2005 op het internet: http://www.bcfi-vet.be
Dierenkliniek abc
Gevonden op 9 maart 2006 op het internet: www.dierenartsabc.nl
Dierenkliniek Anubis
Gevonden op 22 november 2005 op het internet: www.anubis-vet.com
Dierenkliniek De Toren
Gevonden op 13 oktober 2005 op het internet: www.dierenkliniek-de-toren.nl
Dierenkliniek Paltrok
Gevonden op 1 december 2005 op het internet: www.paltrok.nl
De vrolijke viervoeter - kynologische termen
Gevonden op 15 oktober 2005 op het internet:
http://www.devrolijkeviervoeters.org/kynotermen.htm
Organisatie Old averest
Gevonden op 22 februari 2006 op het internet: www.oldaverest.nl
Whg dierenartsen BV Zeist
Gevonden op 22 november 2005 op het internet: www.Whgdierenartsen.nl
Verklarende woordenlijst
Abdomen: buik.
Aggregatie: samenvoeging, samenklontering.
Atrofie: teruggang in de voedingstoestand van organen, waardoor deze verkleinen
of verschrompelen.
Caudaal: structuren of zones gelegen naar de staart toe.
Follikel: blaasje. De rijping van de eicel vindt in de eierstok plaats binnen een
follikel.
Follikelcellen: een laagje epitheelcellen die om de eicel heen liggen.
Hyperglycaemie: abnormale verhoging van de bloedsuikerspiegel, een te veel aan
glucose in het bloed; i.t.t. hypoglycaemie.
Hyperthyroïdie: abnormale hoge productie van schildklierhormonen.
Lateraal: terzijde, zijdelings gelegen; i.t.t. mediaal
Ligatuur: afbinding, onderbinding, bijvoorbeeld van bloedvaten.
Mesometrium: buikvliesplooi die gedeeltelijk de inwendige vrouwelijke
geslachtsorganen bekleed.
Neoplasie: gezwel(vorming), autonome groei van cellen of weefsels tot goed- of
kwaadaardige gezwellen.
Obesitasrecidief: opnieuw te dik zijn, terug overgewicht hebben.
Plasma: is de bloedvloeistof waarin allerlei stoffen zijn opgelost (geelachtige
vloeistof). Plasma bestaat voor 90% uit water. Daarnaast zijn er voedsel-
bestanddelen, hormonen en opgeloste gassen. Het is bloed zonder bloedcellen.
Sfincter: sluitspier
Struviet: is een bij de hond veelvoorkomend urinesteentje (blaasgruis, blaasstenen)
bestaande uit magnesium-ammonium-fosfaat, dat gevormd wordt bij een hoge pH
(basische urine). Het kan worden opgelost met een speciaal voer.
Het dieet is bedoeld om blaasgruis (struviet) op te lossen en te voorkomen dat zich
blaasstenen gaan vormen door samenklontering van gruis en ontstekingsmateriaal.
Het geven van een aangepaste voeding zorgt ervoor dat de urine voldoende
verdund en dat de zuurtegraad van de urine zodanig verandert, dat het neerslaan
van struvietkristallen wordt voorkomen.
Synergisme: samenwerking
Tuba: het trechtervormige begin van de eileider.
Urethra: kanaal, waardoor de urine uit de blaas naar buiten wordt gevoerd, m.a.w.
de urinebuis.
Bij vrouwelijke dieren mondt de urethra binnen de vulvalippen uit in de vagina.
Bij mannelijke dieren wordt de urethra in de prostaat samengevoegd met de
zaadleiders. De urethra heeft zijn uitmonding in de penis.
Ventraal: tot de buik of de buikzijde behorend.
Verbloeden: het doodbloeden of leeg bloeden.
Vulva: uitwendige geslachtsdelen bij een vrouwelijk dier.
Delestinne, Linde 2006
52 KHK_ETD PDF Stress bij personen met ASS : Yoga als stressreducerend middel
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  Beeld je even in; " Je bent verdwaald in het hartje van Peking, China. Een van de drukste plaatsen op de aardbol. Je hebt niets bij de hand, geen gsm, geen wegenkaart niets. Er zijn duizenden mensen rondom jou, allemaal mensen die jij niet ...
kent, ze spreken chinees dus jij verstaat hen niet en zij verstaan jou niet. Je staat in het midden van de straat te draaien, je weet niet waar je heen moet, wat je moet doen, je kan niet meer nuchter nadenken, je raakt helemaal in paniek. Met alle mogelijkheden die je hebt probeer je jezelf duidelijk te maken, en anderen jou te doen begrijpen. Je probeert om hulp te vragen maar de meesten willen je niet begrijpen of doen er geen moeite voor .. Alles is tevergeefs. Sommigen kijken je vreemd aan, anderen roddelen over jou en anderen lopen je straal voorbij, alsof je niet bestaat. Er heerst een hels lawaai van de auto's, de trams, de menigte,... waardoor je je niet kan concentreren, je kan niet rustig rationeel nadenken. Je voelt het angstzweet uitbreken, je bent angstig omdat je niets in de omgeving kent, er is niemand die je kan helpen.

Stress, iets waar ieder van ons mee geconfronteerd wordt. Dit is iets waar personen met autisme wekelijks soms zelfs dagelijks mee geconfronteerd worden. Het probleem ligt voornamelijk bij het omgaan met deze stress. Vaak weten ze niet hoe ze deze frustraties, spanningen kwijt kunnen en hoe ze deze kunnen verminderen.
Doorheen de jaren zijn er verschillende methodes ontwikkeld om stress te verminderen. Yoga is op dit moment "de methode".
Hebben oefeningen gebaseerd op yoga een stressreducerend effect bij normaal begaafde volwassenen met autisme? Dit is de vraag die we ons hier kunnen stellen.
Eerst is er een literatuurstudie gebeurd naar waar stress vandaan komt en welke rol deze kan spelen bij personen met autisme, wat yoga is en welke rol die bij stress bij personen met autisme kan spelen. In het praktijkonderzoek werd er gezocht naar de meest efficiënte oefeningen in geval van stress bij personen met autisme.

Stress en autisme:
Oorzaken van stress zijn heel uiteenlopend. Zij zijn voor iedere persoon anders. Door hun triade aan stoornissen ervaren personen met autisme sneller en vaker stress. Door hun stoornis in de sociale interactie kunnen ze zich moeilijk inleven in anderen, kunnen ze niet inspelen op het gedrag van anderen, begrijpen ze gedrag van anderen niet. Vaak kunnen ze door deze problemen niet voldoen aan de eisen die de omgeving stelt,.... De stoornis in de communicatie zorgt voor problemen in zowel verbale als non-verbale communicatie. Ze schatten gedrag, acties, gelaatsuitdrukking verkeerd in of nemen bepaalde zaken, humor, sarcasme fout op. Door hun gebrek in centrale coherentie is het voor hen moeilijk om gesprekken te voeren omdat ze het geheel niet zien. Door hun beperking in verbeelding en fantasie gaan ze fictie en fantasie als realiteit aanzien. Hun gebrek aan verbeelding stelt hen in het onvermogen om nieuwe dingen te voorspellen, wat een enorme bron van spanning is.
Om voorspelbaarheid en structuur te hebben in hun leven gaan zij zoeken naar een routine, vaste handelingen, stereotiep gedrag waarin zij zich veilig voelen.
Dit kunnen ook een aantal eigen bezigheden zijn die veelvuldig herhaald worden. Bv. lichamelijk bewegingen, maar ook hobby's, vrijetijdsactiviteiten,....
Personen met autisme zijn in ieder geval al heel rigide in hun denken en handelen en zijn zeer weinig flexibel, als zij dan gaan vervallen in te routinematig gedrag gaat de kleinste verandering voor zeer grote frustraties, woede, spanningen, stress kan zorgen.
De algemene oorzaken van stress blijven echter belangrijk bij deze groep. Ook zij ondervinden stress door het verkeer, overlast van lawaai en dergelijke. Angst is ook een veel voorkomend probleem bij deze doelgroep en grote bron van spanningen en stress. (Horwitz, E.H.& Ketelaars, C.E.J.,2004) (Vermeulen P., 2002)

Yoga:

Stress zorgt voor overmatige spanning in de spieren en een disbalans in de organen. Ook je geest wordt onrustig. Geen wonder dat mensen opgebrand raken en ziek worden. Yoga leert je bewust aanwezig te zijn zonder iets te doen. Je krijgt meer inzicht in jezelf, in je eigen lichaam. Hierdoor kan je spanningen leren loslaten, de spieren worden opgerekt, het verouderingsproces wordt vertraagd, de ruggengraat wordt soepeler en sterker, de circulatie wordt bevorderd, de spijsvertering wordt verbeterd, hormonen en gevoelens raken in evenwicht en, de zenuwen worden gekalmeerd . (Betts, D.E.& Bets S.W. 2006)(Fraser, T.2007)
Laurel Oldenburg heeft onderzoek gedaan naar de effectiviteit van yoga bij personen met autisme binnen de ergotherapie. Ze verrichtte een onderzoek over 4 verschillende projecten. Hieruit kwamen zeer positieve resultaten. Over het algemeen was er een verhoging in concentratie en aandacht, organisatie, relaxatie en duidelijk verminderde stress. (Oldenberg,L. 2004)

Methode:

Om de effectiviteit van yoga zo objectief mogelijk te meten werd er eerst gekeken naar de factoren die reeds aanwezig waren om stress te voorkomen, te reduceren. Er werd ook gekeken naar de factoren die de yogasessies kunnen beïnvloeden. Daarna is men opzoek gegaan naar de yogaoefeningen die het meest effectief zijn voor de vooropgestelde doelstellingen en ben ik deze gaan aanleren bij vier normaal begaafde personen met autisme.
Enkele factoren die reeds aanwezig zijn bij VZW 't werk : Structuur geven, individuele begeleiding, individueel aangepaste werkruimtes, individueel aangepast materiaal, individueel aangepast pedagogisch werkmateriaal, betrokkenheid bij productief betekenisvol werk, sociale begeleiding, normalisatie, routine, regelmaat en veiligheid, invullen van de behoefte aan zinvol besteden van energie, zelfrealisatie, leefzekerheid, arbeidsvreugde, positief zelfbeeld, gesprekken voeren en brieven schrijven.
'T werk bestaat al 15 jaar, gedurende deze periode hebben de werknemers heel wat vorderingen gemaakt op vlak van communicatie en sociale aspecten, zelfredzaamheid,.... Ondanks deze prachtige vooruitgang en de aangepaste methodiek blijft stress een grote invloed hebben op hun dagelijks functioneren en ook daar wil Twerk iets aan doen.
Stress is onvermijdelijk, met deze methodes wordt de stress beperkt maar niet volledig uitgeschakeld. Het kan ook zijn dat deze methodes wel goed worden gehanteerd en effectief zijn maar dat er zich op de een of andere manier toch nog stress opstapelt. Daarom kan yoga een mooie aanvullende methode zijn.
Elke persoon met autisme is uniek, hun niveau van functioneren kan heel verschillend zijn. Ze hebben alleen een verschillende levenswereld. Daarom is het belangrijk we onze sessie individueel aanpassen. Als eerste ga je kijken naar de fysieke mogelijkheden wat hij kan en niet kan. Welke oefeningen vindt hij/ zij het aangenaamst. Houdt hij meer van concentratieoefeningen of van relaxatieoefeningen? De meest effectieve oefeningen zijn ademhalingsoefeningen, ontspannende lighoudingen, borstopenende houdingen en voorwaartse buigingen.
Als je de meest effectieve houdingen voor deze persoon hebt gevonden kan je relaxatiemuziek gebruiken. Het is bewezen dat muziek relaxerend werkt. Door deze te combineren kan je de relaxatie optimaliseren.
Om jezelf volledig te kunnen ontspannen en alle stress, frustraties, angsten en spanningen los te laten is het essentieel om je gedachten los te laten. Dit kan door je concentratie te vergroten.
Yoga bevat allerlei technieken waarbij we onze concentratie kunnen vergroten. Concentratie helpt ons rustig van geest te worden. Deze kunnen we trainen met behulp van een object, voorwerp, geluid, de ademhaling, tellen, visualiseren,....
Als vierde en laatste stap ga je werken aan de zelfstandigheid. Zorg dus dat je binnen je begeleide yogasessies een bepaalde regelmaat, structuur hebt in de opbouw van je oefeningen en de sessies zelf.
Om het effect te meten heeft men gebruik gemaakt van een scorelijst waar verschillende gevoelens opstonden. Deze moesten de personen die deelnamen zowel voor als na de yoga invullen. En aan het einde van de periode werd nog een persoonlijke vragenlijst afgenomen om hun eigen mening over yoga in kaart te brengen.

Besluit:

In de grafiek hierboven zien we de gemiddelde scores van één van de personen die deel heeft genomen aan de yoga. VY staat voor de scores die hij aan de gevoelens gaf voor de yoga en NY voor de scores die hij gaf na de yoga. We zien hier een duidelijk verschil.
Als we uit alle scores van alle personen de gemiddelden berekenen komen we uit op een gemiddelde daling van 17,2% van de negatieve gevoelens en een gemiddelde stijging 23,6 % van de positieve gevoelens.
Hieruit kunnen we concluderen dat yoga bij deze vier casussen een resultaat heeft. Yoga zorgt ervoor dat ze over het algemeen beter om kunnen met stress en dat ze deze stress beter onder controle kunnen houden. We moeten ook in ons achterhoofd houden dat deze positieve resultaten niet alleen aan de yoga te danken zijn maar ook mee kunnen beïnvloed worden door het feit dat ze individuele aandacht krijgen.
Door regelmatig aan yoga te doen zal hun algemeen welzijn verhogen waardoor ze een hogere weerstand hebben tegenover stressoren.
Het moeilijke aan yoga is echter dat sommigen sturing van buitenaf blijven nodig hebben. Mits een intensieve begeleiding van een langere periode is het mogelijk om bepaalde vaardigheden te trainen en hun zelfstandigheid binnen deze methode te optimaliseren.

References
Stress:
Lenson, B. (2003). Positieve stress, negatieve stress: Herkennen van en omgaan met
spanning. Zaltbommel: Thema.
Dries, J. (1994) Biorelaxatie, ontspannen van lichaam en geest. As: Arinus.
Gevonden op 30 maart op het internet: http--mediatheek.thinkquest.nl-~llb106-
brein.jpg
Gevonden op 24 maart op het internet:
www.mediatheek.thinkquest.nl/~llb106/angst.php - 18k ?
Gevonden op 24 maart op het internet: www.burnin.nl/?id=ken_vez - 44k ? 20 maart
Van Houdehove B.(2005), In wankel evenwicht / druk 1: over stress, levensstijl en
welvaartsziekten. Tielt: Lannoo nv
Gevonden op 30 maart op het internet: www.hanskoolen.nl/images/hersenen%202.jpg
Autisme:
Vermeulen P. (2002), Brein bedriegt: als autisme niet op autisme lijkt. Gent: EPO
Horwitz, E.H.& Ketelaars, C.E.J. (2004). Autisme Spectrum Stoornissen bij normaal
begaafde volwassenen. Assen: Van Gorcum
Stress + autisme:
Vermeulen P. (2002) Beter vroeg dan laat en beter laat dan nooit: de onderkenning van
autisme bij normaal tot hoogbegaafde personen. Gent: EPO
Vermeulen P.(2005) Een gesloten boek: autisme en emoties, editie 2. Gent: EPO
Bijlsma N. (2002), Autistische stoornissen met normale/ hoge intelligentie gevonden op
16 maart op het internet: www.autsider.net/documentatie/scripties/Eindscriptie.pdf
Stress + autisme:
Vermeulen P. (2002), Brein bedriegt: als autisme niet op autisme lijkt. Gent: EPO
Horwitz, E.H., Ketelaars, C.E.J., Van Lammeren, A.M.N.D. (2008). Autisme spectrum
stoornissen bij normaal begaafde personen. Assen: Van Gorcum.
Bogdashina, O. (2002), Communicatiekwesties bij Autisme en aspergersyndroom.
Appeldoorn: Garant.
Bogdashina, O. (2005). Theory of Mind and the Triad of Perspectives on Autism and
Asperger Syndrome: A View from the Bridge. Londen: Jessica Kingsley publishers.
Baron-Cohen, Swettenham, J. (1997) Theory of mind in autism: its relationship to
executive function and central coherence. Handbook of Autism and Pervasive
Developmental Disorders
Jolliffe T. & Baron-Cohen S. (1999) A test of central coherence theory: linguistic
processing in high-functioning adults with autism or Asperger syndrome: is local
coherence impaired? Gevonden op 15 Januari 2009 op het internet:
http://www.sciencedirect.com/science?_ob=ArticleURL&_udi=B6T24-3WYHTJC-
3&_user=10&_rdoc=1&_fmt=&_orig=search&_sort=d&view=c&_acct=C000050221&_v
ersion=1&_urlVersion=0&_userid=10&md5=66766b4a89062f302395a0b2a1d95391
Hill, E.L. (2004). Executive dysfunction in autism. TRENDS in cognitive Sciences ,Vol.8
No.1, 2004 26-32
Hill, E.L. (2004). Evaluating the theory of executive dysfunction in autism.
Developmental Review, 24, 189?233
Robert, M.J., Tager-Flushberg, H. (2004). Theory of mind and executive functions in
autism: The Relationship of Theory of Mind and Executive Functions to Symptom Type
and Severity in Children
Kees De Vries (2002) Angst gevonden op 30 Maart op het internet:
www.platovisit.com/posttrauma/angst.htm
Loos, H.G. & Loos Miller, I. M. (2004). Shutdown States and Stress Instability in
Autism.
Loos, H.G. & Loos Miller, I.M. (2004). Shutdowns and Stress in Autism.
Happé, F. & Frith, U. (2006). The weak coherence account: detail-focused cognitive
style in autisme specrum disorders. Journal of autism an developmental disorders, Vol.
36, No 1
June Groden, Matthew S. Goodwin, M. Grace Baron, Gerald Groden, Wayne F. Velicer,
Lewis P. Lipsitt, Stefan G. Hofmann, and Brett Plummer (2005). Assessing
Cardiovascular Responses to Stressors in Individuals With Autism Spectrum Disorders.
Focus on autism and other developmental disabilities, volume 20, number 4, winter
2005. 244?252
Wing, L. & Gould, J. (1997). Severe impairments of social interaction and associated
abnormalities in children: epidemiology and classification. Journal of autism and
childhood Schizoprhenia, 9 (1), 11-29.
Williams, D. (1999) Co-morbid disorders: Fleas and Autism Gevonden op 20 December
2009 op het internet.http://www.donnawilliams.net/fleasandautism.0.html
Schattenberg, G. (2006). Zorgprogramma autismespectrumstoornissen voor normaal
begaafde personen met autisme. Gevonden op 10 augustus 2008 op internet:
http://www.umcn.nl/patient/
Yoga:
Betts, D.E.& Bets S.W. (2006). Yoga for children with Autism Spectrum Disorders: A
step-by-step guide for parents an caregivers. Londen: Jessica Kingsley publishers.
Summar, S. (1996). Yoga for the special child. Buckingham: Special yoga publications.
Brosnan, B.(1984). Yoga voor gehandicapten. Nijkerk: Intro
Fraser, T.(2007). Yoga feel good basisboek. Vianen:The house of books
Molly Kenny, M.S. (2002). Integrated Movement Therapy: Yoga-Based Therapy as a
viable and effective intervention for Autism Spectrum and Related Disorders.
International Journal of yoga therapy, 12, 71-79
Coulter, D. H.(2001). Anatomy of Hatha Yoga: A Manuel for Students, Teachers, and
Practitioners. Honesdale: Body and Breath Inc.
Oldenberg,L. (2004)Use of Yoga with Children in Occupational Therapy gevonden op 20
februari op het internet: www2.ups.edu/ot/evidence/2004/Oldenburg2004.rtf
Van Lysebeth, A. (1970). Yoga doen en begrijpen. Deventer: N. Kluwer.
Isaacson, S.(2001) Mind, Body & Spirit: Yoga. Vianen: The house of books.
Seegers,M. (2008). Zes oefeningen tegen stress. Yoga: Gezondheid, spiritualiteit en
liefestyle Nr.1 2008, p74-77
Van Wesemael, Tina 2009
53 KHK_ETD PDF De verschillende oorzaken van onzindelijkheid bij de kat
keywords Ecology Systematic zoology, taxonomy, zoogeography Veterinary medicine: surgery, physiology, pathology, clinical studies Biomedical sciences Medicine (human and vertebrates) Animal ecology Animal anatomy, animal morphology Zoology

degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  Het heeft even geduurd eer ik wist waarover ik mijn eindwerk wilde schrijven, maar na overleg met mijn stageplaats ben ik dan uiteindelijk toch tot een interessant onderwerp gekomen.

Mijn eindwerk, verschillende oorzaken van onzindelijk ...
heid bij de kat, heeft als doel om dierenartsassistenten een kleine handleiding te verschaffen over de geschiedenis, de aanschaf en de oorzaken van onzindelijkheid bij de kat.

Als de dierenartsassistenten een vraag krijgen over de onzindelijkheid van een patiënt dan zullen zij, aan de hand van dit eindwerk, de mogelijkheid hebben om de eigenaar juist te informeren omtrent bepaalde oplossingen of handelingen.

Ik heb getracht om alle noodzakelijke onderwerpen omtrent onzindelijkheid op een degelijke maar toch vlot leesbare manier te verwerken. Het is vanaf het begin niet de bedoeling geweest om er een zwaar medisch eindwerk van te maken, zodat het ook begrijpbaar is voor de eigenaars van een kat.


References

Elektronische publicaties
Gevonden op 11 februari 2007 op het internet: http://home.wanadoo.nl/
Gevonden op het internet op 28 maart op het interne: http://homeplanet.nl
Gevonden op 2 februari 2007 op het internet: http://nl.wikipedia.org/
Gevonden op 6 april 2007 op het internet: http://www.ah.novartis.nl
Gevonden op 2 januari 2007 op het internet: http://www.animaldoctor.be
Gevonden op 20 april op het internet: http://www.causus.be
Gevonden op 14 maart 2007 op het internet: http://www.dekattensite.nl/
Gevonden op 15 april op het internet: http://www.dierenkliniekbrandersstad.nl
Gevonden op 14 maart 2007 op het internet:
http://www.dierenkliniekwilhelminapark.nl/
Gevonden op 13 februari 2007 op het internet: http://www.dobrego.com/
Gevonden op 11 februari 2007 op het internet: http://www.ecologiebibliotheek.nl/
Gevonden op 6 april 2007 op het internet:http://www.feliway.nl/
Gevonden op 21 februari op het internet: http://www.uzleuven.be
Gevonden op 8 april 2007 op het internet: http://www.whgdierenartsen.nl/
Gevonden op 17 maart 2007 op het internet: http://www.zwerfkattendordrecht.nl
Boeken
Auteur Birr U., Vennebusch T., Huber C. Complete raadgever: katten. Aartselaar:
Zuidnederlandse uitgeverij
N.V.
Auteur Verhoef E., De grote katten encyclopedie. Lisse: Rebo productions b.v.
Auteur Hill?s, Voedingssleutel 2005. Nederland: Hill?s
Auteur Halls V., Wat uw kat u vertelt. Amsterdam: De boekerij bv
Onuitgegeven materiaal
Blom I., Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Ingenieur en Biotechniek,
Anatomie & fysiologie deel II. Geel: Campina Media
Van Tichelen I., Katholieke Hogeschool Kempen, Departement Ingenieur en
Biotechniek, Medische beeldvorming. Geel: Campina Media
Desmet, Evy 2007
54 KHK_ETD PDF Opleiding van politiehonden
keywords Ecology Biomedical sciences Animal ecology Zoology Animal anatomy, animal morphology

degree Bachelor - Bachelor in agro- en biotechnologie

  De dag van vandaag zijn honden niet meer weg te denken bij het politiewerk. Ze staan hun geleiders bij tijdens patrouillewerk en speurwerk. Er zijn al veel levens gered en problemen opgelost door het werken met politiehonden. Als iemand hon ...
dengeleider bij de politie zou willen worden, hoe kan men dit dan het best aanpakken? De opleiding voor de geleider en de hond is zwaar en er zijn veel afvallers. Men kan een hond op verschillende manieren trainen maar welke manier is nu het meest geschikt voor het verkrijgen van een politiehond die zijn werk perfect uitvoert?

In het eerste deel wordt de geschiedenis van politiehonden uit de doeken gedaan, dit werd vrij uitgebreid besproken omdat het gebruik van honden bij de politie in België is ontstaan.
Om later een goede diensthond te hebben zal men al bij de aankoop moeten letten op bepaalde eigenschappen. Er zijn maar enkele hondenrassen die hiervoor in aanmerking komen. In het tweede deel zal men ook lezen dat er bepaalde verschillen zijn op lokaal en federaal niveau. Er zijn verschillende soorten gespecialiseerde diensthonden maar de patrouillehond wordt meer in detail besproken omdat deze specialiteit het meest voorkomt in de hondenbrigades

In dit werk worden verschillende trainingsmethodes uitgelegd maar men zal hieruit leren dat de beste manier van training bestaat uit veelvuldig te belonen. Men zal de hond enkel straffen op een consequente, niet - lichamelijke manier.
Als laatste wordt de opleiding besproken die een persoon moet doorlopen om in dienst te kunnen gaan als hondengeleider bij de politie.

References

Baume, C. (196). In de enheden: Welverdiende rust. Revue van de rijkswacht.
14, 25.
Gevonden op 20 december 206 op het internet:
htp:/ww.polfed-fedpol.be/pub/archief/archief_revRijkswacht_14_nl.php
Bechtold, W. (1982). Africhting tot verdedigingshond: met de hond nar het
oefenterein. Stutgart. W. Keler & Co.
Belgische federale politie. (207). De opleiding binen de geïntegrerde politie.
Gevonden op 19 februari op het internet:
htp:/ww.police.ac.be/menu_2.htm
Buysschaert, J. (202). Dossier Hondensteun. Magazine van de federale politie. 8,
20 ? 31.
Gevonden op 15 oktober 205 op het internet:
htp:/ww.polfed-fedpol.be/pub/archief/archief_pol_08_nl.php
Daglish, E. (1980). Honden leren gehorzamen. Den Hag. Zuidgroep.
De Bolster , G. (200). Uw hond trainen en opvoeden. Aartselar: Zuidnederlandse
Uitgeverij
De Bolster, G., Bogaert, G. (207). Sociale en praktische diensthondenopleiding.
Gevonden op 9 april op het internet:
htp:/ww.scenteam.be/SPD_NL.htm
De Caluwé, R. (195). De erste Belgische politiehonden 189 ? 1914. Gent: KOJ.
Depuis, B. (206). Sokks methode voor politiehonden: Tot 30 % mer reukzin.
Inforevue. 3, (1), 6 - 7.
Gevonden op 2 februari 207 op het internet:
htp:/ww.polfed-fedpol.be/pub/inforevue/pub_inforevue1_06_nl.php
De Vocht, B. (206). Gedrag anleren.
Gevonden op 02 februari 207 op het internet: htp:
htp:/bdevocht.spaces.live.com/?_c11_BlogPart_FulView=1&_c11_BlogPart_blogpa
rt=blogview&_c=BlogPart&partqs=amonth%3D1%26ayear%3D206
Fogle, B. (196). Atrium rashondengids: De Duitse Herdershond. Amsterdam: De
redactie.
Hak, R. (1986). Belgische Herders. Den Hag. Zuidergroep B.V. Uitgevers.
JopPol. (207). Algemene toelatingsvoorwarden voor het operationel kader.
Gevonden op 19 februari op het internet:
htp:/ww.jobpol.be/default.asp?id=10&sub=3&et=5
Permanente nota van 25 oktober 206 betrefende de functionele opleiding van
patrouilehondengeleiders (207, 16 januari). Belgisch Statsblad.
Ravesteijn, H. (207). De teletac: Wondermidel of marteltuig?
Gevonden op 9 april op het internet:
htp:/home-l1.tiscali.nl/~ac43170/teletac.htm
Slabert, J.M., Odendal, J.S.J. (199). Early prediction of adult police dog
eficiency?a longitudinal study. Aplied animal behaviour science.
Gevonden op 19 oktober 206 in Science Direct databank.
Svartberg, K. (201). Shyness?boldness predicts performance in working dogs.
Aplied animal behaviour science.
Gevonden op 19 oktober 206 in Science Direct databank.
Van Puyvelde, S. (204). Patrouilehondenteams in en nieuw kledje: Operatie One
Shot achter de rug. Inforevue. 1, (4), 24- 26.
Gevonden op 20 december 206 op het internet:
htp:/ww.polfed-fedpol.be/pub/inforevue/pub_inforevue4_04_nl.php
Van Puyvelde, S. (205). Dienst Hondensteun verhuisd: Viervoeters duiken het
zwembad in. Inforevue. 2, (3), 3 ? 35.
Gevonden op 20 december 206 op het internet: htp:/ww.polfed-
fedpol.be/pub/inforevue/pub_inforevue3_05_nl.php
Op De Beeck, Femke 2007
55 KHK_ETD PDF Een autismevriendelijke speelplaats : Aanpassing van een speelplaats en het effect op het (speel)gedrag
degree Bachelor - Bachelor in de ergotherapie

  "Juffrouw ik verveel me, is het nog lang en het is hier maar stom." Dit waren maar enkele reacties die ik hoorde tijdens de eindwerkweek stage in oktober 2008. Het was één grote chaos en onrust op de speelplaats. Regelmatig waren er ruzies ...
die uitdraaide in vloekoorden met zelfs fysieke agressie als gevolg.

Gedurende de uitwerking van mijn eindwerk heb ik een antwoord gezocht op de vraag: heeft het aanpassen van de speelplaats een effect op het (speel)gedrag bij kinderen met autisme? Ik deed mijn stage in BuBao Den Anker. Op de autiwerking van de lagere school heb ik geprobeerd om een antwoord te krijgen op deze vraag.

Aan de hand van een zelfgemaakte observatielijst, ben ik tot de belangrijkste moeilijkheden of problemen gekomen. Deze gegevens heb ik vervolgens in mijn eindwerk beschreven. Op het einde van mijn stage heb ik deze observaties opnieuw uitgevoerd. Aan de hand hiervan kon ik dan een duidelijke conclusie trekken.
Eveneens heb ik op het einde van mijn stage een enquête afgenomen bij de begeleiding. Op deze manier wilde ik nagaan wat de sterktes en zwaktes van het project waren. Ik wilde peilen naar de tevredenheid van de begeleiding en wat zij vonden van het resultaat.

Op mijn stageplaats waren er al enkele aanpassingen doorgevoerd. Enkele hadden een duidelijk effect en enkele boden geen meerwaarde. Hierdoor kon ik terugvallen op een team met veel ervaringen en kennis. Op deze manier was er een mooie basis gelegd zodat ik niet van nul moest beginnen. Dit heeft dit eindwerk op een positieve manier beïnvloed.
In mijn eindwerk heb ik gekozen om van de speelplaats een georganiseerde vrije tijd te maken.
Eerst en vooral hebben we de omgeving aangepast. Dit hield in dat we verschillende hoeken hebben gemaakt waar er telkens één activiteit doorging. Deze hoeken werden afgebakend met rode hekjes. Een afbakening was belangrijk. Op deze manier werd de speelruimte beter gevisualiseerd.
Een ander belangrijk aspect dat we hebben toegepast is het verhelderen van tijd. Via een time timer hadden de kinderen een controle over hoe lang het speelmoment nog duurde.
Eveneens hadden we een weekschema opgesteld waarin stond vermeld wie, wat en wanneer moest doen. Op deze manier verhinderden we dat kinderen keuzes moesten maken aangezien dit vaak een frustratiegevoel met zich meebrengt. Deze opgelegde activiteiten waren gekend en de materialen waren duidelijk. Eveneens waren de opdrachten heel divers. De materialen voor de activiteiten zaten elk in een doos. In deze doos zaten eveneens spelhandleidingen. In deze boekjes stonden concrete handelingen uitgelegd. Op deze manier konden de kinderen allerhande activiteiten uitvoeren aan de hand van een gevisualiseerd stappenplan.
We hebben geopteerd voor een doorschuifsysteem. Hiermee hoopten we de verveling tegen te gaan. Ook in andere scholen werd een doorschuifsysteem toegepast want zeg nu zelf, zou jij vijftig minuten dezelfde activiteit willen doen?
Om de vijftien minuten schoof men door naar een andere activiteit. Dit was duidelijk gemaakt op het keuzebord dat op de speelplaats hing.
De leerkrachten speelden een enorm belangrijke rol. Ze moesten ervoor zorgen dat het keuzebord in orde was zodat de kinderen hun volgende activiteit konden zien. Eveneens kreeg elke leerkracht de verantwoordelijkheid over een doos met materialen. Op deze manier hoopten we om de leerkrachten te blijven motiveren om zich in te zetten voor de speelplaats. Zonder goede begeleiding is dit namelijk niet mogelijk.

Met deze aanpassingen proberen we vooral duidelijkheid te scheppen in tijd en ruimte. Eveneens willen we veiligheid creëren door de kinderen zelf geen keuzes te laten maken en zo het probleemgedrag te laten afnemen. Een andere doelstelling die ik via deze weg wilde bereiken is dat de kinderen en de begeleiding opnieuw plezier gaan beleven aan de pauzemomenten. Dit alles gebeurd aan de hand van verplichte activiteiten, verhelderingen in de ruimte en tijd en als meest belangrijke kenmerk visualisaties.

Op sociaal vlak is er heel wat veranderd. De leerlingen zochten veel meer contact met elkaar dan voordien. Ze speelden samen, gingen interacties aan en de ruzies namen duidelijk af. Op materieel vlak was er eveneens een evolutie merkbaar. De kinderen droegen zorg voor het materiaal en gebruikten de materialen voor wat ze bedoeld waren. Men hield zich meer aan de sociale regels zoals beurtname en het afnemen van speelgoed. Het stereotiepe gedrag is duidelijk verminderd. Voordat we de aangepaste speelplaats gebruikten, stelden we bij tien van de dertien kinderen een vorm van stereotiep gedrag vast. Nu vertonen slechts nog twee kinderen stereotiep gedrag.
Naast het stereotiepe gedrag is ook de veiligheid veranderd. Voordien brachten veel kinderen zichzelf en anderen in gevaar. Dit gedrag is sterk verminderd.
De leerlingen krijgen nu een duidelijke activiteit aangeboden welke ze moeten uitvoeren. Dit heeft tot gevolg dat de kinderen zelfstandig kunnen beginnen met een activiteit.
Wanneer de activiteit gedaan is, stoppen de kinderen meteen met het spel. Ze blijven niet rondhangen maar gaan meteen in de rij staan of beginnen met hun ander opgelegde activiteit. Het opruimen van de activiteiten verloopt eveneens vlotter. Waar voordien vaak materialen bleven rondslingeren, worden de materialen nu opgeruimd en op hun plaats gelegd.

Op de vraag of het aanpassen van een speelplaats een effect heeft op het speelgedrag van kinderen met autisme kan ik volmondig ja zeggen. De speeltijden verliepen rustiger, zowel voor de begeleiding als voor de kinderen.
"Het is nu fijn, we maken minder ruzie, we vervelen ons niet meer enz." Dit zijn maar enkele reacties die ik van de kinderen heb gekregen. Voor mij was dit het bewijs dat ik goed werk heb geleverd.
Wanneer je de speeltijd organiseert, kan een speeltijd voor kinderen met autisme een ontspannende en aangename tijd zijn.
De veranderingen die waren doorgevoerd waren slechts voor twee klassen tijdens de middagspeeltijd. Nu is het belangrijk dat de speelplaats verder wordt aangepast en uitgebreid. Er moet nu een georganiseerde vrije tijd komen voor alle speeltijden en voor alle klassen.

References
Boeken:
Degrieck, S. (2004). Werk maken van vrije tijd: vrije tijd en autisme. Berchem: Epo.
Notbohm, E. (2007). 10 dingen die je zou moeten weten over kinderen met autisme.
Huizen: Pica.
Dumortier, D. (2002). van een andere planeet, autisme van binnen uit. Antwerpen:
Houtekiet.
Gillberg, C., Peeters, T. (2003). Autisme: medisch en educatief. Antwerpen: Houtekiet.
Krenzer, R. (1983). Spelen met gehandicapte kinderen deel 2. Nijkerk: Intro.
Betts, D. E., Patrick, N.J. (2007). Autisme wegwijzer: doeltreffende oplossingen voor
alledaagse problemen. Huizen: Pica.
Delfos, M.F. (2002). Een vreemde wereld: over autisme, het syndroom van asperger en
PDD ? NOS. Voor ouders, partners hulpverleners en de mensen zelf. Amsterdam: SWP
Amsterdam
Vermeulen, P. (2002). Voor alle duidelijkheid, leerlingen met autisme in het gewoon
onderwijs. Berchem: Epo.
Vermeulen, P., Degrieck, S. (2006). Mijn kind heeft autisme, gids voor ouders,
leerkrachten en hulpverleners. Tielt: Lannoo.
Vermeulen, P. (1999). Dit is de titel: over autistisch denken. Berchem: Pica.
Sicile ? Kira, C. (2005). Autisme bij kinderen, de complete gids voor ouders en
hulpverleners. Houten: MOM.
Vlaams verbond van het Katholieke buitengewoon onderwijs. (2003). Autisme wijzer:
begeleiding van leerlingen met autisme. Antwerpen: Garant.
Vlaams verbond van het Katholieke buitengewoon onderwijs. (2006). Autisme wijzer;
autisme ? kijk ? wijzer: begeleiding van leerlingen met autisme. Antwerpen: Garant.
Woordenboeken:
Jochems, A.A.F., Joosten, F.W.M.G. (2006). Zakwoordenboek der geneeskunde (28ste
dr.). Doetinchem: Elsevier gezondheidszorg.
De Boer, W. Th. (1996). Wolters? Ster Woordenboek (2de dr.). utrecht ? Antwerpen:
Wolters? woordenboeken.
Onuitgegeven materialen:
Daems, J., Verstraeten, K. (2007). Ontwikkelingsproblematiek, autisme spectrum
stoornis. Onuitgegeven cursus voor de opleiding ergotherapie, Katholieke Hogeschool
Kempen.
Van Loy, V. (2006). Theorie algemene ergotherapie. Onuitgegeven cursus voor de
opleiding ergotherapie, Katholieke Hogeschool Kempen.
Basisschool St ? Jan Berchmanscollege. (s.a.). infobrochure over autisme spectrum
stoornissen.
Tijdschriften:
Malone, K., Tranter, P. (2003). Children?s environmental learning and the use, design
and management of schoolgrounds. Children, youth and environments, 13 (2).
Ingram H, D., Dickerson M, S., Troxell B, L., Calhoun L, S. (2007). Assessing children
with autism, mental retardation, and typical development using the Playground
Observation Checklist. Autism, 11 (4), 311-319.
Van Hagen, A. (2007). Een veranderende visie op het ontwerpen en het gebruiken van
schoolspeelplaatsen. JSW, 91, 13-17.
Bormans, L., Van Laere, M., Paquet, M.(1997). De speeltijd is het plezantste. Klasse
voor ouders, 12, 2-3.
Lobst, S. (2004). Samen doen en samen groeien, op weg naar een levendig
schoolplein. Mensen ? kinderen (november), 5-10.
Lantz, J. (2001). Play time: An examination of play intervention strategies for children
with autism spectrum disorders. The Reporter, 6(3), 1-7.
Kern, P. (2003). Phillip?s Groove! ? Integrating young children with autism on childcare
playgrounds. Proceedings of the 5th Triennial Conference of the European Society for
the Cognitive Sciences of Music (ESCOM), (10-13).
Eindwerken:
Scheijen, E. (2007). Stappen in het speelveld, autisme en spelbegeleiding.
Afstudeerproject voor de opleiding voor Pedagogiek, Fontys Hogescholen Sittard.
Blandina, L., Gielen, F., Leeten, S., Tilkens, D. (2008). Het creëren van een aangename
speelplaats. Afstudeerproject voor de opleiding Bachelor in de orthopedagogie,
Katholieke Hogeschool Limburg, departement Sociaal-Agogisch Werk.
De Haas, I. (2005). Samen spelen, hoe doe je dat? Aanleren van sociale vaardigheden
binnen spel aan kinderen met autisme. Afstudeerproject voor de opleiding
ergotherapie, Katholieke Hogeschool Kempen, departement Gezondheidszorg en
Chemie.
Nuyts, J. (2007). Vrije tijd, ontspanning of inspanning? Vrijetijdsbesteding bij kinderen
met autisme en een ernstig mentale beperking. Afstudeerproject voor de opleiding
ergotherapie, Katholieke Hogeschool Kempen, departement Gezondheidszorg en
Chemie.
McCaffery, D. (2007). There is preliminary evidence that LEGO© therapy can improve
social skills in children with Autism Spectrum Disorder. Afstudeerproject voor de
opleiding ergotherapie, University of Western Sydney.
Internet:
Bloemen, W. (s.a). Speeltijden moesten ze afschaffen, de speel leertuin. Gevonden op
9 september 2008 op het internet:
http://users.skynet.be/website.autiplanet/Autiplanet/index2.htm
Golin, G. (s.a). Autisme en vrije tijd. Gevonden op 12 juli 2008 op het internet:
www.tbaplus.nl/themabijeenkomst/3/vrije%20tijd.pdf
Van Renthergem, w., Vergult, K. (2008). 42 km naar de zon! Gevonden op 9
september 2008 op het internet: http://www.42kmnaardezon.blogspot.com/
Yuill, N., Strieth, S., Roake, C., Aspden, R., Todd, B. (2007). Designing a playground
for children with autistic spectrum disorders, effects on playfull peer interaction. Journal
of autism developmental disorders, 37 (6), 1192-1196. Gevonden op 2 september 2008
op het internet:
http://www.springerlink.com/content/33635616521ju017/?p=c208d379988140f8a2728
f9c6d7c4564&pi=17
The national autistic society (2005). classroom and playground, support for children
with autism spectrum disorders. Gevonden op 19 september 2008 op het internet:
http://www.nas.org.uk/nas/jsp/polopoly.jsp?d=1393&a=13865
Chambers, B. (2008). New playground opens for kids with autism. Gevonden op 21
november 2008 op het internet:
http://www.myhometownnews.net/index.php?id=50201
Klim, vrije lagere scholen. (s.a.). ideeen voor een creatieve speelplaatswerking.
Gevonden op 4 oktober 2008 op het internet: leerkracht-
veerkracht.be/cms2/images/stories/praktijkvoorbeelden/stap1_leerkracht_en_de_klas/
volledige_beschrijving.pdf -
Uitgeverij Lannoo.(s.a.).De spelontwikkeling bij kinderen met autisme. Gevonden op 18
september 2008 op het internet:
www.lannoo.com/Media/extradownloads/9789020964530_sessie6-document1.pdf -
Vrijsen, C. (2007). Autisme en vrije rijd: ontspanning in spanning. Gevonden op 9 juli
2008 op het internet:
http://users.skynet.be/website.autiplanet/Autiplanet/vrije_tijd_en_vakantie.htm
American society of landscape architects (2008). Playground design can boost social
play for autistic children. Gevonden op 2 september 2008 op het internet:
http://www.asla.org/lamag08/april/practice.html
Suttcliff, R. (s.a.). The positive benefits of playtime. Gevonden op 2 september 2008 op
het internet:
http://www.ideas4education.co.uk/Newsletter.aspx?s=00000000-0000-0000-0000-
000000000000&l=2&n=1&i=24&c=0&a=146&o=0
Autisme info centrum (s.a.). Vrijetijdsbesteding van autisten en personen met een aan
autisme verwante contactstoornis. Gevonden op 23 september 2008 op het internet:
http://www.autismeinfocentrum.nl/fetch_html_cat.html?mnu=tmain100:sinfo107&s=2
&l=nl&t=1222866337&oid=17339809
Kaboom, (2008). Playspaces for children and adults with Autism Spectrum Disorders.
Gevonden op 21 november 2008 op het internet:
http://projects.kaboom.org/SpecialNeeds/AutismSpectrum/tabid/20564/Default.aspx
Mens en samenleving (2006). Autisme in het onderwijs. Gevonden op 16 september op
het internet: http://mens-en-samenleving.infonu.nl/onderwijs/20020-autisme-in-het-
onderwijs.html
Korkat (2006). Special projects: because traditional playgrounds often do not serve the
needs of children with autism, something new was needed. Gevonden op 2 september
2008 op het internet: http://www.korkat.com/special_projects.htm
Wagner, C. (2000).. National Clearinghouse for educational facilities. Planning School
Grounds for Outdoor Learning. Gevonden op 19 september 2008 op het internet:
http://www.edfacilities.org/pubs/outdoor.pdf
Dautenhahn, K. (s.a.). Design Issues on Interactive Environments for Children with
Autism. Gevonden op 1 oktober 2008 op het internet:
web.mit.edu/16.459/www/Dautenhahn.pdf
Blatchford, P., Pellegrini, T., Baines, E., Kentaro, K. (2002). Playground games: their
social context in elementary/ junior school. FINAL REPORT TO THE SPENCER
FOUNDATION. Gevonden op 2 oktober 2008 op het internet:
www.breaktime.org.uk/SpencerFinalReport02.pdf
Wakeford, L.,Kern, P. (2006). Supporting Outdoor Play: A Practical and Evidence-Based
Approach Annual Conference of the American Occupational Therapy Association.
Gevonden op 30 september 2008 op het internet:
www.unc.edu/courses/2005spring/occt/252/001/word%20documents/outdoor_full%20
handout.doc
Bould, N., Bezerra, C. (2005). Designing playful and inclusive spaces. Gevonden op 1
oktober 2008 op het internet: www.cden.ca/2005/2ndCDEN-conference/data/10060.pdf
Pekka, H., Visa, P. (s.a.). the effects of playground activities and exercising on
playground equipment on the motor coordination of preschool children. Gevonden op
25 september 2008 op het internet:
http://www.newtest.com/Docs/Effects%20of%20playground%20activities%20on%20pr
eschool%20children.pdf
Professionelen:
Klaartje Vergult, lerares, MPi ?t Zonneke, St.-Niklaas.
Fran Demeulemeester, orthopedagoge autiteam, De Pottelberg, Kortijk.
Maggy Schreurs, orthopedagoge, MPI De Vloedlijn, Oostende.
Evi Heeren, mentor autiwerking, St.-Elisabethschool, Wijchmaal.
Anke Verslagers, projectleider van het schoolplein, Voorthuijs, Haarlem.
Ruth van Vlierbergen, de triangel, Lovendegem.
Sylvie Verte, trajectbegeleider, Het anker, St.-Andries.
Ann Geens, lerares, basisschool St ? Jan Berchmanscollega, Westmalle.
Leerkrachten en begeleiders Den Anker, Mechelen.
Info centra:
Opleidingscentrum Autisme
Vzw Auctores
Vlaamse vereniging autisme
McDD
Autisme Centraal
Keepers, Elke 2009
56 KHK_ETD PDF Effect van bezoekersaantallen bij Cracidae in ZOO Antwerpen
degree Master - Master in de biowetenschappen: landbouwkunde

  Craciden zijn sterk bedreigde hoenderachtigen die een prominente plaats innemen in het ecosysteem van het Zuid-Amerikaans regenwoud. Doordat ze zaden verspreiden en dienst kunnen doen als indicatorsoort hebben ze mogelijk een sleutelpositie ...
in dat ecosysteem en zijn ze dus van groot maatschappelijk belang.